thema:

Afscheid van Fiume

Vertaling:

18 februari 1982

Met het einde van de oorlog en de Joegoslavische bezetting brak voor mijn familie voor het eerst een periode aan van angst, wantrouwen en huiszoekingen. Op een ochtend stond de OZNA, de gevreesde geheime dienst waarvan alleen al de naam mijn ouders deed verbleken, bij ons op de stoep en vroeg op een toon die geen tegenspraak duldde of we nog wapens hadden in te leveren. Toen mijn moeder in paniek ontkende, vroeg ik haar verbaasd, gewoon waar de agenten bij stonden, hoe het dan zat met het pistool dat papa onder het matras had verstopt. Gelukkig lieten de meedogenloze mannen van de OZNA zich die dag vermurwen door de wanhopige tranen en smeekbeden van mijn moeder en het naïeve vertrouwen van een meisje dat hen niet als vijanden zag. Het pistool werd in beslag genomen, maar verder gebeurde ons niets.

Al vrij snel volgde er een periode van relatieve rust. Mijn vader was in mei 1945 ontslagen als adjunct-directeur bij de plaatselijke afdeling van de agrarische vakbond in Fiume, maar vond kort daarna een baan als boekhouder op een of ander kantoor, waarschijnlijk dankzij zijn kennis van het Servo-Kroatisch. Mijn moeder kon eindelijk weer eens iets anders koken dan gedroogde erwten en hoefde niet meer voor dag en dauw op pad om eindeloos in de rij te staan voor een paar eieren en een kannetje melk op de zwarte markt. Ik raakte binnen de kortste keren bevriend met de Slavische kinderen die bij ons in de buurt kwamen wonen, terwijl de Italiaanse gezinnen juist massaal begonnen weg te trekken, en ik begreep niets van het verdriet en de stille wrok van mijn ouders, die met lede ogen aanzagen hoe hun stad een complete gedaanteverwisseling onderging, door andere kleding en andere gezichten, door volksdansen zoals de kolo die op de pleinen en langs de kades werden gedanst, en door de massale komst van Serven, Kroaten, Macedoniërs, Bosniërs en mensen van Veglia. Zigeuners noemden mijn ouders ze, vanwege hun bonte kleren en soms donkere huidskleur, maar ook omdat ze zo onbeschoft en luidruchtig konden zijn en zo triomfantelijk deden over hun overwinning.

In de drie jaar daarna had ik het gevoel dat mijn leven rustiger was, geen geren meer naar schuilkelders, geen ontberingen en voedseltekort, zoals in de oorlog, waardoor ik longoedeem had gekregen; daar ben ik nog uitstekend voor behandeld in een Joegoslavische tuberculosekliniek dicht bij Ljubljana. Bovendien kon mijn moeder nu voor het eerst met haar dochters op zomervakantie naar Arbe.

Op Arbe woonde een halfbroer van opa Antonio, oom Costante, die weer een kleinzoon had, Jure, bij wie we mochten logeren. Oom Jure was een jonge smid die op de binnenplaats van het huis werkte, waar hij ook twee prachtige zwarte honden hield. Het was juli en oom werkte met ontbloot bovenlichaam. Als ik thuiskwam, stond ik soms te kijken naar zijn bruine, gebeeldhouwde lijf en zijn majestueuze honden. Ik vond het leuk om zijn vrijgezellenwoning op te ruimen, die nogal kaal was en eigenlijk iets te groot voor één persoon, en ik was dolblij toen hij vroeg of ik hem een Italiaans liedje wilde leren. Opa Antonio had me een mooie ballade geleerd over een zwaluw die terugkeert op haar nest en een meisje dat niet terugkomt. Oom had er hard op geoefend en beloofde dat ik als beloning een keer mee mocht in zijn zeilboot. Toen ik op een dag langs het haventje van het eiland wandelde, zag ik zijn witte zeil zigzaggen over de golvende zee. Ik bleef een hele tijd staan wachten tot hij aan wal kwam, en dacht aan zijn belofte. Maar uit zijn boot stapte ook een stralend mooi meisje, dat oom met grote toewijding aan land hielp. Ik dook weg om niet gezien te worden, ik voelde me plotseling leeg van binnen, alsof me iets was afgepakt.

Verder was ik die dagen op Arbe zielsgelukkig. De smalle straatjes in het dorp, de gladde kiezels op het strand, het pijnbos dat doorliep tot aan zee, de geur van hars, de muziek tijdens de zoele avonden in het café en het mooie, ontspannen gezicht van mijn jonge moeder maakten dat ik me er voor het eerst bewust van werd dat er een andere wereld bestond, een nieuw paradijs dat verloren kon gaan.

1 maart 1982

De treinreis vanuit Florence is lang. Gisteren heb ik een tijd uit het raampje zitten staren en mijn gedachten laten voortsnellen. Toen stuitte ik plotseling op een pijnlijke knoop
in mijn verleden, ik liet mijn hoofd rusten en ik sloot mijn ogen, in een verlangen naar ontsnapping, duisternis, een schoot.

