thema:

Ansichten

1
Dat Vladimir Nabokov briljant kan schrijven, wil ik niet ontkennen, toch heb ik een afkeer van zijn werk. Bij schrijvers en redacteuren aan wier oordeel ik zeer hecht, stuit deze bekentenis vooral op onbegrip. Zeg hardop in gezelschap: ik heb een hekel aan Nabokov, en je voelt de schok, maar ik zeg het juist niet om te choqueren.

De vraag is natuurlijk waarom iets in mij zich zo tegen Nabokovs werk verzet. Er zijn twee redenen. De eerste heeft te maken met zijn stijl, niet dat die ondeugdelijk is, want ze is voortreffelijk, nee, het gaat om het streven dat met die stijl gepaard gaat. Een kroonluchter schrijven, noemde Nabokov dat als ik het goed onthouden heb. Een treffend beeld met die tientallen opzichtige lampen en al dat flonkerend vertoon. De tweede reden is een heel andere, al komt het een mogelijk voort uit het andere; wil Nabokov zo sierlijk schrijven dat er voor mededogen geen plaats meer is. Aan het begin van “De Lach in het Donker” kondigt Nabokov bij de lezer aan dat hij zijn hoofdpersoon, voor die jammerlijk aan zijn einde zal komen, alle hoeken van de kamer zal laten zien. De mens is bij Nabokov een speelbal, een ding.

Nu is de mens, wat goedlachse minister-presidenten ook mogen zeggen, soms inderdaad het speelgoed van de brute kat die het leven kan zijn. De mens, het leven – zie je,Vladimir Vladimirovitsj, wat je met me doet? Je legt me afzichtelijk grote woorden in de mond en dit betoog gaat niet eens over jou.

2
‘Wie kan zo mager praten als ik?’ vroeg Jan Arends zich af en in Nederland heeft hij wat dat aangaat niet veel concurrentie. Over de grens vind je wel een gegadigde: de Hongaarse dichter Jànos Pilinszky (1921-1981). Pilinszky schreef weinig. Bij het soort poëzie dat hij schreef, lijkt elk woord met onmenselijke inspanning uit het lichaam geperst. Die woorden staan er in korte, stramme regels, plompverloren en met onverholen tegenzin.

Dat schrijven na Auschwitz en de andere vernietigingskampen onmogelijk zou zijn, zoals Theodor Adorno heeft beweerd, wordt door Pilinszky gelogenstraft, maar het is duidelijk dat het kantje boord was. ‘Hiertoe leerde ik lopen,’ schrijft Pilinszky niet cynisch maar wanhopig in een van zijn bekendste gedichten, het onkarakteristiek lange ‘Apokrief.’ Vervang lopen door schrijven en het is even pijnlijk waar. Elk woord is tegelijkertijd een uiting van wilskracht en zinloosheid, elk woord is er een tegen beter weten in en staat er ondanks zichzelf.

Sàndor Marai heeft geschreven dat er mystici zijn – hij noemt Paul Valéry – die mysticus zijn zonder een God te kennen, maar verlangen naar het idee dat er orde heeft bestaan, dat er een denkbare orde is. Pilinszky is het tegenovergestelde van zo’n mysticus; alles is verwoest of kwijt geraakt, er is geen systeem, geen logica, geen zingevende elementen. Al wat rest is het mechanische menselijke handelen en, totaal versplinterd maar toch, God.

