thema:

Dance Fiction & twee andere gedichten

Vertaling:

Een dag als december

 

deze dag is glaciaal van aard.

hoe kan het anders: er ligt een winter onder.

het couvert van wolken is nog ongeopend.

al gaat deze zending me aan, par avion.

de hemel hoort bij een grijze branche.

er hangt een nieuw soort toon: diëtetisch licht.

de zon houdt tenminste de schijn op.

de populieren aan de einder irokezenbosjes.

lanen leiden almaar labiaalwaarts.

ook zij zijn door sneeuwval gepuncteerd.

wat tot nu toe viel wijst op een hoepelrok.

het landschap landschappelijk als nooit tevoren.

waarvan ik ook nog weet:

wat poelen geven zich aan bossen als glazige ordes.

maar de warmtevlokken van de vogels

doen iets anders vermoeden.

 

 

De toedracht regen

 

we bekeken het gefragmenteerde water als verschijnsel
tussen de adjectieven licht en stormachtig.

het regende nooit maar een keer per regen.

soms voelden we hormonen op ons afkoersen.

soms: robuuste antoniemen van woestijn.

we voelden de regen als het drinkbaarste weer.

als hydrogeniteit.

het regende meestal van het universum weg.

of op het universum af.

oceanen gleden over onze hoofden heen. capsules,
met zichzelf gevuld.

en met de data van het eerste uur.

 

 

Wolken

in beginsel niets. anderzijds een jehovakleurig amper.

het kundig simpele evenbeeld van natheid. influenced by water.

in beginsel niets. alleen onspectaculaire spectrale domeinen,

dwars de hemel over gesmokkeld. vage sferen

en sferen op zich. in beginsel niets. soms

als cyclische permutatie van een vermeende samenhang.

stille tracks in de tabulatorfunctie wind.

showrooms zoals dat wat ertussen lag. in beginsel niets.

ooit uitlopend op de output van iets

dat voor de hand ligt. return.

 

 

Surrounding sneeuw

 

we houden van deze kille fractale grammatica.

het fijngebouwde tuimelen van de sneeuw in de lucht.

het complexe dansen van de fijngebouwde sneeuw
in de atmosfeer.

het nieuwe land voor de white boxes van onze ogen.
dat vereenvoudiging van de omgeving behelst.

we houden van die geruisloze hoeven van het begin
van er ligt sneeuw.

we houden van die gecompliceerde intensive cares
van een bijzonder klimaat.

hun terughoudende gecompliceerdheid.

de aanschouwelijkheid van specifiek gebrek aan evenwicht.

we houden van deze zichzelf bewijzende turbulentie.

en de verschijning an sich (als herinnering
aan deze verschijning).

voorzichtig houden we van het vreedzame overbombing.

en later van het sluipende constructivisme
van een wit sanskriet op de dingen.

 

 

Equadorie

 

het regenwoud was een vloeistof.
het groen een substantie. we droomden van dehydreren.

de moskito’s, we zeiden beestachtig Chili,
leken de macrobiologische uitwerking van het kwantumsteektheoreem.
van de bomen drupte mildheid.

we leerden het guanine uit onze blik
te elimineren (en droomden van eenvoudige dimensiebeschouwing).
alles had een bevrijdend nucleotide effect.

diverse fotonenbundels
bewogen op de bodem als dance fiction.
we droomden van de eigenschap sneeuw.

de vrij levende ventilatoren boven ons herinnerden aan kolibries.
ze waren de snelste stilte van de dag.
we hadden nachtmerries van de keerzijde van het koolstof.

urenlang hetzelfde wisselende beeld
van een vrij polygone vegetatie. de hitte was despotisch.
we droomden er lang van.

de genetische delen van het landschap hadden biomorfe trekken.
in vergelijking daarmee leken we wel anorganisch.
we droomden van ons tarzannige zijn.

soms veranderde de materie onze richting.
een reservoir roofdier veelal.
we droomden van noachiaanse opnameapparatuur.

toen wind kwam opzetten voelden we de weerslag van de oerknal.
hier braken we af, alleen de taal liep door.

 

 

 

Omgeving voor personen met discontinu thuisland

 

ik voelde je door tot je te ontwaken op de morgen
van de bezette horizon,
de torens seinden
al Mekka door, maar ik investeerde andere tekens
en nog voor het bereiken van het colofon
ontsloten we de stad
door een oceaan,
morfische velden en groene golven, onze wimpers
bewogen steeds zeven malen
voor de telescopen van de mangagroepering,
dat wakkerde mijn sympathie aan
al was het intussen mei, aswoensdagmei,
zei jij, zo
had de grootvizier van de week het geaccepteerd,
ons sparringvoorbeeld
aan de grens met de westelijke sneeuw
die soms op jouw huid plaatsvond waar ik,
in mezelf verbloemd,
hem als volstrekt donker kuste, tot je me stopte: jij
liet ons jouw toorns zien,
die een fraaie patrouille waren
op het verlichtingsstrand, we gaven ze het vlies
en namen eerst het dynamiet weg, allemaal
een goede nacht, papa,
ik stelde nog
eens kleinere eenheden voor van kapitaal,
bijvoorbeeld: de dichter is een bloem, zette de klok op
oneindig
en zag: in de verte paste Borges
op Sheherazade.

 

 

 

Ansichtkaart

 

Haar vingers streelden als gummen
uit het Oostblok, maar ze bewogen niet
zo. Steeds ging de zon
op, zuivere zon
als een resultaat voor de belastingaftrek.
Op safari zagen we de herten nooit
zo lang onder water om niet te piepen.
We legden afstanden af,
via weilanden waarin diep van binnen
het andere van het groen zat.
Er waren veel planten afgebeeld, gele linten
aan de spinnen toonden
dat hier een grens overschreden was.
Als het schemerde doopten de inlanders
de horizon in een licht
waaruit koelte sprak.
Omdat we er het fijne van wilden weten:
ze hadden sokkels
voor God, bloedden een beetje. Sommigen
raakten ons tot in ons hart.

Over de auteur:

Ron Winkler (1973) is Duits auteur. Hij studeerde geschiedenis en germanistiek en schreef meerdere dichtbundels, waaronder Frenetische Stille (2010) en Prachtvolle Mitternacht (2013). Daarnaast vertaalt hij poëzie uit het Engels, van o.a. Billy Collins.

Over de vertaler:

Ton Naaijkens (1953) is vertaler, essayist, redacteur van de tijdschriften Filter en Terras en hoogleraar Duitse literatuur en vertalen aan de Universiteit Utrecht. Hij vertaalde werk van Robert Musil, Paul Celan en Ernst Meister. In 2016 verscheen zijn vertaling van de bundel Chicxulub Paem van Daniel Falb.