thema:

白雲觀 Baiyun Guan: Tempel van de Witte Wolk

Ik ben nog nooit iemand tegengekomen die Pay-Uun heet. Ik raakte eraan gewend de enige Witte Wolk te zijn die op aarde rondloopt. Pas na jaren hoorde ik over een naamgenote. Ze is reusachtig groot, ze dankt haar faam mede aan haar nageslacht en ze woont in San Diego Zoo: pandabeer Baiyun, wat de officiële pinyintranscriptie is van de karakters ‘wit’(白) en ‘wolk’ (雲).

Weer later ontdekte ik de Baiyun guan in Peking, de taoïstische Tempel van de Witte Wolk. Ik was er in de zomer van 2002. Ik herkende de karakters van mijn naam op mijn plattegrond en tekende er een kring omheen. Hier wilde ik naartoe.

Ik dacht dat ik het kon lopen vanaf mijn hotel aan de westkant van de Temple of Heaven. Maar de hitte was moordend. Al na drie huizenblokken gaf ik het op en nam een taxi. Voor mijn gevoel was het nog een waanzinnig eind rijden en toen de chauffeur eindelijk stopte, was ik verbaasd. Dit was geen plek voor een tempel: het was er druk, auto’s reden chaotisch door elkaar, er werd getoeterd. Toch stond de tempel er echt. Ik herkende de karakters op mijn toegangskaartje. En verder begreep ik niks van wat ik zag. Monniken in zwarte jasjes en broeken met witte pijpen, en met een knot in hun haar met een stokje erdoor. Overal gebouwen. De geur van wierook. Mensen die wierook brandden en bogen voor de tempels op het immense terrein. Het fascineerde me, maar ik was uitgedroogd, had hoofdpijn en kon bijna niet meer denken. Eén ding dacht ik nog voor ik 20 minuten later weer in een taxi stapte op weg naar mijn hotel en mijn bed: Baiyun guan, ik kom terug.

Wanneer ik ruim acht jaar later, op 10 oktober 2010 weer voor de poort sta, begrijp ik niet waarom ik het er toen zo druk en zo chaotisch vond. Is er zoveel veranderd? De straat waaraan de tempel ligt (inderdaad, de Baiyuntempelstraat) is best breed. Tegenover de tempel staat een gloednieuwe winkelfaçade met voor het merendeel leegstaande winkelruimten. In een ervan is een taoïstische snuisterijenzaak gevestigd waar ze, ontdek ik drie weken later, ook de grappige zwart-witte schoentjes verkopen die de monniken ’s zomers dragen. Op straat staan verschillende wierookkarretjes, er zitten wat toekomstvoorspellers bij kleedjes met taoïstische symbolen en er zitten enkele bedelaars. De aangrenzende Baiyunlu is een drukke vierbaansweg, maar hier heerst een gemoedelijke bedrijvigheid. Mijn hotel is om de hoek, ik heb drie weken de tijd en ik ben vast van plan de tempel zo vaak mogelijk te bezoeken.

Eenmaal achter de poorten – de eerste, de ‘Pailou’, waarin ooit een observatorium was en de tweede, de Shanmen, de bergpoort – komt er een ander soort rust. Dit is gewijde grond. Maar voor gewijde grond gaat het er nogal gewoon en dagelijks aan toe. Monniken lopen voorbij, soms met een thermoskan met heet water of kommetjes met hun middagmaal. Ze rochelen en spugen net als andere Chinezen. Een dienstdoende monnik zit in de tempel van Caishen (de god van de welvaart) rustig zijn kalligrafie-oefeningen te doen op een oude krant terwijl hij elke keer een tik tegen een klankschaal geeft wanneer een bezoeker de traditionele koutou (buiging) maakt voor de drie goden van de welvaart aan wie deze hal is gewijd.