3
Natuurlijk werd Pilinszky getekend door de Tweede Wereldoorlog, maar dan wel op een uitzonderlijke manier. Hoewel in Hongarije tijdens die oorlog een ongekende bruutheid naar buiten kwam – Pater Kun die joden per twee liet samenbinden op de oever van Donau en de Here aanroepend er telkens één doodschoot waardoor de ander het water werd ingesleurd en verdronk; de dronken Pijlkruisers die hun eigen lugubere spelen hadden en van zes verse lijken Davidsterren maakten op het ijs; de dichter Miklos Radnoti die tijdens een van de dodenmarsen niet meer kon en een genadeschot kreeg zoals hij in zijn laatste gedicht had voorspeld – hoewel in Hongarije de wrede mens nog een fractie wreder leek dan elders, was dat voor Pilinszky – zo lijkt het althans – geen ontdekking, maar een bevestiging. Pilinszky kende de menselijke aard voor die zich had getoond. Toen hij in 1944 voor militaire dienst werd opgeroepen, werd hij vrijwel meteen ‘opgeveegd’ door het terugtrekkende Duitse leger en kwam hij in verschillende gevangenkampen terecht. In het voorwoord van de door Ted Hughes en János Csokits vertaalde Selected Poems zegt Hughes daarover: ‘Wat hij ook in die kampen tegenkwam, het opende het zevende zegel voor Pilinszky. Het was de openbaring van de nieuwe mens: menselijkheid gestript van alles met uitzondering van de biologische onverzettelijkheid van cellen.’

4
Een van de vele ongerijmdheden in Pilinszky’s poëzie is dat zijn van elke illusie ontdane mensbeeld gepaard gaat met een intense en volkomen oprechte religiositeit. Bij de haveloze, verminkte mensen die Pilinszky in afgemeten zinnen ogenschijnlijk doelloos heen en weer laat strompelen, zijn zingeving en voorzienigheid zo ongeveer het laatste waar de lezer aan denkt. In het laatste interview voor zijn dood zei Pilinszky: ‘Een van de belangrijkste factoren in onze strijd voor God is dat we lijden aan een gebrek aan realiteit.’ Natuurlijk staat Pilinszky’s geloofsopvatting niet gelijk aan vertrouwen in een goede afloop en het zoete vooruitzicht van een hiernamaals. Nee, het gaat om aanvaarding, de acceptatie dat de dingen zijn zoals ze zijn, en dat ook mensen dingen zijn.

5
Pilinszky was een liefhebber van theater. Hij schreef een wonderlijk boek,Gesprekken met Sheryl Sutton, de roman van een dialoog, na het zien van een toneelstuk van Robert Wilson: Deafman Glance. Wat hem in dat werk zo aansprak, was de focus op beweging; louter goeddeels ongemotiveerde en tergend trage beweging. Zo traag als maanbewoners ons op lichtjaren afstand zouden zien bewegen, zo traag wilde Wilson het hebben. In Pilinszky’s gedichten is er vaak niets dan een handeling en een tweede handeling die de eerste weer ongedaan maakt; iemand stapt in, iemand stapt uit. Alles wordt uitgewist, behalve dat er wel degelijk bewogen is. Al maakt het geen verschil voor de plek waar je uitkomt, het gaat erom, dat je niet stilvalt, niet bevriest, apathisch wordt. Het gaat erom dat je het ontbreken van zin accepteert en toch doorgaat. Het doet denken aan Albert Camus’ opvatting van de Sisyfusmythe, maar de personages van Pilinszky beklimmen geen bergen, rollen geen stenen naar boven, ze gaan een kamer in, een kamer uit. Vervelend? In Conversaties met Sheryl Sutton schrijft Pilinszky: ‘De meest verontrustende ervaring van mijn adolescentie is dat de grote romans vervelend zijn.[…] Ik besefte dat meesterwerken aan verveling voorbij gaan, en niet daaraan vooraf.’ Met het absurde theater van bijvoorbeeld Samuel Beckett had Pilinszky weinig op. Te nadrukkelijk, te duidelijk van zin ontdaan, en bovendien; al is niets menselijks ze vreemd, dingen denken niet, ze worden gedacht.

In memoriam F.M. Dostojewski

Vertaling Erika Dedinsky

                Bukken. (Hij bukt zich tot aan de grond.)

Rechtop staan. (Hij komt omhoog.)

Hemd en onderbroek uittrekken.

(Hij trekt beide uit.)

Oog in oog staan.

(Hij zwenkt. Staat oog in oog.)

Aankleden.

(Hij kleedt zich aan.)

