thema:

Amalgaam

Lucretius schreef in De Rerum Natura:
 
‘Nu ik geleerd heb wat de eigenschappen zijn
van de begindeeltjes, hoe zij in vorm verschillend
op eigen kracht in eeuwige beweging vliegen
en hoe elk ding uit hen kan worden voortgebracht,
ga ik verklaren wat ten nauwste hierbij aansluit:
het bestaan van zogeheten beeldjes van dingen,
die men hun ‘vliezen’ of hun ‘bast’ zou kunnen noemen
daar zij in vorm en aanblik op de dingen lijken
waarvan zijn weggestroomd en weggezworven zijn.’
 
(vertaling Piet Schrijvers)
 
De strofe laat me verdwalen in een wazig gebied, alsof de lens waardoor ik kijk beslagen
raakt, een onscherpte waarin het beeld implodeert. Ik moet de zin twee keer lezen. Misschien
zal een dergelijke situatie me later aan het fragment herinneren en het beeld terug op mijn
netvlies werpen, scherper dan voorheen. Dan zal ik de naam ervan noemen en met het noemen van de naam bestaat het.
 
Soms glippen woorden weg en weet ik alleen de eerste letter of de lettergreep in het
midden. Gehaast probeer ik de naam te vinden, mijn ogen lijken zich naar binnen
te draaien, razen langs mijn vocabulaire, waar ligt dat woord opgeslagen? Minuten
later schiet het krachtig naar voren, wordt geprojecteerd in de cavum oris, springt van
de tong uit de mond en het woord vult de ruimte.
 
Liggen woorden stil in het hoofd als ze niet worden uitgesproken of zweven ze langs
elkaar heen? Botsen ze, steeds sneller rondtollend als we spreken?
 
De elementaire deeltjes waar alle materie uit bestaat, zijn ondoordringbaar, ondeelbaar, ontelbaar, onzichtbaar, onveranderlijk en onvernietigbaar. Wat er met deeltjes in de geschiedenis gebeurde, kan alleen bewezen worden wanneer ze dagelijks worden geobserveerd. Elk niet getraceerd deeltje blijft een ontregelend fictief element, een formule die vierkanten en cirkels verbindt. Wat er met deeltjes in de geschiedenis gebeurt, kan alleen worden vastgesteld wanneer ze worden geobserveerd en gemeten in de toekomst. Tot die tijd is de werkelijkheid slechts een abstractie.
 
Op subatomair niveau kan de tijd terugtikken. Wanneer in een film een personage
zich van rechts naar links beweegt, volgt vaak een terugblik. Iemand die rechts het
beeld uitloopt is onderweg naar het onbekende. Links het verleden, rechts de toekomst.
De toeschouwer zit op de as, de ogen in het midden.
 
De beweeglijkheid van een stilstaande persoon wordt gevangen op het witte doek,
in verf of steen. Standbeen-speelbeen: een evenwichtige asymmetrische positie van
het menselijk lichaam, waarin het draaien of het buigen van de verticale as van het
lichaam de richting van heupen, schouders en hoofd verandert. Deze houding kan
lang volgehouden worden en biedt twee dynamische perspectieven. Het standbeen
wordt keerpunt, de ontspanning van het linkerbeen keert terug in de rechterarm.
 
Onze blik ligt voortdurend op de operatietafel voor ontleding. Netvliescellen zijn
gespecialiseerd in het fixeren op details en het signaleren van snel voorbijgaande
bewegingen. Ze selecteren onophoudelijk. Door het draaien van het hoofd en het
draaien van het lichaam tasten we de periferie af en stellen we scherp. Het beeld stolt
zoals de faseovergang van vloeibaar naar vast. Omgekeerd smelt het uitzicht, het
wordt weer vloeibaar of zo ijl dat het haast als gas vervliegt wanneer de aandacht
verplaatst wordt naar een ander punt. Bij hoge druk en hoge temperatuur is er geen
verschil meer tussen de vloeistof en de gasfase. De druk en temperatuur waarbij dat
gebeurt noemt men het kritische punt en de stof die voorbij dat punt gaat, noemt men
superkritisch. Denk niet dat de objecten nu weggesprongen zijn, het is lucht die ze
optilt, ieder punt wordt bezet, tot de ruimte vol is. Eén stap naar links en een loodlijn
schiet los. Het verdwijnpunt wordt aanwijsbaar. Waar de oogzenuw zich bevindt, is
geen plaats voor staafjes en kegeltjes. De oogzenuw ligt in eigen schaduw.
 
Voorbij de neus klaart het beeld op. Er zijn maar zes spieren die de oogbol besturen.
Elk oog apart weet een oppervlak te tekenen, duwt het uitzicht opzij, vindt daarachter
een tweede uitzicht, een derde uitzicht. Er is altijd een ruimte die een blik absorbeert
en een blik die de ruimte observeert.
 
 
 
Deze tekst werd geschreven bij een serie foto’s van Antje Guenther en verscheen in het Engels in het boek What if a counter proof makes any proof an illusion?. Zie verder www.aguenth.de.

Over de auteur:

Miek Zwamborn is schrijver, vertaler en beeldend kunstenaar. In haar werk spelen landschap en geschiedenis een belangrijke rol. Zij publiceerde de romans Oploper (2000), Vallend Hout (2004) en de dichtbundel Het krieken van sepia (2008). In 2013 verscheen haar derde roman De duimsprong bij uitgeverij Van Oorschot.