thema:

Drie mannen in een auto

Vertaling:

Toen kwam het nieuws. Vorster zou op tournee gaan door het land om zijn détentebeleid bekend te maken. Hij zou komen spreken over ‘de nieuwe weg’.
Er werd een datum vastgesteld voor zijn bezoek aan het dorp. Het staatshoofd zou op het rugbyveld spreken, waar ook de opwekkingsdiensten werden gehouden. Mensen zouden ‘van heiden en verre’ (in de woorden van een scholier) komen en op de tribune plaatsnemen, als hazen in het licht van de koplampen.
Détente behelsde dat onze blanke leiders naar Afrika zouden reizen om met zwarte leiders te praten. Ze moesten worden overgehaald om het Westen te ondersteunen voordat de communisten hun hoofden vergiftigden.
Sommigen geloofden dat Vorster al geruime tijd een beleid voerde om contacten te leggen met goedgezinde Afrikaanse staten. In het geheim natuurlijk. Jackson, de wegenbouwer, was ook die mening toegedaan. Hij flapte er tegen wie het maar horen wilde uit dat zijn opdracht, gekwalificeerd als ‘hoogst geheim,’ hem twee jaar geleden al bereikt had. De kiezer is altijd de laatste die zoiets verneemt.
De dag van Vorsters bezoek brak aan. Hij zou om zeven uur spreken. Inwoners uit de lokasie namen de wijk, ze lieten zich die dag niet zien. Ik had gehoord dat Ma Els een partijtje zou houden waar ze haar legendarische kristalsoep zou opdienen samen met een pul bier. De Songbirds, de vermaarde muzikanten uit Mamelodi, zouden optreden. Ze speelden afvallige Boere-muziek voor zwarten die mbaqanga en marabi werd genoemd. De voltallige politiemacht zou bij de toespraak van Vorster aanwezig zijn.
De avond was zoel, de schaduwen waren warm als schapenvacht. En de grijze wolken dreven steeds donkerder voorbij, aan de onderkant lichtten ze nog een beetje op door de ondergaande zon. Ver in de hemel erboven kolkten en warrelden wolken als veertjes, eveneens spierwit.
De paramilitaire schoolband gaf vanaf de straat een nummertje ten beste, de knieën hoog opgetrokken om de voeten stampend op het asfalt te laten neerkomen, nu eens als een man een halve draai naar links makend, dan weer een halve draai naar rechts. Als de voor- en keerzijde van een munt. Vorsters nieuwe munt.
Toen arriveerde het staatshoofd met zijn gevolg in drie zwarte limousines. Twee motoragenten van de verkeerspolitie reden toeterend voor de stoet uit. De voorste limousine claxonneerde ook enkele keren. Maar het meeste lawaai was afkomstig van het juichende publiek en niet van de stoet. Die was even geruisloos als leguanen in een beek.
De blinkend zwarte dienstauto’s draaiden het parkeerterrein van de school op en hielden achter elkaar halt. De premier zat in de middelste limousine. De portieren van de voorste auto zwaaiden tegelijk open, drie aan elke kant, en grote sterke mannen van de presidentiële erewacht met laarzen en leren beenkappen stapten energiek uit en stelden zich in het gelid aan beide zijden van de tweede auto op. Ze openden de portieren, maakten een lichte buiging en klakten de hakken van hun laarzen, uitgerust met bloedrode kartonnen hanenkammen, tegen elkaar aan, de kuiten strak aaneen bij wijze van stramme eregroet. De menigte had zich vanaf de straat naar het schoolterrein verplaatst, steeds sneller, als schuim in een draaikolk.
Een jongen zette het van pure uitbundigheid op een jodelen. ‘Hou op!’ vermaande zijn moeder hem. ‘Dat doen de kaffers. Ons land staat op het spel.’
Uit de middelste auto stapten drie heren. Héren. De auto wiegde op zijn vering nu hij van zijn last ontdaan werd. Een van de heren was de minister van Defensie, P.W. Botha. Hij stapte aan de ene kant uit. En aan de andere kant kwam ook de minister van Financiën, dr. Diederichs, uit de statige carrosserie te voorschijn. Ze waren gekleed in zwarte rokkostuums en zetten hun vilten hoed op het hoofd. Dr. Diederichs wuifde vriendelijk. Meneer Botha daarentegen maakte een norse indruk, hij was niet zo’n zwaaierig type en in zijn ijver om de premier te helpen met uitstappen liep hij per ongeluk bijna een scholier omver. Ik haastte me in hun richting en posteerde me met mijn camera vlak naast hen. Ik had Vorster alleen nog van zo dichtbij gezien in het tijdschrift Die Huisgenoot, bij zijn strandhuis in Oubos, met zijn lijfwacht op vakantie.
