thema:

As – II

Vertaling:

Toen de luchtaanval op zijn hevigst was, had de stad een halve
minuut in lichterlaaie gestaan en die tijd was voldoende geweest om
haar in het niets te laten oplossen. Er was een klassieke voorbereidende
fase geweest, met zeer krachtige bommen, maar daarna had
er zich iets verspreid, in een paar tellen, haast geluidloos, en onmiddellijk
leek de stad integraal op topsnelheid weg te smelten. Ze was
letterlijk uiteengevallen in het binnenste van een vreemd vuur, een vuur met
dikke vlammen, die inderdaad behekst waren, om het adjectief van de snorbaard
te gebruiken. Vlammen die zich zonderling gedroegen, niet aanhielden, niets met
de gangbare oorlogsbranden gemeen hadden, alle geluiden van de zich voltrekkende
verwoesting in zich opnamen. De brand had niet aangehouden. Het was geen brand
geweest die je kon beschrijven. Alles eraan was abnormaal geweest.
De brand had niet aangesleept. De luchtvaartuigen waren snel weer
vertrokken, plaats makend voor een zwart vacuüm eerder dan voor het
woeden van een enorme vuurhaard, plaats makend voor de nacht, als
hadden de bommen, vooral de laatste bommen of bom, de duisternis
meegebracht, een duisternis die militair-wetenschappelijk speciaal
was ontwikkeld om de gruwel tegelijk te camoufleren en chemisch te
stabiliseren. Iets wat elke voorstelling tartte had een einde gemaakt
aan de geluiden en het vlammenschijnsel. De rook was vanaf middernacht
door geen gloed meer verlicht en vóór het aanbreken van de
dag verdwenen. En op dit ogenblik, nu Gordon Koem over de terpen
en hopen beende, brandde er niets meer, nergens. De hitte verzengde
het gezicht niet, had niets buitensporigs, er heerste veeleer een aangename
warmte.

Je kon niet beweren dat je je op je gemak voelde. Maar dreiging
ervoer je nu ook weer niet. Het leek of je binnen in een oven wandelde
die al een hele tijd was uitgedoofd. Het leek of je zo nog uren kon
blijven doorlopen.

De omgevingstemperatuur bracht Gordon Koem niet in noemenswaardige
verwarring. De temperatuur daalde niet, maar het kon hem niet schelen.
Het was alsof onder de zwarte korst die over alles heen
lag een langzame verbranding voortging, met smeulende kooltjes die
roodachtig glansden in het donker en niet wilden doven, maar dat kon
hem niet schelen.

Hij aarzelde even voordat hij een plek uitkoos waar hij zou gaan
graven. Hij vocht tegen de neiging om het maar te laten zitten en voelde
dat zijn organisme niet in topvorm was. Zijn keel was uitgedroogd, hij
had sinds de vorige dag niet gedronken, hij begon te hoesten, daarna
kalmeerde zijn hoest. De doorschijnendheid van de lucht boven de ruïnes
was betrekkelijk. Waarschijnlijk was de lucht zwaar van zwevende
deeltjes en verrijkt met giftige gassen, maar je kon hem inademen zonder
te stikken. Het moeilijkste was de stank weg te denken.

De stank wegdenken.
Niet in de verte kijken.
Het hoofd omlaag richten naar de af te graven grond, naar het roet
en het stof, naar de as.

Het hoofd omlaag richten naar de grond en denken aan Maryama
Koem.

De wind waaide niet. Alles leek nu heel roerloos, zoals op een
zwart-witfoto, zonder personages.

Een foto van algehele vernieling. Van roerloosheid, van zwart-wit.
Een vage lucht. Geen personages en geen geluid.

Dat alles wegdenken en graven.
De meeste plaatsen waren met teerachtig glazuur overdekt. Je kon
niets aanraken zonder met die lijm te moeten worstelen.

Gordon Koem keerde verkoolde stenen en metaalscherven om,
resten van ramen en muren. Alles wat hij omwoelde plakte aan zijn
vingers. Alles was in een stroperige, lauwe, gitzwarte materie gehuld,
die veelal uitliep als karamel. Na een kwartier leek hij op een met olie
besmeurde meeuw, zoals die aan de kust te zien waren in de tijd dat er
nog geregelde scheepvaart was, de tijd dat er nog geregeld olievlekken
en meeuwen waren. Door die donkere honing waren zijn lichaam
en zijn kleren op hun beurt zwaar geworden. Hij kon zijn vingers niet
meer dichtdoen, zijn handen leken steeds meer op wanten.

Hij bleef dunnetjes, moeizaam, traag doorgraven. Hij moest dikwijls
stoppen om een paar tellen te rusten, of te hoesten. Hij was ervan
uitgegaan dat hij zich vlakbij de schuilplaats bevond, boven de vroegere
voedselcoöperatie, maar eigenlijk was hij daar niet zo zeker van.
Dat zou hij wel zijn geweest als hij in zijn buurt een of andere flard rood
textiel had zien rondslingeren. Zijn keuze was gevallen op een stapel
brokstukken die hij op basis van irrationele indrukken te lijf was gegaan
en steeds vaker zei hij bij zichzelf dat hij in een puinberg zat te wroeten
die misschien niet de goede was. Alles leek op elkaar, alles behoorde
tot het monotone spectrum van de chaos, het lugubere, kwetsende,
abjecte, walgelijke, niet echt brandende, misselijkmakende spectrum
van de chaos, in al zijn ontmoedigende, oerlelijke schakeringen.
Betonscheuren, gestolde spatten, staalsplinters van alle mogelijke en
denkbare afmetingen. Alles was zwart en zwaar geworden. Hij pakte
het een beetje op goed geluk aan en verder probeerde hij los te krijgen
waar op het eerste gezicht beweging in zat. Het grootste deel van de
tijd kreeg hij niets gedaan, behalve dat hij nog wat vuiler werd.

