thema:

Alleen ziekenwagens verongelukken

Vertaling:

Een interpretatie van New Zork door Daniel Falb

 

‘minutiae hebben slechts een onbestemd ogenblik nodig voor hun pop-up.’

 

Ik hoorde Daniel Falb, een dichter uit Berlijn, eerder dit jaar voordragen op het Poetry International Festival in Rotterdam. Ik kocht een dun boekje vertaalde poëzie, een derde deel van de Duitstalige bundel Bancor (2009). Mijn eigen Duits is niet vloeiend genoeg om het origineel te kunnen lezen, maar de Nederlandse vertalingen van Naaijkens bezitten een flow en een ritmiek die duidelijk van de allerhoogste orde zijn.

Door de wijze waarop de zinsdelen zich in de gedichten opstapelen ontstaat een tastbare spanning en een diagonale logica – in de vorm van het repliceren en uitwissen, vernietigen en opnieuw laten verrijzen van hun betekenis – en daaraan is de vertaler duidelijk trouw gebleven.

New Zork, met zijn op het eerste gezicht ietwat onbenullige titel – een woordspeling waarin de naam van een computerspelletje, Zork, en van een dichtbevolkte wereldstad verwerkt zitten – bestaat uit dertien gedichten. Elk gedicht bestaat uit korte, proza-achtige paragrafen van twee of drie regels. Elke paragraaf is een boeket verstrooide elementen van bekende verbanden en ongelijksoortige elementen die juist nieuwe verbanden aangaan – verbanden die de lezer diep van binnen voelt resoneren.

Op een aantal pagina’s staan afbeeldingen in zwart-wit – gedecontextualiseerde details, mogelijk gedeeltes van alledaagse voorwerpen – die vage echo’s vormen van de thematiek dankzij de verkapte precisie die ze met de gedichten gemeen hebben (de foto’s zijn van Heike Dobbelaere).

In het begin, zelfs als je ze maanden later herleest, wekken de gedichten de indruk van een confrontatie met verborgen patronen, geschreven in woorden die je weliswaar kent, maar waarvan de grammatica en het doel duister blijven. Maar zelfs dan is het vermoeden dat het om een patroon gaat zeer sterk. Je voelt aan dat je hier te maken hebt met een samenhangend universum, ook al ben je je nog slechts bewust van de aantrekkingskracht van zijn vortex. En dan, langzaam maar zeker, worden de in de wereld verborgen aanwijzingen zichtbaar.

De bundel is een palimpsest waarin de ene betekenis op de andere wordt uitgewist, gekoppeld aan het opnieuw uitvinden van bedachte verbanden. Door dit proces komen de meest vertrouwde motieven van onze waarneming op losse schroeven te staan, en de poëzie is duidelijk doortrokken van de geest van postmoderne filosofie en wetenschap. Maar in tegenstelling tot filosofie staat poëzie in directe verbinding met de categorieën van de tastbare en beleefde ervaring.

De betoverende en vindingrijke manieren waarop Falb zulke categorieën deconstrueert maken indruk. Dit is wat ik het ‘verhaal’ achter zijn dichterschap zou noemen, ware het niet dat narratieve perceptie één van de hoofd doelwitten vormt van de radicale deconstructie die Falb bedrijft.

Nu wil ik het graag hebben over een aantal van Falbs poëtische deconstructies en de implicaties daarvan in dit werk. Vandaag de dag melden dichters zich zelden als eersten op het slagveld van de deconstructie, want daar zijn ze meestal al voorgegaan door filosofen en wetenschappers. Maar juist met de komst van de dichter, vooral een goede dichter als Falb, verandert de slachting in een celebratie.

Onder de begrippen die Falb onderwerpt aan het dichterlijke deconstructieproces zijn: het individu; de entiteit; tijd; genre; het meervoudige en het enkelvoudige; het geheel en het deel; het natuurlijke en het geconstrueerde (inwisselbaar); authentiek en synthetisch; verheven en laag; leven en dood; idee en ding; genot en essentie; en het bewustzijn zelf. Met rake penstreken ontdoet Falb ze van hun veronderstelde waarde. De waarneembare wereld wordt zonder uitzondering met de grond gelijk gemaakt, voordat een reddende hand wordt geboden aan alle delen van het patroon dat langzaam zichtbaar wordt.

Het meest voor de hand liggende voorwerp van deconstructie is de stem van de auteur. De eeuwenoude functie van de dichter als handelend subject is hier niet aanwezig. Dit mag dan een kenmerk zijn van veel hedendaagse poëzie, maar zelden wordt zij zover doorgevoerd als bij Falb. De spreker in deze gedichten lijkt ontdaan van elk handelend vermogen en is slechts een onderdeel van de zich ontvouwende patronen. Hij is niets meer dan een onderdeel van de betekenispatronen die zich door zijn eigen hand ontvouwen.