‘Excellentie,’ zei de heer Botha en hij stak zijn onderarm naar de premier uit. ‘Tot uw dienst!’ Vorster was humeurig. Hij veegde in zijn ogen en ik kon zien dat hij een uiltje had geknapt. ‘Ja, ja. Ga maar liever opzij, dan help ik mezelf wel,’ waren zijn woorden. Botha sloeg er geen acht op en bleef onverdroten zijn arm uitsteken voor de premier.
‘Excellentie,’ herhaalde Botha stroperig. Hij hield zijn ene oog op mijn flitsende camera gericht en ik merkte hoe hij zich op het nippertje zo draaide en zo glimlachte dat mijn Kodak Vorster vereeuwigde aan Botha’s kordate arm. Ik kon het niet geloven, Botha deed het even voorkomen alsof Vorster invalide was, overlopend van sympathie in de manier waarop hij naar het staatshoofd keek.
‘U bent een fruitvliegje, meneer. Maar een goed fruitvliegje,’ snauwde Vorster zijn adjudant toe, waarna hij zich aan Botha’s arm omhoogtrok. Toen hij eenmaal naast de auto rechtop stond, barstte de menigte in spontaan applaus los. Botha, die iets langer was dan Vorster, gaf een enkele knik in de richting van de omstanders en boog zich toen voorover om met zijn hand over zijn nette broek te strijken, in een ogenblik van zeldzame nederigheid. Nettebroekennederigheid.
Intussen stond Diederichs werktuiglijk te zwaaien, alsof iemand hem had opgewonden. ’s Lands geldzaken waren in zijn handen. Toen Botha om de auto kwam lopen, klopte hij Diederichs en diens permanente glimlach op de schouder en wees met een vinger naar het paadje. Het was alsof hij woordeloos een bevel uitvaardigde aan zijn collega.
De presidentiële erewacht in zijn oudgoudkleurige en rode uniformen stelde zich rond de drie leiders op en vergezelde hen naar het sportveld, naar een houten podium dat voor de tribune stond opgesteld. Ze werden gevolgd door een opdringende menigte, die de trappen naar de tribune opklom om zijn plaatsen in te nemen. De paramilitaire scholieren en de band waren het veld intussen eenmaal rond gemarcheerd. De leiders begaven zich naar hun zitplaatsen op het podium, namen hun hoed af uit respect voor het publiek en gingen zitten. De mannen van de elitewacht gingen aan weerskanten van het kleine podium op plastic stoelen zitten. Het gezicht van de minister-president kleurde donkerrood. Ik vernam later van een van de manschappen van de presidentiële garde dat de leiders geruime tijd in Kenhardt hadden vertoefd voor een hartversterkertje.
De voorzitter van de plaatselijke partijafdeling heette het gezelschap welkom. En toen, uit het niets, betrad het zangduo François en Lucille het plankier om de leiders met een buiging en een sfeervol a capella te verwelkomen. De monden van de scholieren vielen open. Applaus! François van Heynegen deed de stem van de balling in het gelijknamige vervolgverhaal op Springbokradio. Hij was beroemd! Voor het publiek viel hij samen met het personage uit het verhaal. En waarom ook niet. Het martelende liefdesleven van De balling en Van Heynegens ‘bedroom voice’ brachten menige vrouw die een radio bezat en wist wat een ‘aflevering’ was, zowat buiten zinnen. Zoveel tragiek! En nu moesten we horen dat hij nog kon zingen ook. Romantische tranen compenseerden de verwarring.
Ik weet niet waar het vandaan kwam, maar er schoot me een beeld te binnen. Ik zag het in mijn geestesoog, iets wat zich op datzelfde ogenblik elders afspeelde: De Songbirds die zongen. Ze zongen zonder intrumentele begeleiding. Maar in de lokasie had het een vreemde naam, die geen mens kon uitspreken en ‘loop zachtjes op je voetzolen’ betekende.
‘Denkt u dat meneer Vorster in De Balling zal optreden?’ vroeg een meisje uit de examenklas naast mij op de tribune. Ze dacht natuurlijk dat ik als journalist zulke dingen zou weten. ‘Best mogelijk. De minister van Landbouw is al eens opgetreden in het Geheim van Nantes, die keer toen het er zo ruig toeging,’ hoorde ik mezelf antwoorden.
‘Dan is hij is een goeie man,’ besloot ze nadenkend en ze keek weer afwachtend naar het podium. Ze was blond. Ik verlangde naar Anna, mijn eigen blondine. Mijn Anna, die onverbiddelijk naar verre oorden was vertrokken.
