thema:

Poëem over de ondergang van mijn stad

Vertaling:

3

Zeg me na: veel nodig is er niet om van een stad

Een maanlandschap te maken. Of steenkool

Van de mensen die er wonen. Stel je voor: niet langer

Dan een operapauze duurde het, de tijd van een sigaret,

En in de straten, vallende doden, borrelde teer.

Vrieskou daarnet, blauw pakt de hand het fietsstuur,

En nu al woestijnwind alom, veegt over de huizenzee.

In winterjassen, faraostijf, zijn ze verbrand.

Nooit was een zomer heter. Het laatste luchtalarm,

Nauwelijks verstild, de as in het centrum nog warm.

 
 

4

‘… 2000 centenaars bovenste beste porseleinmassa…’

Johann Friedrich Böttger, Saksisch hof-alchemist

Porselein, veel porselein sloegen ze stuk hier,

Popjes, vazen en servies van wit Meissner goud.

Maar dat niet alleen. Ach, er was eens – gerinkel,

En als donder rolde het af op de onheilsplek.

Nee, geen carnaval was wat scherpe volkstongen

Kristalnacht noemden, die geluksdag voor de glazen.

Naar aswoensdag was het toen maar een kippeneindje.

Nar en nazi hadden, holladijee, reuzenlol. Onschuld,

Zeggen jullie? Lag de stad er niet allang aangerand bij?

He, waar zijn jullie, herderinnetjes van Dresden, german bands?

 
 

31

Spinragfijn, in het allerprilste zonlicht, wat trilt,

Wat kringelt daar in de lauwe lucht van Dresden? Staniol?

Denk eraan terug. Voor het kind, door moeder aangetuigd

Om te wandelen, was de blauwe hemel overvol.

Tussen paardenbloempluisjes, vliegers en ballons

Zag je iets, staalgruisglinsterend, vallen.

Niet te vatten was dat, prompt moest je lachen.

Moest met je ogen knipperen net als bij kerstslingers,

Van die ijzige. Wat was dat? Spaanders van metaal?

Was het ijzervijlsel dat daar op je neus dwarrelde?

 
 

39

Sindsdien zwijgt ze. Zwijgt als iemand die haar toon verloor,

Mijn stad aan de rivier, onverschillig voor wie verhuist.

Wie ver weg is vergeet ze. En van het rouwfloers

Heeft ze schoon genoeg. Zo door geschiedenis nat gepist

Is elke hoek hier dat geen plaats bleef voor allure.

Uit het hart sprak tot haar de beluisterde componist.

Lissabon in z’n hoofd en de krenking der muziek.

Verrijzenis? Ook dit verdraagt ze en met plezier

Zakt ze zwijgend terug in haar oude spiegelbeeld.

Ook de necroloog aanvaardt ze. De Letzte Lieder, vier.

 
 

49

‘Nee! ’n driestere weddenschap verlies je

niet dan ik aan de Elbe destijds.’

Goethe / Dresden, 15 augustus 1813

Kom naar het centrum. En waar ligt dat? Onder het obstakel

Aan je voeten, diep in het aardrijk. – Blijf daar, ga niet verder.

Waar het stof nog fluistert draait: een wereld in het klein.

Valkeniers heb je er, wijnboeren, nimfen met schelphoorns

Of putti, met kikkergezicht, zwanen- of zeepaarden-ruiters.

Groepjes herders, mooie tuiniersters, fabeldieren …

Porselein – het meest breekbare. Waren ze niet vroeg verloren,

Deze heikele vormen. Waar gaat het hier om? – Iemand hoort

Wat de dochters van Mnemosyne hem dicteren.

En hij wisselt van tijd, ruimte, maat, wisselt, wisselt.

Over de auteur:

Durs Grünbein (Dresden, 1962) is een vooraanstaande, veel gelauwerde dichter, essayist en vertaler in het Duitse taalgebied. De hier vertaalde gedichten zijn uit de bundel Porzellan (2005)

Over de vertaler:

Ton Naaijkens (1953) is vertaler, essayist, redacteur van de tijdschriften Filter en Terras en hoogleraar Duitse literatuur en vertalen aan de Universiteit Utrecht. Hij vertaalde werk van Robert Musil, Paul Celan en Ernst Meister. In 2016 verscheen zijn vertaling van de bundel Chicxulub Paem van Daniel Falb.