thema:

Brainy branie

Bij Arno Schmidts Geleerdenrepubliek

Arno Schmidts werk leerde ik kennen zoals eigenlijk iedereen dat zou moeten doen. Brooddronken jong, met open hemd fietsend langs een zinderende Oostzeekust, hier en daar halt houdend op het bordes van een vervallen huis in een leeggelopen streek, paperback in de aanslag. De confrontatie aangaan met die viriele betweters van protagonisten, allen afspiegelingen van een alwetende auteursgeest, in de overtuiging in hen een gelijke te hebben gevonden voor de eigen volheid. Hybris voor je twintigste, die zij iedereen vergeven. Maar Schmidt is een schrijver die aan je blijft kleven. De onnavolgbare kwinkslagen, het intertekstuele spel met een hoogstpersoonlijke canon, de souplesse van de taal, het speelt allemaal een rol in de cultstatus die Schmidt in Duitsland geniet en in de fascinatie waardoor ik nu al bijna 15 jaar bevangen ben. Des te onbegrijpelijker is het voor mij dat deze auteur van formaat in de Lage Landen nooit echt voet aan de grond heeft gekregen. Zeker een knetterende klassieker als Die Gelehrtenrepublik. Ein Kurzroman aus den Roßbreiten (1957) verdient ook te onzent een ruimer publiek.

Een representatief fragment lichten uit De geleerdenrepubliek is echter een heikele zaak. Het relaas van de protagonist van deze satirische toekomstroman, de Amerikaanse reporter Charles Henry Winer, beslaat namelijk meerdere gebeurtenissen en uiterst heterogene omgevingen. Zo krijgt hij de toestemming om de ‘International Republic for Artists and Scientists’ uit de titel te bezoeken, een Verniaans ‘bestuurbaar eiland’ geconcipieerd om belangrijke artefacten en ook levende zwaargewichten uit de wereld van kunst en literatuur voor een eventuele volgende atoomoorlog te vrijwaren. Officieel wordt het reusachtige schip met aan boord een keur aan dichters en denkers het grote publiek als ‘Drijvende Parnassus’ en ‘Helicon in de Sargassozee’ voorgespiegeld, maar niets blijkt minder waar, want ook dit île à hélice blijkt overgeleverd aan de spanning tussen de traditionele machtsblokken, die de oude Koude en nieuwe Hete Oorlog hebben overleefd. Daarbij is het verzet van de Russische bakboordzijde tegen het eeuwige geklep van de twee stuurboordkappelletjes slechts het topje van de ijsberg: Winer wordt getuige van een wel heel macabere diplomatieke braindrain, dr. Moreau (Wells) en dr. Lerne (Renard) loeren altijd om de hoek.

Maar er is meer! Voordat hij het eiland bezoekt, mag Winerrelaas ook de ‘hominidensector’ in, een zone waarin de atoomoorlog op Amerikaanse bodem tot eigenaardige fauna en flora heeft geleid. In feite wil de legerstaf hem daar middels foute raadgevingen laten omkomen, om de publicatie van zijn relaas bij voorbaat te verhinderen, maar slinkse waarschuwingen van een barmhartige majoor (een naamgenoot van de door Schmidt bewonderde politicus en historicus George Bancroft) weten hem voor dit lot te behoeden. In de sector ontmoeten we menselijke mutaties, onder meer centauren en de gevreesde ‘never-nevers’. Daarbij ontspint zich ook een romance tussen Winer en Thalja, een jonge centaurin – nergens werd bestialiteit sensueler beschreven dan hier. Maar de idylle is bedrieglijk: op de achtergrond zoemt de stekend bruine erfenis van de eugenetica mee.Uit deze synopsis moge blijken waarom elke selectie tekort schiet. De ‘paardenbreedten’ uit de ondertitel verwijzen naar zowel de maritieme ligging van IRAS als de hominidensector, en beide ‘helften’ van de roman horen even onlosmakelijk bij elkaar als geest en (onder)lichaam.

En dan is er nog de kwestie van de vertaling. Winers wedervaren mocht, zo leert ons het fictieve colofon, krachtens een wet over ‘bedenkelijke geschriften’ uiteindelijk alleen maar verschijnen middels ‘vertaling in een dode taal, voor zover verenigbaar met de staatsraison alsook eventuele literaire belangen’. Die dode taal is het Duits. Ook op het oude continent heeft de Derde Wereldoorlog fatale gevolgen gehad, en Duitsland, andermaal een van de aanstichters, ligt van de kaart geveegd in de Europese atoomzone. Vanzelfsprekend is dit een politieke boodschap in de beste dystopische traditie, maar Schmidts constructie met de Duitse vertaler Chr. M. Stadion, conrector emeritus, is tevens een programmatische middelvinger tegen de preutsheid van de naoorlogse West-Duitse literatuur, die in het geval van Meerlandschap met Pocahontas (1953, vertaald door Jan H. Mysjkin in 2002) tot een proces wegens godslastering en pornografie had geleid. In een woord vooraf merkt Stadion namelijk met het oog op ‘de zacht uitgedrukt, uiterst vrijpostige en overbodig breedvoerig beschreven “sexual intercourse” van de auteur’ op dat het Duits ‘desbetreffend gelukkig geen uitdrukkingen meer [heeft] kunnen ontwikkelen die terzelfdertijd gangbaar en astrant genoeg zijn om [dergelijke] praktijken … met al zijn consequenties weer te geven. – Voetnoten zullen in voorkomend geval dergelijke hiaten trachten te dichten.’ Ten overvloede geeft een tabellarische vergelijking uitsluitsel over de mijlenver uit elkaar liggende ‘erotic drive’ van auteur en vertaler, respectievelijk 8,1 en een haast Contadoreske 0,04. Uit het fragment blijkt tot welke misverstanden dergelijke dorre filologenpruderie leidt.

Utopisch is De geleerdenrepubliek daarom niet in de eerste plaats als politieke satire, maar als sjeuïge, meertalige vrijplaats tegen een anemische, geatrofieerde vorm van literatuur. Niet de manende Clio, maar een gemaande Thalia voert er de plak. Ventre à terre, met haar smakkende Frans.

Over de auteur:

Iannis Goerlandt (1980) is literatuurwetenschapper, vertaler en redactiesecretaris van nY. Hij schreef een proefschrift over Arno Schmidt en vertaalde boeken van David Foster Wallace, Sheila Heti en Insa Meinen. Recent verscheen Schakelpauzes, een bundel met teksten van en over Thomas Meinecke die hij redigeerde samen met Arne De Winde, Michiel Rys en Dear Reader.