En toen stak de premier van wal. De trommelaars van de paramilitaire fanfare gaven een roffel ten beste. Er daalde een ruisende stilte neer. De hoed van het staatshoofd vulde de hele zitting van de stoel nadat hij was opgestaan en zich naar het katheder had begeven. Het deed denken aan de uitdrukking ‘een konijn uit een hoge hoed toveren.’ Maar dat is misschien ongepast, want het was hier geen circus.
De plaatselijke partijvoorzitter, een man uit de diepten van het Amperzand, schuifelde nader en stelde de kathedermicrofoon voor de laatste keer af. Toen deed hij een stap achteruit om de microfoonkop met gebogen nek te bezichtigen, zoals een kapster doet bij een dame die onder haar handen vandaan komt.
Meneer Vorster stootte de kleine katheder bijna omver toen hij zijn rede begon. De vieux met cola, of wat het ook was wat hem zo tegemoetkomend en helemaal verstaanbaar op de been hield, zorgde ervoor dat hij luid sprak en brede gebaren maakte. Zoals het een staatsman natuurlijk betaamde.
Hij was een beer. En bijna leek het alsof hij zou gaan dansen zoals hij daar stond te oreren en te gebaren. Over de weg naar de toekomst. Ik had bijna met hem te doen (daar stootte hij nogmaals tegen de katheder), want het beeld van een beer met een doorn in zijn voet liet me niet los. De mensen klapten hem bemoedigend toe. Er ging zelfs een collecteschaal rond. Daar gaf de band weer een roffel weg.
Toen hij de kleine katheder in zijn geestdrift weer bijna omver stootte, kwam meneer Botha snel op de been om de staatsman met zijn elleboog te ondersteunen. Waarna meneer Botha weer ging zitten, zelfingenomen, alsof hij zojuist een sneeuwpop rechtop had weten neer te zetten. Dr. Diederichs daarentegen had al die tijd een permanente glimlach om zijn mond. Dat was nu eenmaal zijn aard.
Sommige enthousiastelingen werd de opwinding te veel en ze stormden het veld op. De beveiligingsmensen wisten ze snel weer te verwijderen, maar een man slaagde erin tot vlak voor het podium te komen. Het was Jackson, de tomeloze wegenbouwer. Hij wilde iets kwijt aan de premier.
‘U spreekt zo over die nieuwe weg, excellentie. Maar ik ben degene die hem bouwt,’ zei hij, waarbij hij met zijn vinger herhaaldelijk op zijn borst wees. Hij zag even rood in het gezicht als de leider zelf, want hij had ook een hartversterkertje op. Vorster zweeg van het ene op het andere moment. Als het graf. Was hij van zijn stuk gebracht? Toen zei hij na een paar seconden in zijn gedragen stijl: ‘U klinkt Schots, meneer.’ Hier en daar klonk gegiechel en gejouw van de tribune.
‘De Schotten hebben Zuid-Afrika veel goeds gebracht,’ verkondigde Vorster. ‘Het zijn mannen van stavast, neem Johnnie Walker,’ zei het staatshoofd schertsend. Het publiek lachte als één man, ook de vrouwen.
Vorster vroeg Jackson om zich voor te stellen, wat laatstgenoemde zonder omhaal deed. Hij zei er maar even bij waar uit Schotland hij afkomstig was, wanneer hij was geboren en zo meer. Weer werd er gejoeld. Toen vroeg Vorster Jackson om naast hem op het podium te komen staan. Deze man fungeerde als bliksemafleider. De wegenbouwer straalde. Vanaf de tribune werd gefloten, maar Vorster bracht zijn oor naar de mond van de goede immigrant en burger, zo te zien om er met grote achting iets vertrouwelijks uit te vernemen.
‘Respect, alstublieft,’ vroeg de premier aan het publiek en daarbij hief hij theatraal zijn hand om tot stilte te manen. ‘Meneer Jackson hier, HIER, is ín-dér-dáád in mijn dienst.’ Voor de meeste aanwezigen die hem kenden ging Jackson als een beetje getikt door. Door de woorden van de premier werd het publiek op het verkeerde been gezet. Het vroeg zich af of de leider van het land opnieuw gekscheerde of wat. Maar dat deed hij niet. Hij was doodernstig. Vorster was een doorgewinterde politicus. Een glimlach speelde om zijn mond.
‘De weg die meneer Jackson – meneer Jackson, HIER – bezig is om aan te leggen wordt inderdaad op kosten van de overheid aangelegd. Ín-dér-dáád,’ herhaalde Vorster in zijn kenmerkende gedragen stijl. ‘De weg van vandaag, dames en heren…’ (De premier had opeens last van een droge mond en hij gebaarde om een slokje water.) ‘…Dames en heren, de weg van VANDAAG… is een weg die door AFRIKA voert!’
