thema:

Bloemblaadjes (fragment)

Vertaling:

Beïnvloed door de jaren, door wat optimisten ervaring noemen en wat in feite niet meer dan een roestlaag is, een soort salpeter dat in staat is alles aan te vreten, kan ik nu bij die naam een glimlach niet onderdrukken, waarbij ik me belachelijk voel maar tegelijkertijd te vriendelijk voor mezelf. Die avond, toen ik haar eerste spoor ontdekte in het toilet van Café Colón, een van de restaurants met geraniums in de vensterbank, leek het me onvermijdelijk haar zo te noemen. Ik was de buurt via de boulevard binnengekomen, liep omhoog over de marktstraat en ging bij de hoek van het park rechtsaf, omdat ik zag dat het restaurant vol zat. De gasten waren zo druk bezig met het bemachtigen van een tafeltje dat het me geen enkele moeite kostte het damestoilet binnen te glippen. Het spoor bevond zich in het eerste hokje en trok onmiddellijk mijn aandacht: op de witte welving van het toilet had een jonge vrouw met een vaag naar vocht zwemende geur twee grauwe vlekken achtergelaten die zo licht waren dat ze, als ik niet was gekomen, door elke nieuwe bezoeker zouden zijn uitgewist. De kwetsbaarheid van de vlekken, als die van een oud en verrimpeld gezicht, joeg me uiteindelijk angst aan. Met mijn gezicht nog steeds naar het water in de pot gewend, probeerde ik me een voorstelling van haar te maken, maar dat was zinloos. Het was als kijken naar een knoop zonder een uiteinde te vinden waar je kon beginnen om hem los te maken. Het enige wat in me opkwam, was mijn gulp los te knopen en zorgvuldig over de twee cirkeltjes heen te plassen totdat er op de tegeltjes niets anders over was dan mijn eigen geur, intens en met een vleugje sinaasappel. Toen was ik alleen, zonder een straat of toilet waar ik haar terug kon vinden. Als ik haar had zien weggaan, was ze misschien een mager meisje gebleken dat halverwege de avond een café uitkomt, of de dochter van een gedrongen en roodharig heerschap. Maar omdat dat niet gebeurde, voelde ik me genoodzaakt haar vlekken en geuren te achtervolgen – het enige wat ik kon herkennen van de Bloem – om aan de hand daarvan de reden van die bleekheid, van die kwetsbaarheid te ontdekken, die zo groot was dat ik me haar met een zware last voorstelde op een oppervlak dat het elk moment kon begeven.

Die week ging ik elke avond terug naar Café Colón. De urinevlekken die ik aantrof waren weerzinwekkend: kleine groene zuippartijen zonder enige fantasie, vermoeide blazen, hier en daar wat kabaal. Ik wachtte. Wachtte urenlang en kwam verscheidene dagen daarna weer terug. Uiteindelijk raakte ik ervan overtuigd dat de Bloem niet per se meer hoefde terug te keren: mensen hebben de neiging om plaatsen heilig te verklaren en door er vaak te komen slijt de herinnering. Een andere mogelijkheid die ik bedacht was dat de Bloem die avond alleen maar het restaurant was binnengelopen om naar de wc te gaan. Dus besloot ik in de omgeving te gaan zoeken, op straat, en in de toiletten van andere gelegenheden.

In die dagen bezocht ik verschillende plekken. Eerst struinde ik de straten af die naar beneden lopen in de richting van de brug, links van de Tiberboulevard (komend vanuit het zuiden), waar ook de bakker is. Telkens weer liep ik aan de overkant van het park, ik stopte om naar de zwervers te kijken, die op dat uur van de dag al hun gitaar hebben gepakt en liedjes zingen in hun onbegrijpelijke taal. Zoals elk jaar waren het de meisjes met losse, rossige haren die me tegenover de groep deden stilstaan, de meisjes die ik nooit durfde te benaderen. Maar die zomer bleef ik misschien wel voor het eerst niet lang achter de struiken aan de rand van het park staan. Die zomer hield ik me bezig met het achtervolgen van een andere vrouw, van wie ik me slechts bij flarden en met moeite een voorstelling kon maken. Die zomer kon ik het niet laten om bij cafés naar binnen te gluren en aandachtig gezichten en huidschakeringen te bekijken. Iets, waarschijnlijk het trieste van de vlekken die ik in het toilet had gezien, deed me denken dat de ogen van de Bloem onmiskenbaar asgrijs waren. Wanneer ik eindelijk had besloten welke plek het zou worden, ging ik naar binnen onder het voorwendsel dat ik een groep vrienden zocht, en als ik geen spoor van haar aantrof zette ik een verbaasd gezicht op en vertrok weer, met een diep gevoel van onbehagen. Toch bleek de methode doeltreffend.

