Dansen met woorden om het ritme van betekenis op te sporen

Vertaling:

Dankwoord bij de ontvangst van de Zbigniew Herbert Prijs 2017

 

Ik droomde dat ik in het Théâtre Polski was, een plaats die door vele dromen wordt vereerd, tussen mensen die veel op mij leken, vreemdelingen net als ikzelf, en ik probeerde hun te vertellen wie ik ben en waar ik vandaan kom. Er vloog geen woord uit mijn mond – ook geen vogel of vlinder of mot. Zelfs geen kakkerlak. En toch begrepen zij alles…

Maar ik moest mijn opdracht zien te vervullen, hoe onmogelijk die ook was (‘twalking’ – doorgaan met praten – is  het toepasselijke Engelse neologisme) want het contact met de anderen was zwak, en ik had maar twaalf minuten om iets zinnigs te zeggen. Was het Ibn al-Arabí niet, die beweerde dat beweging de oorsprong is van bestaan? En bevestigde Robert Walser dat niet later door te zeggen ‘voortdurende beweging brengt ethiek teweeg’? Maar hoe moest ik mijn dankbaarheid voor de eer te zijn uitgenodigd of mijn waardering voor de gastheren tot uiting brengen? Mij schoot een gebod te binnen dat mijn Afrikaner mentor als schrijver, wijlen Jan Rabie, mij eens leerde: ‘De definitie van “houden van” is doorgaan met bewegen en geluid maken.’

Er bestaat inderdaad een onbezonnen voortvarendheid bij het schrijven, hoe paradoxaal die ook is. Een luciditeit in de overtuiging dat het licht dat paradoxen uitwist kan worden opgeroepen in de vorm van woorden die gedachten zullen zijn waarmee betekenis door geluid wordt overgedragen – zoals het spinnenweb zal trillen als het zich beweging herinnert en daarmee ook geheugen, zelfs als dat het opsporen van verdwijning is.

Je schrijft om het niet-weten uit te drijven – het idee van sterven is al een literair bedenksel – terwijl je gelooft (of de schijn ophoudt) dat de werkelijkheid van te leven wordt betrapt. En daarna schrijf je (je moet wel doorgaan) om de diepe kennis van sterven uit te drijven. Misschien zelfs van het niet-zijn. En dan schrijf je om dat besef te begeleiden, want minder kan je niet doen. En daarna hoeft het schrijven voor jou niet meer tot stand te komen om überhaupt te bestaan – want sterven heeft geen bewijs nodig noch een formulering noch een echo om te zijn.

Deze kennis verleent je misschien een beheersing van het nutteloze: je bestaat door te schrijven.

Ofwel: schrijven is (of wordt) het onverbiddelijke openvouwen van leven en het dichtvouwen van sterven ver voorbij de behoefte van het ik om als tussenpersoon op te treden.

Voor mij is dat een traject van zingen zonder stem, van tellen en roepen en benoemen en classificeren van de stenen die de kruispunten markeren.

Tegen het einde van de 18e eeuw schreef een ontdekkingsreiziger in zijn reisjournaal over de uiterste grenzen van de Kaap Kolonie – toen de hele wereld nog één geheel was en alleen maar hoefde te worden ‘ontdekt’ om te bestaan, toen menselijke wezens die op hun hoofd liepen om hun schaduwen te ontlopen en eenhoorns, en de fabuleuze goudmijnen van Koning Salomo nog de dromen vervulden van de denkers van de Verlichting – dat het Khoi woord voor ‘schrijven’ was coeroeo (tenminste, dat was wat de Europeanen hoorden en opschreven): hetzelfde woord dat werd gebruikt voor de kunst van de nabootsing. Schrijven, zou je dus kunnen zeggen, is een nabootsing van wat bestaat. Van vogels en vlinders en motten en kakkerlakken. Van stenen die je vindt op de wegen.

De weg heeft zijn eigen herinneringen bij de beweging en de verbeelding van het verdwijnen. En misschien kan deze wording worden gekopieerd in het bewegingloos verglijden van imploderende oppervlakken van een schilderij van Giorgio Morandi of het vliegen van een Tibetaanse monnik.

Want het heelal is zoals het altijd is – compleet en voorgoed veranderd in vergeten. En toch moet het worden uitgevonden en voor ons iedere dag helemaal worden ontsluierd om vooruit te kunnen gaan. Het doel van dichters en schilders is de wereld werkelijk te maken door te verzinnen hetgeen bestaat.