Het applaus was nu oorverdovend. Maar niet uit overtuiging. Uit eerbied. Door het momentum. Wegens de lokale eer. De meesten onder het gehoor hadden nog nooit een voet in Afrika gezet. En sommige kinderen wisten niet eens waar het lag.
‘Wat zouden de Afrikaners zijn zonder de Schotten?’ vroeg Vorster met wijd open gespreide armen en hij boog van gulheid achterover. Het publiek ging als één man staan juichen, maar aan Schotten dacht men in de verste verte niet. Vorster gebaarde kortaf naar Jackson dat hij het podium nu dadelijk diende te verlaten, da-de-lijk, hij had zijn moment gehad. Waarop hij inschikkelijk in de menigte verdween.
‘Lang leve de apartheid!’ schreeuwde iemand uit het publiek. Het was een boer uit de omgeving, met onmiskenbare stem. Boer Verwey! ‘Bravo, bravo!’ klonk het her en der.
De premier deelde het publiek mee dat hij zo pas uit Afrika was teruggekeerd, waar hij met welwillende leiders had gesproken. Dit betekende een keerpunt in zijn toespraak. Wie met zwarte leiders wilde gaan praten moest goede redenen hebben. ‘En dit viel mij op, dames en heren, de beste Afrikaanse leiders zijn sterke leiders. En de sterke leiders houden allemaal van Zuid-Afrika!’ Op de tribune werden hier en daar spontaan volksliedjes aangeheven.
‘Houphouët-Boigny van Ivoorkust, Banda van Malawi!’, bulderde Vorster boven het gezang uit. ‘De goede zwarten!’ Toen barstte men op de tribune uit in ‘Die lied van jong Suid-Afrika.’ En Vorster deed voor de laatste maal een enthousiaste oproep aan iedereen om hem op de nieuwe weg te volgen.
Juist op dat moment draaide hij zijn gehoor de rug toe. Hij ging in een kakofonie van applaus met een vermoeid gebaar zitten, nadat hij zijn hoed had opgezet. Met een zakdoek veegde hij zich het zweet van het voorhoofd. Botha en Diederichs, van wie de een nors wegkeek en de ander een permanente glimlach op het gezicht had, klapten ook in hun handen. Het was inmiddels zo goed als donker.
De hoogwaardigheidsbekleders werden onder begeleiding van het podium geleid. Het publiek zong nog ‘Dat ’s Heeren zegen op hen daal.’ Twee flauwe schijnwerpers onder het overhangende tribunedak floepten aan. De premier wuifde. Meneer Botha waarschuwde hem niet over de rand van het plankier te struikelen. Ineens was er het gescharrel van technici om een draagbaar zilveren scherm en een projector met luidsprekers voor het podium op te stellen. De plaatselijke partijvoorzitter verzocht om stilte. De bekende melodie van de zwart-witjournaalfilm die in de bioscopen in grotere dorpen en steden werd gedraaid, Suid-Afrika Spieël, weergalmde onder het tribunedak.
Het thema was ‘Vorster in Afrika’: de premier in zijn vliegtuig, op de landingsbaan in Ivoorkust, aan de telefoon met president Kaunda van Zambia, en op de beroemde persconferentie met Hastings Kamuza Banda van Malawi!
In de film zat meneer Vorster in zijn vlekkeloos witte safaripak, met zijn mannenhoed naast zich op de conferentietafel, naast Banda en hij verklaarde waarom Zuid-Afrika zijn isolement moest verbreken. (Natuurlijk kregen alleen blanken de film te zien.)
Het was warm in de film. Vorster was het toonbeeld van protestantse klare taal. Aldus de commentator. Banda’s bovenlijf was naakt, afgezien van een bandelier van pantervel. Er hing een traditionele kralenketting om zijn voorhoofd en hij zwaaide van tijd tot tijd een kleine houten scepter met het kwastje van een koeienstaart eraan voor zijn gezicht. Banda maakte duidelijk dat Zuid-Afrika vooruitstrevend was en dat zwarten het ook moesten worden. Plotseling zwiepte hij met het kwastje alsof een vlieg hem lastigviel. Het kwastje werd talisman genoemd en het hield kwade geesten weg van beraadslagingen.
Toen zwiepte hij het kwastje geïrriteerd naar de andere kant, per ongeluk raakte hij Vorster daarbij op de schouder. De premier liet hem begaan. De zwarte dictator zette zijn zaak uiteen. Vorster glimlachte instemmend. Dit was détente, zei de commentator.