Op een zaterdag voor tienen stuitte ik op het tweede teken, dat ik aantrof in een eettentje aan de andere kant van de boulevard. Ik liep meteen door naar het damestoilet, dat veel bescheidener was dan het eerste. Nu waren haar sporen bijna kleurloos, als die van iemand die slaapt, of misschien van een gek. Maar de geur was heel sterk: zuur zweet op een bedje van wijn en die walgelijke geur van ouderdom, van iemand die in blessuretijd leeft. Ondanks dat alles en ondanks de vorm van haar vlekken, langgerekt en kaal als de uitwerpselen van een vis, raakte ik ervan overtuigd dat ze niet ziek was, maar dat de zwakte van haar lichaam een andere oorzaak had.

‘Je reinste dronkenschap!’ zei ik gefrustreerd hardop, alsof ik het einde van een film voorspelde. Een mevrouw in het hokje naast me gilde dat er een man op het toilet zat. Ik schrok een beetje maar besloot er geen aandacht aan te schenken, controleerde of de knip goed op de deur zat en bleef een paar minuten naar de bodem van de pot kijken, omdat ik de vondst optimaal wilde benutten, maar ook omdat ik ontdekte dat ik het prettig vond haar dichtbij te voelen, niet uitsluitend als onderzoeksobject maar als een soort verschijning, net als iemand die het geluk heeft bij een zonsverduistering of een vlinderoorlog te zijn. Gelukkig waren er bijna geen mensen en luisterde er niemand naar die mevrouw, die haastig het toilet verliet zonder haar handen te wassen. Even later klom ik uit het raam boven de wastafels naar de achterkant en ging op een paar traptreden dicht bij de boulevard zitten, waar mijn krachten het langzaamaan begaven. Die avond begreep ik te midden van het lawaai van de auto’s dat er soms maar één enkele deur is en dat ik niet door een achterraam uit deze geschiedenis kon stappen, zelfs al zou ik dat willen. Op een amper te bevatten manier was het mijn plicht haar te vinden en haar van iets af te brengen wat ik niet eens wist te benoemen, iets wat ik misschien zelf wel verzon. Ik keek naar de boulevard en zag op zijn minst vijf restaurants die ik nog niet had aangedaan. Het was te laat om ze allemaal voor sluitingstijd te onderzoeken. Om niet te blijven peinzen stond ik zo goed en zo kwaad als het kon op en begon te lopen.

Het kostte me veel tijd om een aannemelijke plek te vinden en toen ik, nadat ik de hele buurt had afgestruind, op de verlichte deur van het Mazarín stuitte, was ik zo moe dat ik bijna onverrichter zake was vertrokken. Hoewel er geen reden was om te denken dat de Bloem zich op een dergelijke plek zou bevinden, ik bedoel dat het er veel duurder is dan bij de andere gelegenheden, en er op dat tijdstip bijna geen gasten waren, waagde ik toch een poging. Ik liep de hal door en bekeek de twee met planten versierde verdiepingen en het terras waar de laatste gesprekken klonken onder het geklater van een fontein met groen glinsterend water. Daarna zocht ik de toiletten op om een spoor te herkennen dat mijn inspanningen kon rechtvaardigen. Snel glipte ik naar binnen, ervoor zorgend dat niemand me zag.

fragment uit het kortverhaal ‘Pétalos’ (Bloemblaadjes), verschijnt eind december in zijn volle lengte in het papieren nummer, Terras05 ‘Maken en Breken’

Over de auteur:

Guadalupe Nettel werd in 1973 geboren in Mexico, maar bracht een deel van haar leven in Frankrijk door. Ze werkt voor diverse Franse, Spaanse en Latijns-Amerikaanse bladen en literaire supplementen. Ze schrijft afwisselend romans en verhalenbundels. Haar werk is in vele talen vertaald. ‘Bloemblaadjes’ komt uit de bundel 'Pétalos y otras historias incómodas' uit 2008, die internationaal verschillende prijzen kreeg. De roman 'El huésped' uit 2006 (in 2010 in Nederland verschenen als 'De gast') werd onderscheiden met de Duitse Anna Seghersprijs. In 2011 verscheen de roman 'El cuerpo en que nací' en in 2013 de verhalenbundel 'El matrimonio de los peces rojos', waarvoor ze de Premio Internacional Narrativa Breve kreeg.

Over de vertaler:

Melani Reumers (1967) is in april 2013 afgestudeerd aan de Vertalersvakschool als literair vertaler Spaans. Vertalingen van haar hand zijn eerder gepubliceerd in nummers van KortVerhaal en Terras; verhalen van Antonio Ortuño, Antonio José Ponte en Guadalupe Nettel en gedichten van Antonio José Ponte. Sinds kort schrijft ze ook, zowel in het Nederlands als in het Spaans. In januari 2014 verschijnt een Spaanstalig verhaal van haar in een bloemlezing van Aula de Escritores in Barcelona.