thema:

Buys. Een grensroman (fragment)

Vertaling: ,

Willem Anker baseerde zijn tweede roman Buys op het leven van de raadselachtige rebel Coenraad de Buys die in 1761 in Langkloof werd geboren en in 1821 ergens in Mozambique spoorloos verdween.
Op 18 april 2017 verschijnt Buys in de Nederlandse vertaling door Karina van Santen en Rob van der Veer bij Uitgeverij Podium.

*

 

Kom en zie! De hagedis op de rots, een termiet in de bek. Zijn kaken beginnen te malen. Hij bespiedt de omgeving, vanaf hoog in de kloof. Zijn beet stokt, zijn oogballen rollen. Aan de kleur van zijn kop en voorpoten kun je zien dat hij gereed is om te paren. Hij pronkt met zijn roodbruine rug en kraag. Hij kijkt op, draait zijn kop naar rechts. Zijn blauwe nekvel spant zich.

Kijk, achter de rotshagedis verrijs ik uit het gesteente. Ik stof mijn hoed af, steek mijn pijp op. Aanschouw me: Ik ben de legende Coenraad de Buys. Kom, laat ik je besmetten, mijn erfelijk belaste lezer. Als je hier leest, zie je wat ik zie. En ik zie alles. Ik ben van alle dagen, ik ben onsterfelijk. Noem me geen ziel. Ik heb een heel stel namen. Noem me eerder Coenraad of Coen, als je mijn moeder of zuster bent. Noteer me als De Buijs, De Buys, Buys of Buis, net zoals het je goeddunkt. Noem me Koning van de Basters, Khula, Kadisha, Moro, Diphafa of Kgowe. Ik ben ze allemaal. Ik ben alomtegenwoordig. Ik ben Alom-Buys. Je zult me aantreffen in vele gestalten. Je zult me tegenkomen als rondtrekkende boer en antropoloog, rebel en historicus. Ik ben een vagebond en een boekengek, ik ben smokkelaar, minnaar en natuurvorser. Ik verschijn als jager, veelwijver, redenaar, plunderaar, patriot, stenenneuker. Ik ben een krijger en een leugenaar, ik ben een fielt en verteller van mijn eigen verhaal. Ik zal je verblinden en verbijsteren met mijn gestalten, met mijn alvermogende blik. Ik ben een trekvogel, ik neem je mee op mijn vlucht. Streel mijn kruis en je zult merken dat ik geen engel ben. Ik ken je goed. Ik weet dat je je blik niet van me kunt afhouden.

Mag ik je nog meer influisteren? Je oorhaartjes trillen wanneer mijn adem nabij komt. Reis met me mee door ’s mensen heugenis, over de onbewegwijzerde zandvlakten tot naar het prille voetspoor, het eerste aangelegde vuur, de troep aapachtigen die zich overeind worstelt tussen het hoge gras. Hoor in de grotten het gestamp van de voeten. Kijk hoe mensdieren op rotswanden krassen en schilderen, hoe ze de kogelbaan tekenen van halfmensen die onderweg zijn, reizen tussen hand en poot, snoet en neus, op doortocht naar de andere kant.

Hoe ver ben je bereid mijn spoor te volgen? Ben je nu al te bang? Aanschouw de letsels van mijn voortgang, de merktekenen van mijn huid op de moederaarde. Opgelet: Mijn huid is dit stof en zand. Hoor me in elke voet en hoef die neerkomt. Zie me weerkaatst in ieder oog dat in een vuur zit te staren; ik ben zowel spoor als spiegel. Ik ben van dit land, getogen als gesteente.

Kijk, de blauwkophagedis slikt de termiet door, verzet voorzichtig zijn poot, tast nauwelijks de grond af. Luister, de geschiedenis begint te beven, het stof van vergeten veldslagen en onopgetekende sterfgevallen komt los, ritselend onder de ziedende bodem.