Het publiek op de tribune kraaide van plezier. ‘Pak een vliegenmepper, man!’ riep iemand, verwijzend naar Banda’s kwastje. ‘Wasbord!’ riep een ander over het magere bovenlijf van de oude man. Toen richtte de bejaarde zwarte leider zich rechtstreeks tot een boze geest, in de eigen taal van die geest. Laat Suid-Afrika Spieël met rust, beval hij. Hij zwaaide wild heen en weer met het stokje met het kwastje eraan, Vorster moest ervoor wegduiken. Hij raakte waarachtig de stemmige vilten hoed van de premier zodat die over de tafel werd verschoven. Zwarten moesten nog heel veel leren, zei Banda. En hij schudde zijn hoofd schijnbaar ongelovig heen en weer. Hij glimlachte ook, en ik vroeg me af waarom. We zullen er samen uitkomen, beloofde Vorster en hij probeerde zijn hoed onopvallend te beschermen.
Toen wisselde het beeld. Banda stond op blote voeten in zijn traditionele sarong en maakte een minderwaardige indruk. Naast hem stond Vorster met zijn verblindend zwarte zondagse schoenen, in een spierwitte zomerse lange broek met de vouw er lijnrecht in geperst en in een safarioverhemd met keurig nette ‘postbusjes’ als borstzak. Verdwaasd keek hij, Vorster, in het te felle zonlicht. Met zijn hoed een beetje scheef op het hoofd.
 

***

‘Ik ben Hermanus Verdomp van Die Weekpos, excellentie,’ stelde ik mij op het parkeerterrein waar de auto’s stonden voor aan de minister van Defensie. ‘Kunt u mij zeggen wat uw volgende bestemming is?’
‘Die is geheim, meneer,’ antwoordde Botha bot terwijl hij in de auto stapte. Hij deed niet eens moeite om me aan te kijken. ‘Onze bestemming is geheim. We brengen er de nacht door.’ Die man kon je het gevoel geven dat je niet bestond, de manier waarop hij steevast langs je heen keek.
Op dat moment kwam de chauffeur van de voorste dienstauto op een drafje aan met een mededeling voor de premier, die juist bukte om via het portier plaats te nemen op de achterbank. Een grote man, Vorster, en dan zo, bukkend, van achteren.
‘Excellentie, er is een telefoontje voor u,’ zei de chauffeur. ‘Verbind maar door, Minnaar,’ zei Vorster over zijn schouder, terwijl een veiligheidsman probeerde het portier nog verder open te trekken.
Later vernam ik dat dat telefoontje, met slecht nieuws, afkomstig was van de secretaris van de premier in het Uniegebouw. De eerste grootschalige terreurplannen tegen Zuid-Afrika waren zojuist ontmaskerd. De regering had dit al geruime tijd zien aankomen, het Mandaatgebied (Vorsters term voor Zuidwest-Afrika) had al soortgelijke aanvallen te trotseren gehad, zei hij in een latere radio-uitzending.
Ik heb de stoet met ‘lijkwagens’ (dat beeld kwam bij me op), nagekeken toen ze in het donker wegreden, niet vermoedend dat een van de raadselachtigste gebeurtenissen in de geschiedenis van Zuid-Afrika’s veiligheid op handen was. Jaren later hebben ambtelijke bronnen ze tegenover mij bevestigd.
De processie met de drie belangrijkste leiders van het land verdween gedurende de nacht die volgde op onverklaarbare wijze. Het moest gebeurd zijn kort nadat ze waren weggereden. Via de telefoon of via de radar kon geen contact worden gemaakt. Gedurende vele jaren bleef deze contactbreuk topgeheime informatie.
Er bestonden tegenstrijdige verklaringen voor. Een lage ambtenaar, naar werd beweerd. Hiaten in het systeem, meenden anderen.
Maar de ware reden is eenvoudig. Nadat Vorster kennis had genomen van het bericht over de terreurplannen, gaf hij via de autotelefoon opdracht tot een nieuwe veiligheidsanalyse. De opgeschaalde richtlijnen voor geheimhouding waren hier en daar summier, vooral wat betreft de verblijfplaats van de topministers. Niemand mocht weten waar ze zich bevonden.
De radio- en de autotelefoonverbinding werden bijgevolg gedeactiveerd. De verbinding tussen plaats van overnachting, de stoet dienstauto’s en de afdeling Nationale Veiligheid werd per abuis opgeheven. Identiteitscontroles waren zo streng en zo omslachtig dat de premier en zijn ministers niet konden bewijzen wie ze waren. Gewoon telefonisch contact was natuurlijk tegen de veiligheidsvoorschriften.