Ik heb geen minachting voor degenen die hun weg uit het dilemma (of in de contemplatie) vinden door middel van het spirituele of transcendentale, degenen die mogelijk wensen op te gaan in de oplossing van een Hogere Werkelijkheid, een religie, een ideologie or dogma, zelfs als die angstaanjagende extase alleen maar de illusie geeft van een illuminatie: de aanbidding van de Ene die veel te vaak, als een idolate zekerheid, tot intolerantie leidt en zelfs tot de eliminering van de Ander.

Evenmin bepleit ik het opwekken van creativiteit of van verandering of van het zoeken van een vorm als alternatief – of, noodzakelijkerwijs, de kunst van het alles loslaten hetgeen eigen is aan herinneren en verbeelden.

Wat ik zeker weet dat wij er steeds naar hebben gestreefd, vanaf het begin van de tijden, het leven te ervaren en te begrijpen – dat wij niet kunnen kennen – net zoals wij  ons niet-zijn moeten richten met één danspas tegelijk, één rotswand tegelijk, één dageraad van tijd als was dat de eerste en de laatste, één mislukking tegelijk, één wereld tegelijk, één leven tegelijk – wind na wind, wonder na wonder, vogel na vogel en duisternis na duisternis.

Dat is de les die onze gidsen in de poëzie, zoals Meester Zbigniew Herbert, ons geven: dat het woord geen remedie is voor de kwalen van de wereld en geen antwoord; dat het niet de representatie kan zijn van de werkelijkheid omdat het de werkelijkheid van het hier en nu is – en daardoor het enige altijd dat we kunnen kennen. Wij zijn onze eigen verdwijning. We leven om de ondraaglijke lichtheid van het bestaan te vieren, hetgeen de voortdurende initiatie door imitatie is van ons sterven.

In een schriftelijke vastlegging van een gesprek met Édouard Glissant op het schip Queen Mary 11, tekende Manthia Diawara uit de mond van Glissant, de dichter-filosoof uit Martinique, op: “De verbeelding van de wereld is iets anders. Dat is de intuïtie van alles dat kan worden aangeraakt op de wereld, alles dat hetzelfde is en alles dat verschillend is.  Wat verschillend is op de wereld is onze kracht. Ik zeg altijd dat het weefsel van het leven en het schildersdoek van culturen niet geschapen zijn op de basis van het gelijke, maar op het verschil. Het is de vereniging van verschillen die het weefsel schept van het levende en van het schildersdoek van culturen.” 

Ik ben afkomstig van een aarde die weer plat zal worden, waar de waardering voor verschil afsterft door diep gekoloniseerd politiek opportonisme ten bate van onwetendheid en onkunde. Het is de bedoeling dat mijn taal van vele moeders en vaders, van hybridisatie en anders-wording, tot stilte wordt gebracht en opgeslokt uit schaamte voor het verleden. De ‘nationale consensus’ decreteert dat wij niet langer een textuur of een overtreding of onzekerheid mogen toestaan om onze nieuwsgierigheid te bevredigen. Dat alles zal worden plat gemaakt door het moreel correcte gewicht van angst, conformisme, populistische slogans gehuld in de sluier van het nihilisme dat historisch determinisme wordt genoemd. Of anders gezegd: ten behoeve van vooruitgang en gelijkheid “is het niet meer dan natuurlijk dat de meerderheid meer rechten behoort te hebben dan de minderheden,”  aldus president Zuma van Zuid-Afrika. Alles moet plat worden, wat dan ook, zolang het geen ware transformatie, geen ware emancipatie, geen waar menselijk gedrag is voor het aangezicht van de eeuwigheid van een zich voltrekkende, ware afrekening met het verleden en de toekomst met een ware verantwoordelijkheid voor het leven.

John Berger, de Britse essayist, kunstenaar en dichter die kort geleden zijn tong schonk aan de stilte, schreef in And our faces, ny heart brief as photos dat “taal mogelijkerwijs het enige menselijke thuis [is], de enige verblijfplaats, die niet vijandig is voor een mens.” Poëzie, voegde hij daar aan toe, maakt dat taal om hem geeft. “Vaak is er niets dat substantiëler is om tegenover de wreedheid en de onverschilligheid van de wereld te stellen dan dat geven-om.”

Het is goed ons de troost van Berger’s woorden te herinneren  nu wij hier bijeen zijn om de poëzie te koesteren, die vreemde en ‘nutteloze’ discipline (beslist zonder belang) om het vormen / het herinneren / het ontkennen … van het menselijke bewustzijn op te roepen, die illusie van leven, zelfs als onze benadering een schreeuw in het duister is.