Op voor mij ondoorgrondelijke tijden is er een ritueel in de Laolü-hal (de hal van de oude wetten) met muzikale begeleiding van het huisorkest dat bestaat uit fluiten, trommels, woodblocks, klokken, bekkens, gongetjes en klankschalen, en traditionele snaarinstrumenten als erhu, pipa en qin. Ook blaast een sheng – mondorgeltje – mee. Er zijn puur instrumentale gedeelten, maar voor het merendeel heeft het orkest een begeleidende rol en wordt er in reciterende stijl gezongen, afwisselend door een solozanger en door het koor. De bezoekers in de tempel (meest Chinezen, buitenlandse toeristen komen hier weinig) zitten geknield op kussens en buigen van tijd tot tijd. Meestal als de gong gaat. Bij de laatste klanken doen de monniken in een rituele beweging hun gekleurde mantels uit en voor je het weet, zijn ze weer in hun gewone zwart-witte kleding uit de hal verdwenen.

***

Waarschijnlijk zijn westerse kerken voor niet-christenen even vreemd als deze taoïstische tempel voor mij is. Al heb ik geen kerkelijke opvoeding gehad, ik begrijp intuïtief toch iets van wat er in zulke ruimten omgaat. Ik heb veel uren tijdens veel concerten op de kerkbanken doorgebracht en er veel religieuze muziek gehoord die me verbond met de spirituele dimensies tussen de kruisbogen en het altaar.

Maar hoe werkt dat hier middenin die enorme drukke miljoenenstad? Een kerk is één gebouw; deze tempel is een heel complex met een serie tempels, vol goden van diverse pluimage en rangen en standen. Overal zijn symbolische dieren: draken, leeuwen, schildpadden, en drie aapjes die verborgen zijn in een stenen poort en waarover je moet wrijven voor geluk. Er staat een bronzen paard dat je pijnen wegneemt als je het lichaamsdeel aanraakt waar je last van hebt. Daarachter is zelfs een kliniek voor traditionele Chinese geneeskunde – blijkbaar voor als het paard (de ‘shen te’, bijzondere ziel) niet meer helpt.

Vlak achter de grote toegangspoort is de Wofeng-brug, de ‘Windbevattende brug’ die ik voor mezelf de Holle Windbrug noem. Het is een brug over niets, er stroomt geen water onderdoor, maar aan weerszijden van de bogen hangen grote munten met een vierkante opening waarin een klok is bevestigd. Dagelijks hoor je er het getingel van de muntjes die mensen er tegenaan gooien, wat minstens een jaar geluk zou moeten brengen.

De tempel werd in 741 (een paar jaar voor de geboorte van Karel de Grote) tijdens de Tang-dynastie gebouwd. Halverwege de 12de eeuw (Jin-dynastie) brandde hij af, werd herbouwd, brandde nog een keer af en werd nogmaals herbouwd. Het merendeel van de gebouwen die er nu staan, stammen uit de Ming- en de Qing-dynastie. Elke hal is gewijd aan een of meerdere goden die elk een bepaald domein onder hun hoede hebben, maar ik ben al gauw de draad kwijt. Zoveel gebouwen, zoveel namen. Het blijft me duizelen. Het is net alsof ik er maar geen vat op kan krijgen. Het zal ook mijn westers getrainde geest zijn. Die van de analytische musicoloog die overal de grondvorm in wil herkennen. Die met een blik van bovenaf de grote lijnen wil zien en dan tijd en ruimte logisch wil indelen.

Ik loop met mijn plattegrond langs de gebouwen, over de binnenplaatsen, door verschillende poorten. De grote lijn is de middenas, van zuid naar noord, zover kom ik nog. Aan de zuidkant is de ingang, aan de noordkant de grote tuin met paviljoens en kunstmatige rotspartijen. Loop je vanaf de ingang rechtdoor naar de tuin, heb je links de westvleugel en rechts de oostvleugel. Met potlood teken ik de gebouwen op mijn ruitjespapier en steeds raak ik in de war.

Een week later ben ik nog niets opgeschoten. Verhalen zijn er te over, maar de tempel geeft ze niet vanzelf prijs. Zo is het achtergedeelte afgesloten voor restauratie. Ik vermoed dat daar het rotstuintje ligt waar in 1946 sinoloog, diplomaat en schrijver Robert van Gulik de abt An Shilin ontmoette en ze elkaar vonden in hun gemeenschappelijk liefde voor de guqin, het aristocratische snaarinstrument dat ook een belangrijke rol speelt in Zhang Yimou’s film Hero. Enkele maanden na die ontmoeting was de abt dood. Levend verbrand door de monniken van de Baiyun guan. Er deden verhalen de ronde dat deze hoge geestelijke er onfrisse praktijken met jonge meisjes op na hield.