Het Uniegebouw in de hoofdstad was de hele nacht in rep en roer. De centrale overheid zocht naarstig naar haar verloren gewaande leiderstrio, dat pas laat de volgende dag in Pretoria arriveerde, lichtelijk afgemat.
Intussen moesten ze voor lief nemen dat ze als gewone burgers op een onbekende plek moesten verblijven. Een etmaal lang leken ze van de aardbodem verdwenen. Of waren ze voor korte duur in andere mensen veranderd?
Dat is een verhaal dat nog verteld moet worden.
 

***

De optelsom was gemakkelijk gemaakt.
Een: Het was al goed donker. De auto’s van de hoogwaardigheidsbekleders reden met ontstoken koplampen van het schoolterrein weg. Ver zouden ze niet meer hoeven te gaan.
Twee: Het was onwaarschijnlijk dat de ministers nog meer vergaderingen in hun agenda hadden staan.
Drie: Er waren niet veel dorpen op de Lyksovlakte.
Mijn vw Fastback stond voor het schoolterrein geparkeerd, vijftig meter verderop. Onder een peperboom. Ik haastte me erheen omdat ik de ingeving kreeg om de stoet op veilige afstand te volgen. Ik wilde zien waarom de verblijfplaats van de minister van Defensie zo geheim was. Je zou kunnen zeggen dat ik door de paparazzi-vlo gebeten was.Paparazzi zijn immers die strontvliegen die beroemdheden lastigvallen en waarover Die Huisgenoot schreef. (Paparazzi laten Zuid-Afrika links liggen, maar dit terzijde.)
Ik werd de rode achterlichtjes van de limousines op de onverharde weg richting Groentehof snel gewaar en draaide de neus van mijn auto in die richting. Het dorp uit. We waren een uur onderweg, m’n bolide en ik, toen ineens tot me doordrong dat we Groentehof al gepasseerd moesten zijn, Kromdraai ook. Daar in de verte reed de stoet van de hoge omes met de drie rijtjes achterlichten. Die lui zetten er behoorlijk de sokken in. Ik kon ze slechts met grote moeite bijhouden. Maar steeds was er geen dorp in zicht.
Zo ging het nog een uur door en daarna nog een halfuur. Ik draaide het portierraampje naar beneden om de lucht van de omgeving op te snuiven. De geur was niet die van landschap met lage struiken dat me in het donker bekend zou zijn voorgekomen. En de bochten in de weg stonden me eveneens niet bij. Daarbij realiseerde ik me dat mijn tank niet over voldoende brandstof beschikte.
Verrek! Ik was verdwaald. Een waarheid als een koe. Ik volgde de stoet rode lichtjes nu om een andere reden: gewoon om bij een stukje beschaving te belanden. De hoge omes moesten toch ergens stoom afblazen? Ergens hun tenten opslaan? Ik kon mijn horloge niet geloven! Pas na nog eens veertig, bijna vijftig minuten, sloeg de stoet linksaf. We hadden Lykso al lang achter ons gelaten, besefte ik.
Wat de omgeving betreft: ik had wel in Egypte hebben kunnen zitten. Geen lichten van boerderijen links of rechts van de weg. Een bijna volle maan gaf een waterig licht af. Een naam bleef maar door mijn hoofd malen – onophoudelijk – kom, hoe heetten die contreien ook weer, o ja, Mali. Ik had dat land zaker al eens op de kaart gezien, in de atlas die ik bij de bibliotheekbus had geleend. Dit was duidelijk een uithoek. Een uithoek van Afrika. Daar bevond ik me. Maar nu dwaal ik af.
Toen zag ik het terrein met de brandende lichtjes aan de linkerkant van de weg. De zware dienstauto’s sloegen geruisloos af door de brede opening van een hek met pilaren aan weerszijden. De carrosserie schitterde in het maanlicht. Alle auto’s hadden een reservewiel onder de schuin aflopende achterklep. Ze reden in statige formatie steeds langzamer. De ene na de andere parkeerde op het grind voor een gebouw. Ik zette m’n wagen een eindje voor de pilaren van het hek neer en doofde onmiddellijk mijn koplampen om niet te worden opgemerkt. Toen stapte ik uit om de zaak van achter prikkeldraad met samengeknepen ogen van dichtbij te bekijken.
Weer sprongen de lijfwachten uit de eerste en de laatste auto en posteerden zich naast het middelste voertuig met daarin de ministers, om de portieren voor de belangrijke heren in het gelid te openen. Ik had toen al onraad moeten ruiken, maar deed het niet. De mens wordt ten slotte met een ezelsbril op geboren.