Poëzie is een manier om verdwaald te raken in een Middenwereld die even specifiek en bewust is als een droom in een continuüm dat geen betekenis heeft en dat ons sinds altijd heeft geleid. En toch manifesteert deze niet-bestaande tijd zich in een vitaal aggregaat van zintuigen die gericht zijn op het wonderlijke en op de moorddadige beperkingen van de uiterlijke schijn waar woorden op paradoxale wijze niets betekenen, waar we ons vastklampen aan de schaduwen van een rechtvaardiging die gesuggereerd wordt en vernietigd door ritme, betovering, metafoor (die sluwe oude saboteur), door de precieze verbeelding die wordt gebruikt om een herinnering aan betekenis geboren te laten worden.

Gaat alles om textuur? Om het gevoel te leven? En wat, als wij ons geen leven verbeelden? Zijn wij ons bewust van elkaar in de eindeloosheid van niet-zijn? Wat als er geen tegenwoordigheid zou zijn, niemand en niets in de buitenwereld?

Maar we zijn hier wij allemaal, als makers en registreerders en producten van de artefacten van een tijd die er wellicht nooit was, met gebruiken die niet gekend kunnen worden of die nooit bestonden (behalve in het gedicht waar ze werktuigen werden om de huid van de woorden af te schrapen); wij zijn hier als schaduwen in een onderwereld waarin het licht niet doordringt – om zonder geluid te maken de magie van poëzie te zingen.

We wisten altijd al (het kostte ons een heel leven om ervan te worden overtuigd) dat magie de gelijkmaking van leven naar sterven niet zal veranderen. Is dat niet ons menselijk lot? Doen is zingen al weet je dat het geen verschil maakt. Waarom denken wij dat dit alleen bestaat bij de menselijke soort? Waarom zouden bladeren niet zingen als de wind waait? Wie herkent de kwellende vreugde van zingen voor niets, in het nergens, en misschien voor niemand? Maar we kijken achterom en om ons heen en we horen de echo’s van onze kreten en zangen en we geloven dat wij een deel van ons allen tot uitdrukking hebben gebracht.

Ik zal ons niet verheffen tot de rangen van de weinigen die de mensheid in hun zak hebben en zeker niet tot de kudde van gelovigen en boeienkoningen. En toch betreden wij de transformatieve dialectiek van het loslaten terwijl we een ander worden, ons vastklampend aan de rommelstroom van onze woorden als migranten die niet kunnen zwemmen die  hun behoefte om te overleven in de wanzinnige oceaan van destructie die creatie is niet opgeven … hetgeen creatie is.

Wellicht vormen wij die kern van het herinneren, hetgeen vergeten is. Vast en zeker vieren wij dat terwijl wij de doden bewenen – vanuit een persoonlijke wellicht prille kennis van solidariteit, van identificatie met al degenen die wisten dat de ziel een tong is die zichzelf verteren moet tijdens het branden.

Wij huldigen de eerste grommende éénling die naar de sterren keek om geleid te worden in de lange jacht naar betekenis; we huldigen de nomade die tot het inzicht kwam dat het geheugen eindeloos is, maar dat de Melkweg de aarde zal overstromen juist voorbij onze horizon van verwachtingen; we huldigen de alchemist die het concept van duisternis schiep; we huldigen de zichzelf kastijdende kluizenaar die ommuurd is door stilte, de non die gemeenschap had met God – en we wenen; we huldigen de dichter die de wereld schreef met zijn scandering van complexe motieven van gekleurd zand en die daarna alles weg blies; we huldigen de dichter die een heilige was, die een hoer was, die de muizen redde, die de sporen droeg of een sluier, die haar minnaar doodde, die ophield met schrijven. Wij huldigen en eren (en we bespotten) de onschuldigen die naar voren kwamen vanuit de nacht van de tijd om te sterven voor een vuurpeloton of in een vernietigingskamp. Wij huldigen en eren en begroeten de dichter die zijn leven offerde voor de vrijheid zelfs al weten we dat het een illusie was. Maar vrijheid bestaan in het erheen gaan en niet in de aankomst; in het ernaar uitzien, niet in het vinden. “No pienses sino mira,”  schreef Wittgenstein. “Denk” niet. “Kijk”!