Ik zag mijn gezicht weerspiegeld in de nacht, en ontwaarde in de broze zomer van mijn contouren de baaien en bergen van het eiland van Alcinoüs, ik trok door de zonnige dalen van mijn jeugd, ik volgde de sporen van de tijd, de herinnering en de vergetelheid.

4 maart 1982

Twee middagen per week komt Valeria bij ons thuis om met haar neven te spelen. Kinderlijke vreugde en onbezorgdheid zijn niet voor Valeria weggelegd. Alle vragen
blijven onbeantwoord. De vreselijke ziekte waardoor ze een paar jaar geleden werd getroffen heeft haar voor het leven getekend. Toch is haar band met Francesco en
Paolo niets veranderd, en ze spelen en lachen nog net zo met haar als vroeger.

Bedankt, Valeria, dat je je leed zo waardig draagt, dat je stille, gebreidelde geest het nooit heeft opgegeven, dat je ons zoveel liefde geeft. Zonder jouw hartelijkheid, je fijne gelaatstrekken en je zachte, weemoedige, diepe blik zou ons leven een stuk minder rijk zijn. Op je tiende ben je al een kleine grote vrouw.

19 maart 1982

Op sommige dagen kijk ik graag terug, op andere is het verleden duister, ongrijpbaar. Bijzaken krijgen de overhand. Dan ineens duikt de verborgen draad weer op die altijd
door ons leven loopt. Een moment van inzicht, een hevige schok. Alles is er nog.

Tussen 1947 en 1948 werden alle Italianen die nog in Fiume waren voor de keuze gesteld: ze moesten de Joegoslavische nationaliteit aannemen of anders het land verlaten. Mijn familie koos voor Italië, en een jaar lang werd ons het leven zuur gemaakt. We werden uit ons appartement gezet en moesten in één kamer wonen, met al onze spullen erbij. Met het oog op ons vertrek verkochten we bijna al onze meubels. Mijn vader raakte zijn baan kwijt en belandde vlak voor we vertrokken in de gevangenis, omdat hij twee koffers had verborgen voor iemand die om politieke redenen vervolgd werd, en die illegaal het land had willen verlaten en zijn naam had genoemd toen hij was gearresteerd. Naïef als hij was, liet mijn vader zich zomaar in de kraag vatten. Die maanden, waarin het leven stilstond en we niet meer thuis waren maar ook nog niet helemaal weg, waren voor mij vooral erg onwerkelijk, maar echt zwaar vond ik ze niet. Mijn zusje en ik hinkelden, speelden met de bal of sprongen touwtje op de stoep voor ons nieuwe huis, ik sloot vriendschap met de katten uit de buurt, die ik stuk voor stuk kende, ik ging langs bij mijn opa in café Sport en bij mijn oude vriendjes in ons echte huis, en voor het eerst durfde ik ook verder weg, op ontdekkingstocht in een stad die ik tot dan toe helemaal niet zo goed had gekend. Ik was groter, bedachtzamer en volwassener. Zo herinner ik me mijn Fiume – de brede kades, het heiligdom van Tersatto op de heuvel, het Verdi-theater, de donkere gebouwen in het centrum, het Cantrida-stadion – een vertrouwde en tegelijkertijd vreemde stad, die ik net had leren kennen en zo snel alweer zou kwijtraken. Toch heeft die voorzichtige kennismaking, die even intiem als afstandelijk was, een onuitwisbare indruk op me gemaakt. Ik ben nog steeds die wind langs de kades, dat spel van licht en schaduw in de straten, die lichte rottingsgeur van de zee en die grijze gebouwen. Na ons vertrek heb ik mijn stad jaren niet gezien en was ik haar bijna vergeten, maar toen ik voor het eerst de kans kreeg om terug te gaan naar Fiume en naar de kuststrook richting Brestova, waar wij meestal de pont naar Cherso en Lussino nemen, had ik heel sterk het gevoel dat ik terugkwam in mijn eigen waarheid. En toch herinnerde ik me niets, tenminste niet bewust, van Icici, Mucici, Laurana en Moschiena, en maar weinig van Abbazia en Fiume zelf. In feite vond ik vooral mijzelf daar terug, en was het of ik in een spiegel keek toen ik dat ruige en tegelijkertijd betoverende landschap zag. ‘Ik draaide me om en zag mijn glimlach om zijn lippen,’ zegt Riobaldo, de hoofdpersoon van Diepe wildernis, als hij Diadorim ziet en plotseling beseft hoezeer hij in liefde met hem verbonden is.

Toen we in de zomer van 1949 toestemming kregen om het land te verlaten, vertrokken we, na een kort bezoek aan mijn vader in de gevangenis, uit Fiume – mijn moeder, mijn zus, ikzelf en oma Madieri, die al erg oud was en kanker had.

21 maart 1982

Ik ben vandaag uit mijn doen en wou dat ik mezelf kon ontvluchten. Ik heb gefaald tegenover mijn zoons, ik ben ten onrechte fel tegen ze uitgevallen en heb ze daarmee gekwetst. Soms is onze verdraagzaamheid zo ver te zoeken dat we zelfs onbedoeld vinnig doen tegen degenen die ons het dierbaarst zijn.