De ijverige lijfwachten waren gekleed in zwart pak, niet in de uniformen en de hoge laarzen met beenkappen van eerst, ze droegen gewone zwarte schoenen met punten. En er was een zekere soepelheid aan de houding van de ministers te merken toen ze uitstapten en in de nachtlucht verschenen, niet de stijve formaliteit van vanmiddag.
De beer was erbij, ja. Vorster. En de lange, bazige Botha, hij was er ook. En dat opdondertje, dat wijze oude mannetje, onze minister van Financiën, zijn alomtegenwoordigheid stelde mij ook niet teleur. Ze sloegen zich met afgemeten bewegingen van hun handen het stof van hun broek en de revers van hun rokjas, haalden diep adem en klopten elkaar op de schouder. Het leek of ze elkaar zelfvertrouwen probeerden in te boezemen. Dat alleen al was heel vreemd. Want aan zelfvertrouwen ontbrak het onze leiders niet.
In totaal waren ze ongeveer met zijn tienen, inclusief de hotemetoten uit de middelste auto, de drie mannen met de vilten hoeden op. Ministeriële hoeden. (Trouwens, dezelfde soort hoed die de boeven uit Chicago bij de Velddrif Drive-In buiten Bloemfontein droegen.) Ik haalde mijn veldverrekijkertje uit het dashboardkastje van de auto. Op mijn tenen liep ik heen en terug, over rietachtig gras en tussen krakend struikgewas door. Bij het prikkeldraad bleef ik staan en spiedde.
Er was hier iets niet pluis. Mijn gevoel zei me dat ik nog beter moest kijken. Ik begon me af te vragen of het wel de goede rij auto’s was die ik had achtervolgd. Ik zette de uilenogen van het veldverrekijkertje voor mijn gezicht en stelde de afstand in om optimaal te kunnen zien.
Eerst probeerde ik de drie hotemetoten te ontwaren. Mijn bevindingen waren schrikwekkend. Het waren niet de ministers. Ze leken wel op onze leiders, er waren zelfs sterke overeenkomsten. De manier waarop de opperhotemetoot, de beer, lichtjes op zijn ene been stond en zijn gewicht op het andere liet rusten alsof er een doorn in zijn voet zat, bijvoorbeeld.
Maar er waren ook verschillen. Deze groep had andere oogmerken, andere plannen. Maar ook wat dit betreft waren er zekere overeenkomsten met de hoge piefen. Ik zag hoe drie helpers naar een kant van het perceel liepen en op elkaars schouders klommen. Een telefoonpaal in. Ze knipten de draden door. En toen liepen ze terug naar de anderen. Ze droegen allemaal een holster op de heup, en de hotemetoten trokken hun revolver als eerste. Vervolgens deden de helpers het ook.
De groep liep in het gelid het tuinpad af. Daarna was er vanuit het gebouw een geschreeuw en kabaal hoorbaar. Ik besefte dat het hier om een roofoverval ging.
Toen de lichten op het terrein zo’n twee uur later werden gedoofd en alles finaal donker werd, besloot ik om de nacht in mijn auto door te brengen, om het verhaal de volgende ochtend uit de eerste hand te vernemen. Ik vermoedde dat ik ver genoeg van het gevaar geparkeerd stond. Het zou überhaupt te gevaarlijk zijn om de auto te starten en verderop te gaan staan of naar huis te rijden. Het geluid van de motor zou ver dragen. Het prikkeldraad liep zo’n honderdvijftig, tweehonderd meter van het tuinpaadje vandaan dat naar de ingang van de overnachtingsplek leidde. Ik moest maar hopen dat noch mijn wagen noch ik ’s ochtends door de boeven zouden worden ontdekt.
Toen ik de volgende ochtend wakker werd, stijf en met een geweldige hoofdpijn en een zere nek, was het al licht. Door de verrekijker zag ik dat de drie zwarte auto’s niet meer voor het gebouw stonden. Ik reed naar het hek met de pilaren en vervolgde mijn weg stapvoets om navraag te gaan doen. Er hing een stille schrik over het terrein.
Ik besefte het niet meteen, maar ik was hier al eens geweest, of op een plek die hier veel op leek. Het terrein deed me denken aan de spookcontouren van een motel dat het vorige jaar op het erf van boer Verwey was waargenomen. Niet precies hetzelfde, maar iets soortgelijks. Plat dak, dennenbomen, de voordeur met het portiek, rechts ervan palmen. De manier waarop het allemaal in elkaar stak. Maar het waren vooral de verschijnselen van dat ogenblik: hetzelfde gele licht overal, dezelfde vreemde geur van gras.