Uit een gedetailleerde beschrijving van de Franse historicus Vincent Goossaert blijkt dat An Shilin al bij zijn aanstelling in 1936 omstreden was en tot aan zijn dood in 1946 een spoor heeft achtergelaten van misdragingen (alcohol- en vleesconsumptie, zedendelicten), corruptie en fraude. Toen een petitie van taoïsten bij de centrale regering in Nanjing geen resultaat had, besloten de monniken er zelf wat aan te doen. Ze waren ook wel zo netjes zich na de executie van de abt en zijn vertrouweling BaiQuanyi met z’n allen (er waren toen 36 monniken) bij het dichtstbijzijnde politiebureau aan te geven. Van Gulik baseerde zijn vijfde rechter Tie-roman, Het spookklooster op deze gebeurtenis.

En zouden ze bij de restauratie ook het poortje herstellen waardoor Cixi, de laatste keizerin, naar binnen glipte om ongezien met haar ambtenaren te overleggen? Het is een van de verhalen die een kunsthistoricus, gespecialiseerd in taoïstische kunst en verbonden aan de tempel, me via een tolk vertelt. De ambtenaren waren door de officiële ingang naar binnen gewandeld, hadden misschien ook nog wel even het aapje in de poort aangeraakt, en troffen de keizerin-regentes in een van de vele afgeschermde vertrekken. Maar welke, dat vertellen de gebouwen niet.

***

Na een paar dagen komt een van de monniken op mij af. ‘Hoe vind je het hier?’, vraagt hij in moeizaam Engels. Hij is de vertaalmonnik, leid ik af uit zijn verhaal. Er zijn er niet veel die Engels spreken, hij heeft een dure cursus gevolgd en wordt overal bijgehaald als er buitenlanders zijn die geen Chinees spreken. Zou hij op me af gestuurd zijn? Te ingewikkelde vraag – in ieder geval zo een waar je hier nooit het ware antwoord op krijgt.

‘Hoe heet je?’, probeer ik.

‘Heven’, zegt hij. Ik denk dat ik het niet goed versta. ‘Het is Heven zonder a’, verduidelijkt hij. Na zijn intrede in het klooster vond hij Heaven te aanmatigend, dus werd het Heven.

‘Maar wat is je Chinese naam?’ Ik weet niet hoe persoonlijk je mag worden in je vragen aan monniken, maar mijn nieuwsgierigheid wint het toch. Beleefd antwoordt hij ‘QiuYuanxing.’ En na een korte stilte van mijn kant voegt hij eraan toe dat hij in een directe verbinding staat met de Drakenpoort-school van Qiu Chuji (1148-1227), de grondlegger van deze tempel en belangrijke representant van het Quanzhen-taoïsme dat hier wordt beoefend. Volgens de Chinese familieleer zijn alle dragers van dezelfde achternaam verwant aan elkaar, legt hij trots uit. Ik kijk hem aan. ‘Weet je dat ik ook Qiu heet?’, zeg ik. In het Hakka-dialect van mijn familie wordt mijn achternaam uitgesproken als Hiu, maar in het Mandarijn is het Qiu.

De volgende dag loop ik doelbewust naar de achterste tempels op het terrein. Hoewel dat doelbewuste hier ook niet zoveel voorstelt. Wat is nou een doel in taoïstische termen? Hoe dan ook, ik ga naar de tempel van patriarch Qiu. ‘Onze voorvader Qiu’, zoals broeder Heven zegt. Nu we dus familie zijn, mag ik hem broeder noemen en ben ik zuster Baiyun. Als goede Chinees – ook als je maar een halve bent – hoor je je voorvaderen te kennen en te eren. En tao, zegt Heven erbij. ‘Tao is de wortel van China. Als je China wilt bestuderen zonder tao te bestuderen, is het alsof je een plant zonder wortels bekijkt.’

