Blog | , november 19, 2015

Vertaling: ,

Brief aan d’Alembert over het toneel (fragment)

[…] Nu is het hoog tijd om over te stappen op een onderwerp dat minder zwaar en minder ernstig is maar ons nog voldoende ter harte gaat om onze aandacht te verdienen, en waar ik liever over schrijf omdat ik er iets meer verstand van heb, namelijk het plan om in Genève een blijspeltheater op te richten. Ik zal hier niet uiteenzetten wat mijn vermoedens zijn over uw mogelijke motieven om reclame te willen maken voor een instituut dat zo weinig strookt met onze normen. Wat úw redenen ook mogen zijn, ík heb alleen maar te maken met de onze; en het enige wat ik me permitteer over u te zeggen is dat u vast en zeker de eerste filosoof* bent die ooit een vrij volk, een kleine stad, een arme staat heeft aangespoord te streven naar de instelling van een openbare toneelzaal.
      Ik constateer dat er talloze vragen te bespreken zijn naar aanleiding van de vraag die u lijkt te beantwoorden, namelijk of toneel op zich goed of slecht is. Is het zedelijk verantwoord? Valt het te verzoenen met de ernst van een republiek? Moet het toegestaan worden in een kleine stad? Kan het acteursvak fatsoenlijk zijn? Kunnen actrices even deugdzaam zijn als andere vrouwen? Zijn goede wetten voldoende om misbruik de kop in te drukken? Kunnen die wetten wel worden nageleefd? Enzovoort. Er is nog geen duidelijkheid over de vraag naar de werkelijke invloed van toneel, want de discussies daarover zorgen alleen maar voor verdeeldheid tussen de vertegenwoordigers van de Kerk en van de wereld: ieder gaat puur van zijn eigen vooroordelen uit. Dat zijn kwesties, mijnheer, uw pen niet onwaardig. Ik beperk me in dit essay tot het zoeken naar de verklaringen waartoe u ons hebt gedwongen, hoewel ik niet geloof ze te kunnen geven; houdt u er alstublieft rekening mee dat ik door naar uw voorbeeld mijn mening te geven, mijn plicht vervul tegenover mijn vaderstad, en dat als mijn opvatting niet klopt, in elk geval niemand hinder heeft van deze vergissing.
      Bij een eerste blik op een instituut als het toneel zie ik om te beginnen dat het vermaak is, en natuurlijk heeft de mens vormen van vermaak nodig, maar u moet toch erkennen dat we die alleen mogen toestaan voor zover ze noodzakelijk zijn, en dat elk nutteloos vermaak schade berokkent aan de mens, wiens leven toch al zo kort en wiens tijd kostbaar is. Het menselijk

* Van D’Alemberts favoriete tweetal beroemde geschiedschrijvers die allebei filosoof zijn, zou de moderne misschien zijn mening delen; maar zou dat ook gelden voor Tacitus, van wie hij houdt, over wie hij nadenkt, die hij waagt te vertalen, de ernstige Tacitus die hij zo graag citeert en die hij – op zijn duisterheid na – soms zo goed imiteert?

 

Over de auteur:

Jean-Jacques Rousseau was een Franse filosoof en schrijver in de achttiende eeuw.

Over de vertalers:

Jan Pieter van der Sterre (1951) vertaalt Franse literatuur. Recente vertalingen: Hardlopen van Jean Echenoz, De mooiste van Beaudelaire, De zwangere weduwe van Martin Amis. Voor Raster schreef hij onder meer over Raymond Queneau.

Reintje Ghoos en Jan Pieter van der Sterre vertalen uit het Frans en uit het Engels, meestal als duo. Na Amis, Aciman, Miller en Fountain eerder, werkten zijn aan Ferrari (Prix Goncourt), de Goncourts zelf, Twan Tan en Echenoz.