thema:

As – III

Vertaling:

Hij wankelde een paar meter en liet zich ten slotte op een onduide-
lijkemassa vallen, een mogelijke zitplaats, metaal of steen. Vanuit
zijn ooghoek had hij gezien dat het oppervlak van dat blok uit een
harde korst bestond waarop geen lijm zat. Hij liet zich daar neervallen
met het idee dat hij lange tijd niet meer zou opstaan. Maar nauwelijks
had hij plaatsgenomen of de korst kraakte onder zijn gewicht.
Onmiddellijk kreeg hij een intense gewaarwording van intiem bederf
en hij kreunde, zowel van afkeer als van vermoeidheid. Uit de open-
gebarsten korst was een bitumineuze puree vrijgekomen, die warm
was als ontlasting, en hij vroeg zich zelfs een paar tellen af of hij in
zijn broek had gedaan. Maar nee. Het kwam allemaal van buitenaf.
De ruïnes en niet hij hadden de weerzinwekkende brij uitgespuwd.
Die verbreidde zich onder hem en drong algauw door de stof van zijn
broek heen. In andere omstandigheden, in zijn vorige leven, zou hij
zijn opgestaan en fel tegen de bezoedeling hebben geprotesteerd,
maar nu bleef hij uitgeput zitten, door gif en verdriet overmand. Hij
had het gevoel dat hij het recht niet meer had uiting te geven aan op-
standigheid of afgrijzen. Doordat hij niet samen met de anderen was
gestorven, verloren zijn uitlatingen over persoonlijke onderwerpen en
over zulke bijkomstigheden elke legitimiteit.

Hij ging niet weer rechtop staan, hij maakte zich niet schoon.
Het soort van halfvloeibare substantie vertakte zich onder zijn dijen
en zijn billen.

Het kroop langs zijn rechterbeen.
Hij verroerde zich niet en prees zich gelukkig dat hij daar besef
van had. Tot zover was hij aan het niet-zijn ontsnapt; klagen over een
oncomfortabel gevoel zou iets monsterlijks en zelfs beledigends voor
de doden hebben gehad. Aan de andere kant waren zijn kameraden
en zijn familie wel degelijk in dat zonderlinge teer veranderd, en als
hij daarop bleef zitten, nam hij deel aan de wereld die voortaan die
van zijn naasten was. Zo goed als hij kon ging hij op in die wereld van
desolaatheid, fysieke ontbinding en halfvloeibare onwaardigheid.
Via zijn huid, via een lager deel van zijn lichaam weliswaar, maar hij
ging erin op.

Hij bleef zitten.
Hij bleef een lang ogenblik zitten zonder de minste beweging te
maken.

Op zijn beurt in de desolaatheid opgaan, via de huid en het
lichaam.

Aansluiten bij de mannen en vrouwen die waren verbrand, de mannen
en vrouwen die waren vergast, die vloeibaar waren geworden.
Zo goed als hij kon bij hen aansluiten.

Berusten in de geringe poëzie van dat contact met de doden.
Dat stond hem voor de geest.
Hij was bijna versteend en amper nog te onderscheiden tegen de
zwarte achtergrond die het visuele beeld vormde. Amper nog te onder-
scheidentegen die zwarte achtergrond. Als dit niet zo ver van elk
kunstwerk stond, had je aan een schilderij uit de laatste periode van
Malika Doeradasjvili kunnen denken, aan die landschappen die door
niets worden verlicht, desolaat, hallucinant wanhopig en stil, waarin
eenzame wezens slapen met hun ogen wijd open naar de omgeving,
alsof ze niet willen geloven dat de werkelijkheid zelfs in een droom
zo extreem afgrijselijk kan zijn. Dan had je aan die kunstenaarsfictie
kunnen denken. Maar hier was je allesbehalve in een schilderij van
Malika Doeradasjvili. Hier had je zelfs niet het geluk te kunnen slapen
met je ogen wijd open naar een nachtmerrie. Je moest het hoofd bieden
aan het daglicht, de absolute rust en de niet-helse warmte van de
ruïnes, de afwezigheid van alles.