De aan hem gewijde tempel is verbijsterend. Voorvader Qiu had zich in een grot in Shandong teruggetrokken om te mediteren, maar werd door toenmalig heerser Djenghis Khan gevraagd als spiritueel adviseur. Nee zeggen was geen optie. Toen Qiu in Beijing arriveerde, was Khan alweer ergens in de buurt van Afghanistan om daar op zijn weinig vredelievende manier orde op zaken te stellen. Er zit niets anders op voor Qiu dan ook maar die kant uit te gaan.

In playmobile-achtige tableaus is Qiu’s reis naar het westen uitgebeeld. Minutieus, met poppetjes, bootjes, beestjes, boompjes, huisjes – alles. Adembenemend gedetailleerd en tot op de draad nauwkeurig, maar de stijlbreuk met alle traditionele relieken en de tempelgebouwen werkt als een diepe kloof waarin je in een vrije val naar beneden tuimelt. Blijkbaar hoort dat bij de hedendaagse religieuze beleving in China. Net zoals het op zaterdagen in het tempelcomplex soms meer een gezellig uitgaanspark lijkt, waar voor de immens grote wierookvaten lange rijen bellende en fotograferende Chinezen staan die, als ze aan de beurt zijn, snel hun drie koutou’s doen en een dikke bos wierook aansteken. Op bankjes zitten lachende vrouwen papieren goudstaven te vouwen die daarna met de beste wensen voor de voorvaderen worden opgestookt. Denkend aan de streng gereformeerde achtergrond van mijn Nederlandse voorouders heeft dit meer weg van een heidens volksvermaak dan van een religieus ritueel.

***

Na een paar ijzig koude, veel te vroege winterdagen is het weer zonnig en behaaglijk, zoals het in oktober hoort te zijn. Het terrein heeft nu een zekere vertrouwdheid voor me. Natuurlijk is er een rationele ordening, een algemeen geldende logica voor alle boeddhistische en taoïstische kloosters. Langs de noord-zuidas staan, in oplopende mate van importantie, de grootste tempels gewijd aan de belangrijkste taoïstische goden en heiligen. Dus vanaf de poorten aan de zuidkant moet je eerst langs de tempel van Wang Lingguan, de goddelijke wachter, dan de tempel van de Jade Keizer, de Laolü-tempel, de tempel van Qiu en tot slot de belangrijkste tempel, die ook twee verdiepingen heeft en waar beneden de vier hemelse ministers van de Jade Keizer huizen en op de eerste etage, verheven boven alles, de San Qing – de Drie Reinen. Links en rechts van de centrale as zijn, als in een kruisvorm, nog tempels voor minder belangrijke goden en over het hele terrein verspreid zijn er nog bijgebouwen voor wonen, eten, kantoorwerk en een expositieruimte over de geschiedenis van de tempel.

Maar dat is een ordening die me niet veel doet. Na drie weken wandelen, zitten, lezen en schrijven blijft de taoïstische godenwereld toch een mystiek fantasy-universum waar elk moment Jet Li en Zhang Ziyi op muziek van Tan Dun vanaf de daken kunnen komen zweven. De filosofische teksten van Laozi en Zhuangzi vind ik dan nog concreter.

Ik besluit in mijn eigen volgorde van belangrijkheid de lievelingsplekjes in ‘mijn’ Baiyun guan uit te zoeken, want met mijn dubbele naamsverwantschap vind ik dat ik me er toch best een beetje mag thuisvoelen. Zo is er de binnenplaats van Cihang, die in het boeddhisme beter bekend is als Guanyin; een naar verhouding klein en knus hof waar je rond het middaguur de monniken met hun kommetjes ziet langskomen voor hun middagmaal in de eetzaal. Er staan leuke kleine boompjes, niet alleen donkere cypressen. Het heeft daardoor een vriendelijke, lichte uitstraling. Maar het is ook wel een beetje een doorgangshof met ingangen aan vier kanten. De grote binnenplaats van de San Qing heeft een serene ruimtelijkheid waarin het alledaagse van de bezoekers op een nonchalante manier een andere dimensie krijgt.