De eigenaar, een kruiperig, overvriendelijk type, zij het nu wat huilerig, kwam naar me toe toen hij hoorde dat ik van de pers was. Ik was net met zijn vrouw in een gesprek gewikkeld. De tranen sprongen hem bijna in de ogen. Een deel van de gasten die de vorige avond waren beroofd, stond in groepjes bijeen. Schijnbaar opgelucht dat ze het er levend af hadden gebracht.
Ze waren aan het begin van de avond door de Vorster-bende overvallen, deelde het mannetje mij mee. In alle grote kranten hadden verhalen gestaan over deze overvallers. Ze hadden hun eigen handelsmerk: grote zwarte auto’s waarin ze als staatslieden rondreden. De bende bestond uit beruchte kerels uit de Johannesburgse wijk Mayfair, die met hun streken het hele land in hun greep hielden. Goudstadboeven. Het was een familiebedrijf: vader, zoons en enkele aangetrouwde familieleden. Ze overvielen hotels en pensions. Hoe meer afgelegen, hoe beter.
Soms deden ze zich voor als huis-aan-huisverkopers. Het product dat ze aan de man brachten was dan zogenaamd een brandblusser. Maar deze keer hadden ze hun schuim-en-spuitvertoning thuis gelaten en waren zonder enige schroom naar binnen gelopen en hadden de gasten en het personeel gedwongen om op de grond te gaan liggen. Ze namen alles mee wat van hun gading was. Portemonnees, kammen met inlegwerk, zakmessen, manchetknopen, riemen met gespen, ringen, juwelen, de hele mikmak. Reproducties van schilderijen, zilverwerk, koperen kandelaren. Ze droegen het geld samen met de kassa’s naar de gereedstaande auto’s, legde het geschrokken mannetje mij met zachte stem uit. Hij had van dat dunne haar zoals Einstein had, maar dan nog dunner. Op zijn gezicht lag een gepijnigde uitdrukking en hij kwam wat verlegen en met de voeten naar buiten gedraaid aangelopen, een beetje vet op de heupen.
Hij was begin vijftig. Ik kon zien waarom hij hier, in het veld, was komen wonen. Hij was te goed voor deze wereld. Zijn vrouw, een brunette met een kapsel dat als een lampenkap om haar schedel lag en een lage lok over haar voorhoofd, zat de hele tijd te sniffen en uitte van achter haar zakdoek halve zinnetjes, je zag alleen haar ogen. Ze zou net zo goed een Arabische hebben kunnen zijn.
Maar het grootste deel van mijn informatie, het interessantste ooggetuigenverslag, kreeg ik van een paar gasten, een stel. Ze waren er zonder kleerscheuren afgekomen en waren via een eenrichtingsspiegel die de woonkamerkroeg van de keuken scheidde getuigen geweest van de roofoverval. Het paar was toevallig in de keuken om iets met de kok te bespreken toen de overvallers in de woonkamer annex café toesloegen.
Ze kwamen uit het buitenland, maar hadden banden met Zuid-Afrika, nogal schimmig als je het mij vraagt. De twee smeekten mij bijna om hun relaas niet in de krant te zetten. Misschien waren ze terughoudend omdat zij niet-blank was en hij blank. Dan kon kennelijk in het buitenland vandaag de dag.
‘Ik zal het nooit vergeten,’ zei de vrouw, nogal een schoonheid moet ik erkennen, van rond de vijfentwintig, tegen mij. ‘It was a shame to see people robbed like that.’
‘Something for your diary, my love,’ zei de man gekscherend tegen haar.
Slechts met grote moeite vond ik mijn weg terug naar de wereld van Lykso.
 

De schooltribune in het dorp waar de inwoners van de Lyksovlakte naar premier Vorster kwamen luisteren. (foto: Die Weekpos.)

De schooltribune in het dorp waar de inwoners van de Lyksovlakte naar premier Vorster kwamen luisteren. (foto: Die Weekpos.)

Over de auteur:

Charl-Pierre Naude is een Zuid-Afrikaanse dichter, essayist en commentator. Hij schrijft in het Afrikaans en het Engels. Sinds 2000 verscheen zijn werk af en toe in vertaling in Nederlandse literaire tijdschriften. In 2007 verscheen in de Slibreeks sien jy die hemelliggame. Zijn laatste dichtbundel is Al die lieflike dade (September 2014, Tafelberg). Naudé is momenteel stipendiaat van DAAD en resideert in Berlijn..

Over de vertaler:

Robert Dorsman (1955) heeft zich toegelegd op vertalingen van onder meer Zuid-Afrikaanse schrijvers en dichters. Hij vertaalde romans van Lewis Nkosi, Menán du Plessis, Olive Schreiner en A.C. Jordan. Daarnaast vertaalde hij poëzie van o.a. Charl-Pierre Naudé en Gert Vlok Nel.