Het hoofd bieden aan het daglicht.
Afstand doen van wat de levenden protest ontlokt, van hun nietige
verontwaardigingen, die veelal een affront vormen voor de doden.
Berusten in het uitgeputte, onpoëtische contact met de doden. Berusten
in dat contact, van top tot teen overdekt met olie, met een fecale warmte
in het kruis.

Boven Gordon Koem stagneerde de loodgrijze lucht. Hij bevatte
niets meer: geen vliegtuigen, geen wolken, geen vogels.

Er rookte iets in het zuidzuidwesten.
De dwaas was tot een vierde verdieping opgeklommen, hij bleef nu
schrijlings op een raamrand zitten, terwijl zich aan zijn beide zijden
de leegte aanbood.

De geluiden beperkten zich tot kort gekraak. Betonplaten of balken
krompen door afkoeling of zetten integendeel onder invloed van
een inwendig vuur uit. Soms luidde dat gekraak een lawine in, maar
dat was zelden. Wat onvermijdelijk moest instorten had daartoe al
ruimschoots de gelegenheid gehad en de chaos had in zekere zin zijn
stabielste vorm gevonden. In de ochtend hadden metalen slagen en
geschuur van houwelen de aanwezigheid van een paar geïmproviseerde
redders te kennen gegeven, maar algauw was alles verstomd.
Nergens was nog iemand in de weer. De redders hadden er de brui
aan gegeven of lagen languit of opgekruld tussen de overblijfselen om
er op hun beurt bij aan te sluiten.

Gordon Koem bleef urenlang zitten. De verkoolde massa’s rondom
hem handhaafden hun temperatuur. Af en toe deed zich vlakbij een
verzakking voor, oppervlakkig, niet in de diepte, meer iets als een herschikking
van de chaos die hij in de ochtend met zijn minieme ingrepen
en zijn flauwe afgraafpogingen had verstoord dan een natuurlijke
opstoot van het puin. Na de middag knarste er een paar keer iets onder
de grond, kort en krachtig, maar zonder gevolg. Nu heerste de grootste
kalmte. Eigenlijk was je al in de wereld der doden.

Zoals in een schilderij van Malika Doeradasjvili.
In de wereld der doden.
Eigenlijk.
Waren we daar al allemaal.
Terwijl Gordon Koem zwijgend bleef zitten, dreven rondom de
stad dampslierten bijeen die zich op lage hoogte samenpakten en op
den duur de plaats van de lucht innamen, en beetje bij beetje vormden
ze een soort van gewelf dat de horizon tenietdeed. Vanaf een zekere
afstand was er alleen nog een ongewisse grijze kromming, met niets
daarachter. Het leek of het getto het enige mogelijke landschap van de
echte wereld was geworden.

Onder die afdeklaag werd het licht in volle namiddag schemerig,
daarna vertoonde het geen variatie meer.

Gordon Koem voelde bij momenten hoe alles in zijn lichaam door
de stralingen kapotging, maar hij had geen pijn. Hij wachtte rustig af
wat er zou volgen.

De verkoolde stukken vuil rondom hem waren ongedifferentieerd,
zwart op zwart, teerachtig en vormeloos. Hij nam ze niet onder de
loep. Zelf was hij deel van het zwart. Hij wist niet eens meer of zijn
ogen open of dicht waren. Vervolgens, na verloop van uren, langzame,
onzekere uren, viel hem een voorwerp op dat het er onbeschadigd
had afgebracht, of op zijn minst herkenbaar bleef. Het was een pop.
Tijdens de onverhoedse desintegratie van de materie doen zich onwaar-
schijnlijke fenomenen voor, en een moeilijk voorstelbare samenloop
van omstandigheden was dit lappenfiguurtje misschien gunstig
gezind geweest. Of misschien was het een bijzonder lot beschoren,
waarvan de laatste stap inhield dat het te midden van as tevoorschijn
zou komen, als zonderling detail in een landschap dat alles gemeen
had met de schilderijen van Malika Douradasjvili, de schilderijen van
haar laatste periode, die luguber waren en hopeloos.