Toen ik ontwaakte in het Théâtre Polski in Warschau, stond ik voor mensen die helemaal waren zoals ik zelf zou willen zijn – maar ik realiseerde mij toen dat ik had gedroomd over luid zingen in mijn slaap. Maakte ik het duidelijk genoeg dat het helemaal ging over scherpte en de absurditeit van het intellect en niet alleen maar een lofzang aan de doden? Ik ben bang da ik teveel tijd besteedde aan het dialoog tussen mijn Afrikaanse fetisjes – de praatzieke papegaai en de zwijgende kameleon, aan mijn poging om stenen te leren hoe ze vliegen moeten…

En er blijft nog zoveel over om te zeggen! Te midden de vele goede gaven van het leven frist een gelegenheid als deze mijn geest weer op over de Poolse literatuur. Wat zijn we niet allemaal verschuldigd in het bijzonder aan de Poolse poëzie die op een indringende en blijvende manier de beroeringen van Polen  tot uitdrukking brengt, de verloren en gewonnen gevechten, de trots en de schoonheid – en dat vele Polen in een gemeenschappelijk engagement met niet slechts een nationale lotsbestemming maar ook met een gedeeld menselijk lot weerstand hebben geboden tegen de vernedering om toe te geven aan de willekeur van de barbaarse hinderlaag die voor ons alle bedoeld is! Dit herinnert ons in het bijzonder aan de waarde die Poolse schrijvers  toekennen aan de vreemde dualiteit (of dichotomie) van het menselijke verstand en van de menselijke geest. En steeds hun buitengewoon grote aandacht voor het bijzondere.

Hoe zou je je Europa kunnen voorstellen – maar ook andere delen van onze gezamenlijke wereld – zonder de onvergetelijke getuigenis van Bruno Schultz? We weten dat de wording van de moderniteit doordrenkt was van betekenis in het werk van Joseph Conrad, Gombrowich, Milosz, Szymborska (hoeveel blijft die grote vrouw ons leren en tonen!); dat van Aleksander Wat en Ryszard Kapuscinski enAdam Zagajewski en Ryszard Krynicki… Neem mij deze vluchtige blik op de complexiteit van de Poolse literatuur en kunst niet kwalijk; Polen is meer dan normaal gezegend en vervloekt – want luciditeit is een vloek. En hoe kan men niet gevormd en geïnformeerd zijn door de visionaire Andrzej Wajda?

En dan is er ook Zbigniew Herbert – die ‘brandende braambos’ die ons hier bijeen bracht. Vol dankbaarheid maak ik een diepe buiging voor Katarzyna Herbert, voor de juryleden, mijn collega’s – Yuri Androkhovych, Edward Hirsch, Michael Krüger, Jaroslaw Mikolajewski, Mercedes Monmany en Andrzej Franaszek – die in hun lofwaardige wijsheid hebben besloten om mij te verwelkomen in de kring van voorgangers voor wie ik veel ontzag heb. Sta mij toe hier een saluut te brengen aan William Merwin, Charles Simic, Ryszard Krynicki en aan de nagedachtenis van Lars Gustafson. U hebt uw edelmoedigheid tot buiten Europa en Amerika uitgestrekt, “om de landkaart van de hedendaagse literatuur te verruimen” – en door een gunstig toeval nog wel op deze dag, de 25ste mei, waarop ook de Dag van Afrika wordt gevierd. Als creoolse bastaard ben ik een nakomeling van Europa en Afrika en zelfs van het Oosten (mijn broer vertelde mij dat een voorvader aan moeders kant afstamde  van een Indiër, wat laat zien hoe en waarom ik een Afrikaner ben) – daarom dank ik u, als Afrikaner uit Afrika, in alle nederigheid voor de eer en het voorrecht de Zbigniew Herbert Prijs te mogen ontvangen.

 

Warschau, 25 mei 2017

Over de auteur:

Breyten Breytenbach (*1939) verdeelt zijn tijd tussen schrijven, schilderen en dichten (in Parijs en Girona) en het leiden en begeleiden van het door hem gestichte Gorée Institute op het eiland Gorée (nabij Dakar). Door dat internationale instituut wordt de culturele samenwerking op het Afrikaanse continent bevorderd. In 2014 werd aan hem het eredoctoraat verleend door de Universiteit Gent. Zijn poëzie werd in de jaren zestig in Nederland geïntroduceerd door het tijdschrift Raster. Bij uitgeverij Podium verscheen onlangs een ruime selectie uit Breytens gedichten van de laatste twintig jaar, onder de titel De zingende hand. Een ruime keuze uit het vroegere werk is verschenen onder de titel De windvanger (beide uitgaven tweetalig Afrikaans/Nederlands).

Over de vertaler:

Laurens Vancrevel (*1941) is dichter, vertaler en schrijver. Tussen 1972 en 2001 was hij werkzaam bij uitgeverij J.M. Meulenhoff. Samen met Her de Vries vormt hij de redactie van het surrealistische tijdschrift Brumes Blondes en de gelijknamige marge-uitgeverij. Recente boekpublicaties: De magnetische kracht van 17 13 (essays, 2012) en Waartoe (gedicht, 2011).