Mijn favoriet is de binnenplaats bij de tempel van de Acht Onsterfelijken, de Ba Xian – een vrij liederlijk gezelschap van drinkebroers, bedelaars, dichters, fenomenale zwaardvechters en zelfs een van de weinige vrouwelijke taoïstische helden, He Xiangu (later Witte Pioen). Ondanks haar vroomheid bleek ze het spel van wolken en regen zo goed te beheersen dat ze Lü Dongbin, die min of meer de leader of the pack was, wat van zijn onsterfelijke zaad wist te ontfutselen. Maar hoe menschlich all zu menschlich ze ook waren, ze waren natuurlijk niet voor niets onsterfelijk geworden. Ze hadden het licht gezien, de tao gevonden en waren daardoor ook perfecte rolmodellen voor iedereen die na een ruig en losbandig leven besloot zich aan de tao te wijden.

Het hof van deze Acht Onsterfelijken is klein en besloten, met maar één ingang. Aan de ene kant staat de tempel voor de hele club van acht, aan de andere kant is er een speciaal voor Lü Dongbin. Het voordeel van zijn tempel is dat er een bankje voor staat waar je met je rug tegen de muur kunt leunen. Alleen is rond deze tijd van het jaar de zon al rond half drie weg. Op een van de ochtenden dat ik er zit, komt een jonge monnik de tempel uit met al het fruit dat daar dagelijks door de bezoekers wordt geofferd. Hij herkent me en geeft me een grote appel. Het fruit, vertelde broeder Heven me, eten ze zelf op of ze geven het aan de armen. Dat treft, denk ik als ik in de appel bijt, ik had nog niet ontbeten. Het geeft een geruststellend gevoel als je soms het eten gewoon krijgt toegestopt.

In dit hof vind ik ook een verwijzing naar de naam van de tempel, de Baiyun guan. Aan de achterkant van de Acht Onsterfelijken-tempel staan twee pilaren waarop een gedicht is geschreven. Volgens een vertaling die ik op internet vind (en die volgens broeder Heven dus niet kan deugen) staat er:

‘In the universe, the purple qi shows the magic power of Tao
Deep in the white clouds is where the celestials live.’

Wolken en onsterfelijken zijn eeuwig met elkaar verbonden. In het aardse leven zwerven ze van tempel naar tempel en van berg naar berg, iets wat ‘yun you’ wordt genoemd: zwerven als een wolk. Uiteindelijk verdwijnen ze uit de wereld. Volgens Zhuang Zi hebben ze er na een leven van duizend jaar genoeg van en vliegen ze op een witte wolk naar de hemel.

Al die binnenplaatsen hebben zo hun eigen aantrekkingskracht, hun eigen sfeer, hun eigen verhaal. Maar terwijl ik de verschillende ruimten op me laat inwerken, schiet me het verhaal over het wiel te binnen uit de DaodeJing van Lao Zi, een van de bekendste boeken van het taoïsme: ‘Dertig spaken steken samen in één naaf, maar het wiel functioneert dankzij het naafgat.’ Zoals de spaken draaien rond een lege cirkel, staan de tempelhallen om een binnenplaats. Het is gewoon veel eenvoudiger de binnenplaatsen te onthouden, dan al die verschillende gebouwen met hun goden, patriarchen en onsterfelijken. In een paar lijnen schets ik een eenvoudige plattegrond, waarin alles als vanzelf op z’n plek valt. Als je een ruimte wilt leren kennen, moet je beginnen de ruimte te zoeken en niet de plekken die al vol zijn. Of, zoals Lao Zi zegt: ‘We maken een huis met openingen voor deuren en ramen, en door die lege plekken wordt het huis bruikbaar.’ Dat noemen we niet voor niets ‘openingen’.

Over de auteur:

Pay-Uun Hiu is musicoloog en journalist. Ze is redacteur bij de Volkskrant, waar ze onder meer bij de kunstredactie werkzaam is geweest. Ook schrijft ze al jaren voor de kookrubriek de Volkskeuken. Muziek, eten en de zoektocht naar haar Chinese achtergrond bracht ze bij elkaar in het boek Oranje Soep van Witte Wolk (De Geus). Haar meest recente uitgave betreft het boek De wereld van de Zeedijk, een fotohommage aan de Amsterdamse Zeedijk, met fotograaf Eveline Renaud en oud-Parool journalist Corrie Verkerk. Hiu schreef daarvoor de teksten over de Aziatische ondernemers en Chinatown Amsterdam.