6
Wat Pilinszky naar eigen zeggen in de oorlog herwon, was de taal van de armoede. Een taal van bijeengeschraapte woorden. Een taal tegen beter weten in. Toen Pilinszky in 1977 te gast was op Poetry International schreef hij voor de festivalbundel De toren van het zwijgen een magnifieke tekst over zijn werk. Daaruit dit veelzeggende citaat:

‘In kunst interesseert me alleen de volmaakte bescheidenheid, de taal van kinderen, bejaarden en doden. Het liefst zou ik zó willen schrijven alsof ik eigenlijk zweeg.’

Niks geen literatuur als een kroonluchter, maar poëzie als een kontje kaars, een vlam die je met twee handen moet beschutten.

7
Mijn kennismaking met het werk van Pilinszky herinner ik me om de verkeerde reden. Op een dag vond ik in een Utrechts antiquariaat een stapel uitgaven van de ter ziele gegane uitgeverij Kwadraat. Ze kostten een gulden per stuk. Ik kocht ze allemaal. Er was een boekje bij van een Franse bokser die met zijn bootje op de oceaan was zoekgeraakt, en Pilinszky dus. Wat was het voor kennismaking? Een vreemde. In de eerste plaats omdat ik die regel las ‘hiertoe leerde ik lopen’ en ik besefte dat ik dat gedicht al kende van een cassette met op muziek gezette Hongaarse poëzie. In de tweede plaats omdat ik destijds veel drukker was met grenzeloze dichters als Vladimir Majakovski en Lucebert. Pilinszky’s werk maakte indruk, dat zeker, maar ik had geen idee wat ik er verder mee moest.

8
De tijd dat ik schreef aan mijn tweede bundel Huisverraad werd gedomineerd door verhuizingen en de plotselinge ziekte van mijn schoonvader. Hij droeg me vriendelijk op een gedicht te schrijven met als titel wat ineens zijn levensmotto geworden was: “Liever gezond dan dood.” De tijd begon te dringen, maar het lukte, nog net op tijd, een paar dagen voor hij overleed. Als blijk van liefde en ter kalmering van mijn op drift geraakte gemoed ontstonden er meer gedichten die met hem te maken hadden. Zoals vaker bleek de omtrekkende beweging de beste, ik ging niet recht op mijn doel af, maar koos een slingerweg en kwam zo veel dichterbij. Toen ik wat uiteindelijk het derde hoofdstuk in Huisverraad zou worden, af had, zocht ik een motto, omdat ik zo’n kort citaat als een wezenlijke toonzetting beschouw. Vrijwel meteen greep ik Pilinszky’s in omvang kleine bundel Krater uit de kast, las de gedichten, raakte opnieuw diep onder de indruk en vond: ‘alles stolt tot stilte en nabijheid.’ Mijn bundel was af, maar ik raakte meer en meer in de ban van Pilinszky en herkende opmerkelijk veel. Hoe hard een gedicht kan worden als je personages domweg laat handelen en niet verklaart waarom ze doen wat ze doen. Het overkwam me bij mijn eerste bundel met Christian Morgenstern, dit keer met Pilinszky; de beïnvloeding achteraf.

9
Op hetzelfde moment dat ik een motto zocht voor het begin van het hoofdstuk “J” zocht ik er ook een voor het eind, om de twee laatste gedichten van elkaar te scheiden die een vergelijkbare constructie als besluit hadden en om een pauze in te lassen, een teug adem, de bundel moest met adem eindigen. Het werd Imre Kertész. Nog iemand die Adorno overtuigend had tegengesproken, die zelfs woedend was op de Duitse filosoof. Moest ook de poëzie de mens nog worden afgepakt?

10
Net als bij Pilinszky lezen veel van Kertész werken alsof de woorden uit de auteur zijn gestampt. Het zijn er alleen veel meer. Soms vormen ze een kroonluchter maar die wordt meteen na zijn voltooiing van het plafond gesloopt. Ik denk aan Het Fiasco waarin Kertész een halve roman schrijft om aan het schrijven van een roman te kunnen beginnen, waarin elke stap naar voren ook naar achter wordt gezet, je als lezer binnen een mum van tijd totaal verloren en aan de dool bent en toch doorgaat, waar je bladzij voor bladzij, stap voor stap, met strompelende personages samenvalt.