De afbeelding op bladzijde veertien laat dit zien door middel van vormen die op gestalten lijken, bijna als van boven waargenomen mensen in een staat van flux – een patroon van collectiviteit waarin het creatieve handelende subject oplost. De spreker in deze gedichten heeft daarom geen persoonlijke kenmerken.

De eerste regels van het gedicht op bladzijde elf luiden als volgt: ‘de menigte kijklustigen bekeek zich al wachtende zelf, we liepen eropaf.’ De kijker en het voorwerp worden dus één en dezelfde, en de normale ruimte die de waarneming schept tussen subject en object wordt samengeperst tot één enkel punt. Op bladzijde vijftien: ‘de tekst zouden we zelf voordragen, maar we bezaten, als animaties, geen eigen stem, die ons nu dus aankeek.’ Het handelende subject wordt gereduceerd tot een ‘animatie'(van alle anderen). Hierbij is het individu maar een microscopisch deeltje in het collectief waarvan het oorspronkelijke model voorgoed verloren is gegaan en waarvan het ook niet meer nodig is dat we het vinden.

In hetzelfde gedicht wordt de ‘ergo, psyche’ vergeleken met een ‘plot’, een lapje grond, mogelijk een graf, en de gezegende mens met een stukje grond waarop het regent. Hierdoor lijken, net als elders in New Zork, leven en dood te worden gereduceerd tot een gelijkwaardige staat. De radicale verbeeldingskracht van Falbs penstreken spat in dit soort regels van het papier – samen met een alom aanwezig, ietwat onderdrukt gevoel voor humor.

Op bladzijde elf schrijft hij: ‘wat me overkwam, was, met het geweld van een botsing, een polis. de toekomst van onze meubels.’ Met één enkele, geconcentreerde penstreek gaan de kenmerken van bewustzijn/leven over in die van onbewustzijn/dood (of andersom). Met één enkel gebaar vernietigt de dichter alle hoop, om deze vervolgens op een onverwachte manier opnieuw op te wekken. Het is het radicaal en impliciet hoopvolle van Falbs humoristische secularisme waardoor zijn poëzie als het ware opstijgt naar een hoger niveau, een rijk van vreugde. Daarom kan hij gerust schrijven dat ‘alleen ziekenwagens verongelukken’.

Typisch voor de vlotheid van Falbs beeldspraak is de keuze voor ‘meubels’ (zie voorgaande). Een heel huiselijk, alledaags beeld – meubels, tenslotte imitaties van de menselijke vorm – verandert in een metafoor voor ‘leven na de dood’ (of de dood in het leven).

De dichter maakt alles ‘met de grond gelijk’ in de zin dat hij ons fysiek lijkt te laten ervaren dat niets waarvan we dachten dat het bestond, ook werkelijk bestaat. En toch is dit ‘niets’ niets minder dan het bestaan zelf, dat op deze bladzijdes op zo ’n tastbare wijze tot leven komt dat het verdere aandacht verdient.
Een voorbeeld (bladzijde elf): ‘mijn zoveelste huisarts werd juist geboren. ik controleerde mijn lippenstift.

Een (op het eerste gezicht overbodige) daad van persoonlijke verfraaiing wordt hier gelijkgesteld aan medische zorg, iets dat normaalgesproken als onmisbaar geldt. Maar alleen vanuit het subjectieve perspectief van onze levens is dit ook daadwerkelijk zo. Beide handelingen verliezen iets van hun waarde, maar impliciet worden ze in een hernieuwde staat van verbondenheid ook naar een hoger, gelijkwaardig niveau getild.

De deconstructie van het handelend subject wordt al in de titel aangekondigd, met haar echo van New York/Zork. De eerste is natuurlijk een wereldstad, een entiteit op zich dankzij zijn miljoenen inwoners, en de tweede is een computerspel waarin de ‘lezer’ tegelijkertijd ook de ‘auteur’ kan zijn. In de eerste regel van het boekje wordt dit bekrachtigt: ‘leven op een bedrijvencomplex. […] het hart betaalt de lever.’ Het individu is niet alleen een onderdeel van het collectief, maar bestaat zelf uit onderdelen (organen bijvoorbeeld). Hetzelfde wordt geïmpliceerd in het werk van Damian Hirst en Francis Bacon, met hun gebruik van afgeknotte beelden, en het mag dan ook geen verrassing heten dat Falb in zijn werk aan deze kunstenaars refereert.

Op deze manier weet Falb elk onderscheid op het niveau van entiteiten uit te wissen, om ze vervolgens opnieuw tot stand te brengen op het niveau van een eindeloze golf (van in elkaar doorklinkende distincties). En als dit klinkt als een dichterlijke versie van het golven-en-deeltjesbeginsel uit de fysica, dan zou het dat best ook kunnen zijn; ware het niet dat er in deze poëzie geen spoor te bekennen valt van de imitatie van wetenschappelijke ideeën. De beeldspraak is te authentiek en te zeer geworteld in de empirie van het leven.