Storm met me voort door de ijlingse vlucht van de tijd, naar waar de jagers en de knollengravers plaatsmaken voor herders en akkerbouwers. Voorwaarts, door tijdsgewrichten van rondzwerving en nederzetting. Snel langs zeevaarders die kruisen planten, overal waar ze maar naartoe drijven. Scheer langs scheepswrakken met de naam van heiligen, te pletter geslagen op de ruwe rotsen van De Goede Hoop. Waad met me mee door de stromen van bloed: gutsend uit neuzen tijdens een dans, stromend uit lichamen, langs heften en lemmeten van hout en ijzer, later uit kogelwonden, van oudsher uit moederschoten, uit maagden en navelstrengen. En altijd weer teruggeslurpt, al dat bloed, de grond in.

Zoals door de spiraal in de loop van een roer, bij elke draai gezwinder: Schiet over de bergen en dalen en Kompanje-tuinen, over het land, over deze stortplaats voor noordelijke rovers en lasteraars. Scheer over de kreten en zuchten van dieren en mensen. Vlieg over de aanvoer van slaven en dan de aanvoer van paarden, over de beenderen van de Strandloper en de resten van Van Riebeecks middagmaal, over forten die hier kastelen worden genoemd, over de eerste Nederduitse preken, de eerste suiker, de eerste brandewijn, over het bloed, over oproer en revoluties, over gevierendeelde opstandigen en donkere gaten van gevangenschap. Flits over oorlogen en Christenen en Hottentotten en Kaffers en Hugenoten en Hollandse jenevermoed en boerenbedrog en pokken en Groot Constantia en de Grote Visrivier, over rivieren met afkalvende oevers en over vastgroeiende grenzen. Wat kom je hier zoeken? Weet je waarom je me komt zoeken? Wat ga je doen als je me vindt? Vooruit, kniel neer bij het eerste het beste kadaver en kijk hoe de vliegen bijeenkoeken als een openbloeiende kosmos; kijk! Deze grond wist uit en verteert. Hij slurpt de geschiedenis op en kookt hem in tot er niets van over is.

Luister, de liederen van het land galmen over alles heen. Hoor de mensengezangen, de veldgezangen, het gekrijs en de kreten. Hoor alleen maar de maatslag op metalen en stokken en huiden en stenen, op pensen en poten, op aardewerk uit de aarde. Over deze stomme wereld heen het gebulder en gebulk, het gejank en gehijg. De klappen en knallen. Heel hard, heel stil. Héél voorzichtig zet de hagedis zijn poot neer, ik zou zweren dat hij het bloed in de grond ruikt.

Misschien voel je je veiliger in de achterkamers van musea? Ik ben de voelspriet van het zilvervisje in elk archief. Ik heb toegang tot elke pagina. Ik vreet wat ik lees. Laat ons dan door de namen ritselen op kaarten van nieuwe rivieren en nieuwe bergen en lengtecirkels en breedtecirkels en zendelingen en oude goden en een nieuwe vastgespijkerde god en kerken en grotten en de wieg van het mensdom. Vlieg met je blik over moord en doodslag en verkenners en migranten en rebellen en zwervers en conflicten en strafexpedities en slavenopstanden en veedieven en kolonisators en lijken, al die lijken. Voorwaar, zelfs van deze afstand de weergalmende slagen en schoten, ja, zelfs uit de bladzijden van blozende geschiedschrijvers. Ik heb het allemaal gezien, elk woord gelezen. Ik vergeet niets en vergeef bitter weinig.