Ik heb ronduit toegegeven dat het me heel erg speet en ze hebben me al vergeven. Kinderen kunnen vaak veel begripvoller en volwassener zijn dan hun ouders.

Soms voel ik me niet op mijn gemak in mijn rol als moeder en heb ik het gevoel dat ik tekortschiet, dat mijn opvoeding onverschillig is, dat ik weinig met ze praat, dat ik de laatste kostbare dagen en jaren dat mijn nu al zo grote zoons nog thuis wonen zomaar door mijn vingers laat glippen. Als ik naar ze kijk, vind ik ze zo lief en knap en denk ik aan de leegte die ze zullen achterlaten in huis als ze weggaan. Als ik naar ze kijk, lijken ze me nog zo weerloos en zou ik al het verdriet dat het leven ook voor hen in petto heeft op me willen nemen. Op een bepaalde manier voel ik me verantwoordelijk voor hun geluk en ik vraag me af of ze voldoende gewapend zijn om bewuste keuzes te maken, beproevingen te doorstaan, teleurstellingen te incasseren, goed met succes om te gaan, betekenis te geven aan het leven en de liefde.

24 augustus 1982

Na aankomst in Triëst, waar opa en oma Quarantotto, tante Teresa, tante Nina en haar gezin toen al een paar maanden waren, was mijn eerste indruk dat ik in een aards paradijs, een beloofd land terecht was gekomen. De drukte op straat, het wittebrood, al die dagbladen, weekbladen en stripbladen in de kiosken, de koopwaar die in de winkels lag uitgestald en de manier waarop de mensen zich kleedden leken me allemaal een teken van ongekende rijkdom. Ik bleef me ook maar verbazen over de Engelse en Amerikaanse soldaten, die blinkende laarzen droegen en kauwgom uitdeelden aan jongetjes op straat. De stad lag namelijk in zone A van de Vrije Zone Triëst, door de grote mogendheden in het leven geroepen en in tweeën verdeeld in de gespannen periode na de oorlog. Zone A viel onder Brits-Amerikaans bestuur, zone B onder Joegoslavisch bestuur.

We werden meteen opgevangen als vluchtelingen en naar het opvangcentrum Silos gestuurd, waar ook tante Nina, haar gezin en mijn grootouders al waren ondergebracht. Onze huisraad – een aantal dekens, een tafel en een paar stoelen, de matrassen die niet waren verkocht, een paar dozen met linnengoed, de boeken van mijn vader en onze kleren – zou later aankomen. Op dat moment hadden we letterlijk helemaal niets. De volgende dag kwamen oom Alberto en oom Vittorio, de een uit Venetië en de ander uit Como, en die besloten om hun twee nichtjes in huis te nemen. Mijn zusje ging mee met oom Vittorio, ik met oom Alberto.

Als ieders leven een aaneenschakeling is van lange periodes waarin er niet echt iets verandert, plotseling onderbroken door ingrijpende gebeurtenissen, dan kwam de eerste periode van mijn leven die zomerdag abrupt ten einde door het uiteenvallen van mijn familie. Het kind dat uit Fiume vertrok was geen kind meer toen het in Venetië aankwam.

Over de auteur:

Marisa Madieri (1938-1996) debuteerde in 1987 met het autobiografische Verde acqua, over haar jeugd in Fiume en Triëst. Daarnaast schreef ze enkele verhalen en de onvoltooide roman Maria. Ze was getrouwd met de Italiaanse auteur Claudio Magris.

Over de vertaler:

Emilia Menkveld (1990) is literair vertaler, redacteur en recensent. Ze studeerde klassieke talen en Italiaans in Amsterdam en Bologna. Daarnaast nam ze in 2015 deel aan de Zomercursus Literair Vertalen (Italiaans-Nederlands) van het ELV in Utrecht. In 2014 won ze de Talentbeurs Literair Vertalen van het Nederlands Letterenfonds. In 2015 volgde de Nella Voss-Del Mar Prijs, een aanmoedigingsprijs voor jong vertaaltalent van de Stichting Incontri. Ze ontving de onderscheiding voor haar vertaling van een fragment uit Geologia di un padre (‘Geologie van een vader’) van Valerio Magrelli. Emilia publiceerde poëzie- en prozavertalingen in de literaire tijdschriften Tirade en Terras, en in het italianistenblad Incontri. Ook vertaalde ze een fragment uit de roman Mandami tanta vita (‘Stuur me maar veel leven’) van Paolo Di Paolo voor ‘The Chronicles’. Daarnaast is ze redacteur van vertaaltijdschrift Filter, tijdschrift over vertalen, schrijft ze recensies over (vertaalde) literatuur voor dagblad Trouw en werkt ze als freelance eindredacteur in de dagbladjournalistiek. In het najaar van 2016 verschijnt haar eerste romanvertaling van Elio Vittorini.