‘De archiefkast was de onmiddellijke opvolger van de tweevleugelige hoekboekenkast, waarvan beide vleugels de zuidwestelijke hoek van de met haar straatkant naar het westen gekeerde kamer in beslag namen, beter gezegd, die zich vanaf de zuidelijke rand van het in de noord-zuidrichting lopende venstervlak tot in de hoek voortzette, en vanaf de commode bij de in de oost-westrichting lopende muur eveneens tot in de hoek, daarbij een ongeveer 120 cm lang uitstekend gedeelte van de muur passerend, waarvan de functie voor iedereen onduidelijk was. Op dit uitstekende gedeelte was (op een opvallend slordige manier) (alsof er iets verhuld moest worden) een stuk spaanplaat gelijmd (bijna een onderdeel van de boekenkast), dat niet helemaal tot het plafond doorliep, maar wel dezelfde hoogte bereikte als de boekenkast, zo’n goede twee meter vanaf de vloer gerekend.’

Precisie als omweg, bijzin na bijzin wordt steeds zo nauwgezet als denkelijk mogelijk, alles gedefinieerd, een huis, een kamer, een kast, elk zin is een dralende, een bede om uitstel van wat komt en dat (zo is van meet af aan duidelijk) onvermijdelijk is. ‘Alsof er iets verhuld moest worden.’ Daarmee is het al gezegd, is het lijk al goeddeels uit de kast gehaald. Elk ding is een punt op papier, verbind de lijnen en je ziet een mens tevoorschijn komen.

Aan het slot van Het Fiasco duikt ook Sisyfus weer op: ‘Zijn leven zal het leven van een schrijver zijn, iemand die zijn boeken schrijft en schrijft totdat hij zichzelf volkomen heeft leeggeplunderd en tot een geraamte geklaard, vrij van overbodige franje, van het leven. Sisyfus – zo luidt de mythe – moeten we ons voorstellen als een gelukkig mens. Ongetwijfeld, maar toch wordt hij door medelijden bedreigd. Ja, Sisyfus en de arbeidsdienst zijn eeuwig, maar het rotsblok is dat niet. Terwijl het over de stenige helling rolt, wordt het kleiner en kleiner en opeens merkt Sisyfus dat hij, verstrooid fluitend, nog slechts een klein steentje voor zich uit schopt in het stof.

Wat moet hij daarmee doen? Ongetwijfeld zal hij zich bukken, het in zijn zak steken en mee naar huis nemen, het is immers van hem. In zijn verloren uren – en vanaf dat moment wachten hem enkel nog verloren uren – zal hij het ongetwijfeld nu en dan voor de dag halen. Het zou natuurlijk belachelijk zijn om er weer mee aan de gang te gaan en het oude omhoog te rollen tot aan de hoogste top, maar als hij er met zijn oude, bijziende ogen naar kijkt, schijnt hij toch het gewicht en de omvang te beoordelen en zijn bevende, gevoelloze vingers omvatten de steen.

Het staat vast dat hij die ook bij zijn laatste inspanning zal omklemmen… als hij levenloos van de stoel bij de archiefkast glijdt.’

11
Het tweede bewijs van een verwantschap (leert oorlog iedereen de taal van het gebrek?): de tweede zin van Kertész’ Dagboek van een galeislaaf: ‘Ik moet me van al het overbodige ontdoen.’

12
Dit zou een essay in ansichten worden. Die vorm had ik bedacht als eerbetoon aan een derde Hongaarse schrijver, een die de oorlog niet overleefde: Miklós Radnóti, van zijn laatste vijf gedichten hebben er vier de titel “Razglednica”: postkaart. Twaalf ansichten, had ik bedacht, twaalf beelden die het verhaal zouden doen, levende dingen moesten worden. Ik zag het voor me.

Over de auteur:

Mischa Andriessen (1970), schrijver, vertaler, recensent. Publiceert over jazz en beeldende kunst en vertaalde onder meer Graham Swift. Publicaties: Uitzien met D (poëzie, 2008), Huisverraad (poëzie, 2012) en Dwalmgasten (poëzie, 2016). Hij publiceerde proza in De Revisor.