Falb maakt bovenal indruk als een meester van het poëtische beeld. Vaak creëert hij een opeenstapeling van beelden die elkaar op de een of andere manier oproepen en die zich bij wijze van spreken op dezelfde frequentie lijken te bevinden. Maar tegelijkertijd stoten de beelden elkaar af. Een voorbeeld: ‘says the infant, weldra ga ik sterven ………… stop de steeds weer opduikelende clowns in de grond’. De algemeen geaccepteerde gewichtigheid van de dood en de lichtvaardigheid van een kinderspel verwisselen van plaats waardoor beide handelingen in iets anders veranderen.
De auteur maakt gebruik van een aantal middelen om de indruk te wekken van authenticiteit. Een ervan is het gebruik van schitterende beeldspraak. Een ander is het vermijden van elk auteurskenmerk wanneer namens de verschijnselen gesproken wordt. Hierdoor lijken de verschijnselen hun eigen auteur te zijn. Het resulterende effect is dat het lijkt te gaan om ongemedieerde, organische uitingen.

Zelfs al is in deze gedichten geen spoor te bekennen van de ritmes van conventionele poëzie, het ontbreekt niet aan ritmische effecten. Door de manier waarop door de beelden een herhaling van gelijksoortige ideeën in elk ‘tafereel’ ontstaat, wordt de indruk gewekt van nauw verweven motieven, op zichzelf al een visuele vorm van muzikaliteit.
Daarbij komt dat deze ritmes dicht bij de thematiek blijven en de fysieke neerslag van de thema’s vormen (of van de daarin vervatte gebaren). Een voorbeeld (bladzijde tien): ‘door histamines overweldigd komen velen dus natuurlijk ter wereld… een jarenlang gerepeteerde, jarenlang niet opgevoerde parade‘ (mijn cursivering).

Dat Falb nooit vervalt in relativiteit, juist omdat hij zo intensief gebruik maakt van een techniek die bedoeld is om de verschijnselen te relativeren, mag met recht een tour de force heten.

Een mogelijke uitleg is zonder twijfel de transcendente beeldspraak. Eén beeld vormt de mogelijke verklaring van een ander maar dan in verschillende domeinen, wat misschien gezien zou kunnen worden als de definitie van transcendentie. Het effect hiervan gaat het effect van relativisme tegen, dat juist meestal speelt met uiteenlopende betekenissen op hetzelfde betekenisniveau.

Bovendien, hoewel de gedichten geen cyclus vormen maar op zichzelf staan (zoals Naaijkens in zijn introductie uitlegt), geven ze wel degelijk de impressie dat er sprake is van onophoudelijk veranderende betekenissen die met elkaar in gesprek treden en circulaire enigma’s, waardoor ze een extra dimensie krijgen. In dit opzicht zou het kunnen dat de gedichten beïnvloed zijn door recente wetenschappelijke ideeën, zoals het zogenaamde multiversum (om er maar één te noemen) of aanverwante noties. Het is mij in ieder geval duidelijk dat de poëzie van Falb een kind is van zijn eigen, hyperactuele tijd.

Door de onverwachte manier waarop hij kan afwijken van zijn poëzie van onderling verbonden patronen, wordt de aandacht van de lezer telkens weer hernieuwd. Zoals hij zelf schrijft in het motto dat ik heb gekozen voor dit artikel: ‘minutiae hebben slechts een onbestemd ogenblik nodig voor hun pop-up’.

Daniel Falb geeft een geheel nieuwe draai aan de traditie van hermetische poëzie waaraan de wereld zulke meesters dankt als Rilke, Vallejo, Celan. Tot nu toe en afgaande op de beperkte selectie van zijn werk die ik heb mogen lezen, lijkt hij tegen zijn taak opgewassen te zijn.

Ondertussen wacht ik met smart op meer vertalingen in het Nederlands, en ook in het Engels

 

New Zork is verschenen als chapbook bij Zegwerk, Gent 2014.

Over de auteur:

Charl-Pierre Naude is een Zuid-Afrikaanse dichter, essayist en commentator. Hij schrijft in het Afrikaans en het Engels. Sinds 2000 verscheen zijn werk af en toe in vertaling in Nederlandse literaire tijdschriften. In 2007 verscheen in de Slibreeks sien jy die hemelliggame. Zijn laatste dichtbundel is Al die lieflike dade (September 2014, Tafelberg). Naudé is momenteel stipendiaat van DAAD en resideert in Berlijn..

Over de vertaler:

Jeske van der Velden studeerde Engelse Taal en Cultuur aan de Universiteit Utrecht. Ze vertaalde onder meer voor Het Literatuurhuis, Terras en ‘The Chronicles’. Ook droeg ze haar vertalingen van Paul Farley voor op het festival Dichters in de Prinsentuin. Vorig jaar ontving ze een door het Nederlands Letterenfonds gesubsidieerde Talentbeurs. Momenteel werkt ze naast haar scriptie aan de vertaling van een poëziebundel voor Terras.