Kom en zie! roept mijn stem in deze halfwoestijn. Kom kijken hoe het land zijn zegels voor je verbreekt. Hier waar geen toevlucht zal zijn voor de herders, noch ontkoming voor de machthebbers over de kudde. Hier waar de Melkweg zich spant als de ruggengraat van een halfdood vaal paard dat duizelend het gewelf boven De Lange Cloof overeind houdt. Vlaktes met rotsschilfers en zand, soms roodbruin als oud bloed en soms wit als gebeente. In het noorden en het zuiden liggen rijen bergen als versteende olifanten die zich uit de aarde omhoog wrikken en dan halverwege opgeven en door de eeuwen heen opnieuw door bos en gesteente worden bedolven. Je ziet nog steeds de plooien van hun schoften, de oude nekken en slappe slurven die zich uitgeput mijlenver over het landschap uitstrekken, maar wanneer je denkt dat je ze hoort zuchten, is het slechts de wind. De bergwanden zijn ruig, de kloven nat en begroeid met varens. De rotsribbels scheuren zich uit de groene huid van de bergkammen. De mensen bouwen hun huizen dicht bij de rivieren en vernoemen hun boerderijen naar de waterstromen. De boerderijen liggen op een rij, een wereld van rundvee in het westelijke deel van de vallei, een wereld van zitten en kijken. Als je opstaat en om je heen kijkt, zie je je hele grondgebied en zie je je verdomde buurman al van veraf aankomen.

Als je goed kijkt, zie je het huisje van opeengepakte stenen en riet. Als je scherp luistert, hoor je de mensen in huis druk in de weer rond het stervende lichaam van een vader. De hagedis zul je niet meer zien. Nog voor zonsondergang heeft de valk hem verschalkt.

Over de auteur:

Willem Anker (1979) is een Zuid-Afrikaanse schrijver en werkt als docent Creatief schrijven aan de Universiteit van Stellenbosch. Als dramaturg werd Anker in eigen land bekend met bekroonde toneelstukken als Skroothonde, Slaghuis, en Samsa- masjien. In 2007 debuteerde hij als romanschrijver met de experimentele roman Siegfried, een verhaal over een dertig-en-nog-iets-jarige geestelijk gehandicapte die zijn leven lang met zijn vader op een afgelegen boerderij woont. Voor het onderzoek voor zijn tweede roman, Buys, ontving Anker in 2011 de Jan Rabie en Marjorie Wallace-beurs.

Over de vertalers:

Karina van Santen (1956) heeft Frans en Nieuw-Grieks gestudeerd aan het Instituut voor Vertaalkunde in Amsterdam en vertaalt sinds 1984 literatuur uit het Engels en Frans, en sinds 2009 ook uit het Afrikaans. Naast romans en schrijversbiografieën vertaalt ze ook artikelen op het gebied van architectuur, kunst en filosofie, en heeft lesgegeven aan de Vertalers Vakschool in Amsterdam. Om de paar jaar organiseert ze het Grote Boekvertalersfeest, waarvoor vertalers hun uitgevers en redacteuren uitnodigen en waar de favoriete redacteur wordt gekozen. Ze heeft werk vertaald van o.a. Samuel Beckett, Raymond Queneau, Simon Schama, Salman Rushdie, Karen Armstrong, Jean-Marie Blas de Roblès, Catherine Millet, Vikram Chandra, Mark Z. Danielewski, Jean Genet, Allison Pearson, Roland Topor, Karin Slaughter, Fay Weldon, DBC Pierre, Etienne van Heerden, S.J. Naudé, de liefdesbrieven van Ingrid Jonker aan André Brink en thrillers van Deon Meyer.

Rob van der Veer werd opgeleid aan het Instituut voor Vertaalkunde in Amsterdam. Sinds het begin van de jaren tachtig vertaalt hij voornamelijk romans, van schrijvers als John Banville, André Brink, Nicole Krauss en Damon Galgut. Sinds 2007 geeft hij les aan de VertalersVakschool . Tot voor kort vertaalde hij uitsluitend uit het Engels, maar inmiddels zijn ook zijn eerste vertalingen uit het Afrikaans verschenen, werk van Anna M. Louw en Karel Schoeman. Hij bespreekt regelmatig Afrikaanse literatuur in de leeskring van het Zuid-Afrika Huis in Amsterdam.