De pop was geen homunculus van celluloid, zoals men die destijds
in de armen van kleine meisjes duwde om hun het idee op te dringen
dat hun leven er een van vrouwelijke voortplantingswezens zou zijn
en niet van vrouwen. Het was een golliwog, een uit historische tijden
stammende racistische ledenpop die een neger uit de music-hall moest
voorstellen, met een ravenzwart gezicht en een potsierlijk welige haardos.
Zijn blauwe en rode kleren waren verkoold, zijn hoofd niet.

Een ogenblik keek Gordon Koem gelaten naar de golliwog, toen
zijn aandacht werd getrokken door een vogel die op drie, vier meter
bij hem vandaan was komen zitten, een piepklein bolletje veren. Twee
eeuwen eerder, toen tellingen werden gehouden van met uitsterven
bedreigde soorten, zou het ontroerd zijn herkend als een van de laatste
vertegenwoordigers van de tuin- en parkvogel, maar hier had zijn
aanwezigheid iets ondenkbaars. Het was een roodborstje. Gordon
Koem herkende het moeiteloos, ook al had hij in de veertig jaar die
zijn leven tot nog toe had geduurd haast nooit andere vogels gezien
dan grote aasvogels, gieren en arenden, waarvan het wemelde rond
de massagraven.

Het vogeltje respecteerde de oeroude gewoonten van zijn soort.
Het ging niet ver van Gordon Koem zitten, wisselde met hem een onver-
schrokken blik, hupte op en neer, en tsjilpte toen een kreet die een
communicatiewens leek uit te drukken. Het daaropvolgende ogenblik
kwamen zijn pootjes in aanraking met de teerachtige laag die alles
overdekte, en vanaf toen ging het bergafwaarts met zijn levenscondities.
Het probeerde van de lijm los te komen door met zijn vleugels
over zijn standplek te wrijven, of met zijn snavel vlak voor zich uit te
krabben, en het enige wat het daarmee gedaan kreeg was dat het zich
nog wat smeriger maakte. In beslag genomen door zijn toekomstloze
drukte tsjilpte het niet meer.

Gordon Koem was buikspreker. Tot dan toe had die gave hem niet
veel opgeleverd in het leven, behalve problemen met de overheid.
Toen hij bijvoorbeeld door de artsen van het kamp werd onderzocht,
dachten die dat hij tot een monsterlijke variëteit van de ondermens
behoorde. Bij het uitreiken van certificaten van genetische overeenstemming
zetten ze hem steevast apart, ze haalden er hun neus voor
op om een exemplaar voor hem te ondertekenen en discussieerden
in zijn bijzijn hardop over het nut van proefnemingen op zijn lijk. Hij
ontsnapte altijd maar net aan een autopsie, en dan keken de artsen
misprijzend op hem neer, als was hij iemand die uit egoïsme had
geweigerd de wetenschap vooruit te helpen. Maar nu hij in een prent
van Malika Douradasjvili was binnengedrongen was niets nog van
belang. Noch het vernederende feit dat hij ooit als Untermensch was
beschouwd, noch het vernederende feit dat zijn broek met een warme
substantie was doordrenkt, noch genetische afwijkendheid.

Of hij ja dan nee een normale Untermensch dan wel een zonderlinge
Untermensch was, het deed er niet toe en deed er ook niet niet toe.