Hij kreeg niets gedaan.
Hij duizelde.
Zijn vingers wogen loodzwaar.
Zijn handen beefden.
Hij verloor telkens zijn evenwicht. Hij had moeite om weer goed
rechtop te gaan staan.

Hij werd steeds vuiler.
Er was niemand anders in de buurt.
Er was niemand in het getto.
Buiten Gordon Koem waren slechts een handvol enkelingen voorbij
de wegversperring van de passieve defensie gekomen. Hooguit
zeven, acht gedaanten baanden zich eenzaam een weg door de resten
van het getto. Je zag ze afgetekend tegen de lucht wanneer ze
versteenden op de top van een van de verkoolde heuveltjes die het
landschap vormden. Op driehonderdvijftig meter van de plaats waar
Gordon Koem aan het werk was klom een met waanzin geslagen man
van zijn kant koppig een verkoolde gevel op waarachter niets zat. Hij
klom hardnekkig, met behulp van touwen, gebruikmakend van wat
een alpiene techniek leek. Soms zakte hij een verdieping terug omdat
hij niet hoger kon en bleef hij lange tijd moedeloos in dezelfde positie
hangen voordat hij zijn klim hervatte.

Een geesteszieke.
Desperado’s.
Geen van allen verstoorden ze de onthutsende roerloosheid en de
bijbehorende stilte.

Vanuit zijn ooghoek hield Gordon Koem hen in de gaten terwijl hij
zich te midden van de ramp stond af te beulen. Zelf maakte hij nu deel
uit van het landschap. Hij beulde zich nog een kleine twintig minuten
af. Maar daarna, toen hij al één leek te zijn geworden met de ruïnes,
even zwartachtig en gewrongen als de stukken die hij probeerde los
te wrikken, liet hij de buis die hij als hefboom gebruikte schieten en
staakte zijn activiteit. Hij boekte geen resultaat en hij kon niet meer. Hij
kwam overeind. Hij duwde zijn handen in zijn lage rug, hij rechtte zich
om de rugpijn te bestrijden. Hij hijgde. Zijn hoofd tolde. Voor het eerst
bedacht hij dat er een kern van waarheid zat in de waarschuwingen
van de civiele bescherming over het schadelijke karakter van de ruïnes.
Voor het eerst bedacht hij dat hij op zijn beurt bezig was verwoest
te worden. Hij had vast giftige dampen ingeademd, of blootgestaan
aan even onzichtbare als kwaadaardige golven. De bommen waren
nog altijd werkzaam. Zijn bloed voerde gif mee dat hem sloopte.

De bommen waren nog altijd werkzaam en vraten al zijn lichaamskrachten
aan.

Hij zwolg de lucht met luidruchtige happen naar binnen.
Hij probeerde het chaotische ritme van zijn longen tot bedaren te
brengen.

Na een minuut werd zijn ademhaling regelmatiger, maar de zuurstoftoevoer
had zijn reukzin aangescherpt. Ineens had hij zin om over
te geven. Ineens kon hij de stank niet meer wegdenken. Ineens kon
hij niet meer níét begrijpen wat die vertelde over wat er tijdens de
zonderlinge brand was gebeurd. Zijn braakneigingen namen toe en
werden onbeheersbaar. Hij probeerde nog op zichzelf in te praten,
aan iets anders te denken, maar het mocht al niet meer baten. Op zijn
uitgedroogde slijmvliezen kristalliseerde zich een gruwelijk verhaal,
gruwelijke beelden, achter in zijn keel en zijn neus ontving hij de schim
van bouwmaterialen en hominiden die ogenblikkelijk in gas waren omgezet
en daarna, negen, tien seconden later, een min of meer vloeibare
vorm hadden gekregen, in vermenging met wat dan ook. De geur van
een nieuwsoortig teer, dat tegelijk aan kalamijn, aan dierlijk vet en aan
de zwarte ruimte waarin de doden rondwandelen deed denken. De
geur die wordt achtergelaten door bommen van de laatste generatie.

Gordon Koem vouwde dubbel. Hij werd door pijnlijke hikken gemarteld.
Hij boog zich voorover, braakte de karige inhoud van zijn
maag uit en begon weer te hoesten. Toen zijn hoestbui over was zocht
hij een plaats om neer te zakken of te gaan zitten.

Hij zocht een plaats om neer te zakken of te gaan zitten.
Behalve de dwaas die zich op een verkoolde gevel omhoog bleef
werken waren de andere menselijke gestalten verdwenen. Gordon
Koem was nu de enige levende gedaante die in de afschuwelijke omgeving
overeind bleef.

wordt vervolgd

Over de auteur:

Lutz Bassmann is een van de pseudoniemen van de Franse schrijver Antoine Volodine (1950). Volodine publiceerde o.a. Des anges mineurs (1999), Les aigles puent (2010), Danse avec Nathan Golshem (2011) en Terminus radieux (2014). Ook is Volodine actief als vertaler van de Russische schrijvers Eduard Limonov, Arkady en Boris Strugatsky, Viktoriya Tokareva, Alexander Ikonnikov, en Maria Soudayeva.

Over de vertaler:

Katrien Vandenberghe is van opleiding classica. Ze vertaalde onder meer Paris-Brest van Tanguy Viel, fragmenten van Antoine Volodine en drie romans van Mathias Enard (recentelijk Kompas, een wervelend verhaal over de kruisbestuiving tussen Oost en West).