Gedurende een kwartier was Gordon Koem getuige van de inspanningen
die het roodborstje leverde om zich van de kleefstof te ontdoen.
Zijn snavel was snel in een vormeloze deegklomp veranderd, op zijn
prachtig oranje borststuk zaten her en der walgelijke vegen. Zijn veren
plakten, zijn vleugels waren volkomen slap. Opnieuw kruisten hun
blikken elkaar. Het oog van het vogeltje was een parel van glimmende
kool, het oog van het vogeltje fonkelde van schranderheid. Daarna
zag Gordon Koem hoe het oog geleidelijk werd oversluierd en dof
werd. Het vogeltje had het gevecht met de tegenspoed opgegeven.
Het maakte voor het vogeltje niet meer uit of het ja dan nee een paar
seconden veroverde op het komende niets. Weldra lieten zijn pootjes
het afweten en het stuikte ineen. Het lag nu op zijn zij. Het rilde nog een
keer of twee, en kwam toen tot rust.

Met uitzondering van dat ten dele vuil geworden rode vlekje was
alles zwart.

Gordon Koem richtte zijn buiksprekersstem naar het diertje. Hij
wist niet of zijn doodsstrijd al beëindigd was of niet.

‘Ik ben het,’ zei de vogel. ‘Ik ben het die praat.’
Gordom Koem keek naar hem, en voelde zich door emotie overspoeld
worden. Dit plotselinge spreekinitiatief maakte dat hij zin had
om te huilen. Sinds de ochtend had hij geen menselijke stem meer
gehoord, sinds een onberekenbaar aantal uren zelfs, want de schemering
om hem heen leek al buiten de tijd te staan.

Dit plotselinge spreekinitiatief deed zijn onmetelijke, onherroepelijke
eenzaamheid des te scherper uitkomen.

Het roodborstje had een stuiptrekking.
‘Ik luister,’ zei Gordon Koem. ‘We luisteren.’
‘Hier is Maryama Koem verbrand,’ bracht het vogeltje node uit.
Er viel een lange stilte. Gordon Koem deed moeite om zich te beheersen,
maar hij huilde. Zijn tranen biggelden traag. Ze moesten de
smerige laag op zijn gezicht over. Toen ze bij zijn lippen kwamen,
proefde hij hun misselijkmakende smaak, het gif dat ze meevoerden.

‘Ga verder,’ zei Gordon Koem.
Het roodborstje reageerde nergens meer op. Het leed nu geen
twijfel meer op welk punt in zijn persoonlijke organische traject het
was aanbeland. Zijn ogen waren halfdicht. De schrandere twinkeling
was uitgedoofd.

‘Hier is Maryama Koem verbrand,’ hervatte het vogeltje. ‘Hier is
Maryama Koem verbrand met de drie kinderen van Gordon Koem. Ze
is verbrand met Sariyia Koem, met Ivo Koem, met Gurbal Koem.’

Er viel opnieuw een stilte.
Gordon Koem had het hoofd gebogen. Hij kon niets meer zeggen.
De middag liep ten einde, maar het licht veranderde niet. Aan
de horizon was de schemering sterker geworden, maar hier was de
lichtintensiteit niet veranderd en het zag er ook niet naar uit dat ze
gauw zou veranderen, alsof het tijdsverloop rond Gordon Koem voortaan
zou gehoorzamen aan een ritme van snikken en verslagenheid
dat niets had uit te staan met de aardrotatie en andere onzin voor
chronomanen.

Bij de vogel was al lijkstijfheid ingetreden, maar dat besefte je amper.
Een heel licht briesje waaide de veertjes op zijn kopje in de war,
op een plaats die niet door teer was aangetast.

‘Ga verder,’ zei Gordon Koem.
‘Hij is dood,’ kwam de golliwog ertussen. ‘Hij heeft zich bij ons
aangesloten.’

‘Bah, bij ons aangesloten,’ zei Gordon Koem.
‘Ivo Koem hield van vogels,’ vervolgde de golliwog. ‘Hij had er nog
nooit in het echt gezien, als je de arenden die hoog in de gebouwen
nestelen en de gieren die zich belasten met het ruimen van de massagraven
niet meerekent. Hij had nog nooit echte vogeltjes gezien, maar
hij hield wel van ze.’

‘Ook Sariyia Koem hield van vogels,’ merkte het roodborstje op.
Gordon Koem slaakte een zucht die iets weg had van een reutel.
Hij had al jaren niet meer aan buikspreken gedaan, het is een oefening
die het hele bovenlichaam op de proef stelt. Als hij zijn stem de kant
van de pop of de vogel op stuurde, had hij de indruk dat hij niet genoeg
lucht had.

‘Ga verder, vogel,’ zei hij terwijl hij zijn lippen bewoog.
Toen zweeg hij.
Een half uur lang gebeurde er niets.
Alles was roerloos.
Heel weinig wind, heel weinig lawaai. Geen rook. De hitte nam
niet af, maar bleef volstrekt draaglijk. Tranen biggelden over de wangen
van Gordon Koem. Tranen stolden op de wangen van Gordon
Koem. Ze stolden, en biggelden na een lange aarzeling weer verder.

‘Ga voort,’ zei Gordon Koem na die eindeloze pauze. ‘We luisteren.
We zijn met velen die luisteren, we wachten tot je verdergaat.’

‘Het is moeilijk,’ wierp het roodborstje op.
‘Het is moeilijk, maar we wachten,’ zei Gordon Koem.
‘Hier is Maryama Koem verbrand met de drie kinderen van Gordon
Koem,’ hervatte het roodborstje. ‘Hier is Sariyia Koem verbrand, veertien
jaar oud. Net als haar broer Ivo Koem, veertien jaar oud, bleef ze
vaak stilstaan bij vogelprenten en hield ze van vogels. Zelfs arenden.
Zelfs gieren. Hier is Gurbal Koem verbrand, vijftien jaar oud.’

‘Spreek,’ moedigde Gordon Koem hem aan. ‘We luisteren.’ Het
roodborstje was volkomen levenloos.

‘Hier is Gurbal Koem verbrand, vijftien jaar oud,’ hervatte het.
‘Gurbal Koem interesseerde zich niet voor dierenprenten. Althans niet
bijzonder. Hij hield vooral van prenten van de wereldrevolutie.’

‘Ja,’ zei Gordon Koem. ‘Dat herinner ik me.’
‘Hier is Maryama Koem verbrand,’ ging het roodborstje verder.
‘Hier is Maryama Koem… Hier…’

De stem van het vogeltje stokte.
Er viel nog een moment van leegte en halfduister.
‘Ga voort’, zei de golliwog. ‘Deze dingen moeten woord worden.’
‘Hier is Maryama Koem verbrand,’ zei het roodborstje ten slotte.
Uren gingen voorbij. Er zat geen schot in de schemering.
‘Ga voort, wat er ook gebeurt,’ beval Gordon Koem. ‘De dingen
moeten uitgesproken worden.’

‘Hier is Maryama Koem verbrand,’ zei het roodborstje. ‘Maryama
Koem hield van Gordon Koem. Ze woonde samen met Gordon Koem en hield van hem.’

Over de auteur:

Lutz Bassmann is een van de pseudoniemen van de Franse schrijver Antoine Volodine (1950). Volodine publiceerde o.a. Des anges mineurs (1999), Les aigles puent (2010), Danse avec Nathan Golshem (2011) en Terminus radieux (2014). Ook is Volodine actief als vertaler van de Russische schrijvers Eduard Limonov, Arkady en Boris Strugatsky, Viktoriya Tokareva, Alexander Ikonnikov, en Maria Soudayeva.

Over de vertaler:

Katrien Vandenberghe is van opleiding classica. Ze vertaalde onder meer Paris-Brest van Tanguy Viel, fragmenten van Antoine Volodine en drie romans van Mathias Enard (recentelijk Kompas, een wervelend verhaal over de kruisbestuiving tussen Oost en West).