thema:

De Elf (fragment)

Vertaling:

Michon_bertiniFrançoizélie!

Zo noemden ze hem, en zo roepen ze hem terwijl ze over het kleine bordes komen toegesneld. Ze zijn nog rijk, al het geld van de oude is nog niet verdampt in het treurige literaire geploeter, het poëtische gelanterfant van François Corentin de la Marche, hun schepen gaan en komen en hun wijnstokken dragen nog vruchten; en dat moet gezien worden; dus hebben ze grote hoepelrokken aan en misschien zelfs – in elk geval de jongere van de twee, Suzanne – zo’n tafzijden japon die ook wel criarde werd genoemd vanwege het schrille geluid dat hij maakte wanneer een paar benen zich erin strekte, een goudkleurige criarde, die achter hem oprijst, op hem toe komt gevlogen, hem haar schat noemt, terwijl hij dwars door gladiolen, bloeiende rozen, dwars door de tuin halsoverkop naar het kanaal holt. Het is hartje zomer, het is het geluk: twee bangelijke harten in tafzijden japonnen die om je heen draaien in een ballet dat even ordelijk is als het hemelse mechaniek, die je smeken om niet te ver bij hen vandaan te gaan. En misschien kan ik hier, in juli, met schrille vrouwenstemmen en gladiolen, de achtergrond neerzetten van een van die anekdotes die we allemaal kennen, die je terugvindt in alle geschreven biografieën van Corentin, de goedmoedige en de gewichtige, in de slordige lappen tekst van het Louvre evengoed als in de geleerde studies, en die je net zo goed zou kunnen vinden over het handjevol schilders dat God weet waarom door de massa’s is uitverkoren, de schilders die met een sprong in de legende zijn beland terwijl de anderen, gewone schilders, op de oever achterbleven – en zíj zijn meer dan schilders, Giotto, Leonardo, Rembrandt, Corentin, Goya, Vincent van Gogh; ze lijken meer dan schilders, ze zijn meer dan wat ze waren. Op die dag dus, misschien, snelt het jongetje door de glooiende tuin, kruipt door de haag en holt halsoverkop het jaagpad over, en zijn vaart voert hem mee tot boven aan de dijk, waar hij stokstijf blijft staan, want daar onder is het water – zou het water moeten zijn; maar vandaag, met alle sluisdeuren gesloten en alle sassen leeggepompt, staat het kanaalvak droog van Chécy tot Saint-Jean. Het water is weg, het water is dood. En in de modder van het kanaalvak, in het doorweekte Loirezand, wordt modder door paarden met karren en door bataljons grondwerkers met korven naar de oever getransporteerd; want kanalen, grote, stille watervlakten, slibben van lieverlede dicht, van tijd tot tijd moet er gebaggerd worden. Er hangt daarboven onder de julilucht een geur van krioelend leven en dode karper, die de geur is van de dood.

Het stilstaande jongetje slaat dat alles met veel belangstelling gade, de zwarte grondwerkers, de modder, de zwarte geur, hij denkt er nauwelijks meer aan dat hij de twee tot zijn beschikking staande vrouwen wilde doen beven. Daar zijn ze al bij hem, ze komen op adem, ze lachen en mopperen wat, betasten hem; de tafzijde knispert schril tegen hem aan. Als hij naar hen omkeek, zou hij zien dat ook zijn moeder dat alles met veel belangstelling gadeslaat, de ogen gesperd, de neusgaten open voor de zwarte geur; zij is groot, mooi, kuis en vroom, maar van man verstoken sinds het vertrek van de dichter, haar neusgaten staan hartstochtelijk open voor de zwarte geur. François-Élie vraagt zonder haar aan te kijken wat die mensen daar doen. ‘Ze doen nog eens wat jouw grootvader een eerste keer heeft gedaan’, zegt de moeder. ‘Ze maken het kanaal.’ Dan verklaart het kind, zeer ernstig en op een toon van verbolgen evidentie: ‘Die daar maken niets – ze werken.’

U glimlacht, meneer? Het wil er bij u niet in? U hebt gelijk, het is te mooi om waar te zijn; de kunstenaar, nietwaar, de schepper – hij die uit alle macht wil geloven, en die erin slaagt te geloven, dat een daad die je vat op de wereld geeft, een daad die naam waardig, geen ander fundament en principe heeft dan het zuivere vermogen van de geest, kortom dan toverij, dan de toverachtige wil van één enkeling, en alleen machinaal is als een soort extraatje, toverachtig machinaal als het ware, zoals geldt voor de daad van Eros. In zekere zin geloofde hij dat zijn grootvader het kanaal had gemaakt zoals God de wereld maakt of zoals de koning een decreet uitvaardigt, anders gezegd dat hij, de oude afvallige, de Mozartiaanse mantel over zijn schouders had geslagen en het kanaal had besteld bij de Machten van de Nacht, zonder zich verder te hoeven inspannen of afbeulen, met niets dan de roes van zijn krachtige wil; met niets onder zijn mantel dan de krachtige wil om het kanaal te maken, anders gezegd een spiegel van tien mijlen, tien mijlen spiegelend water waarover schepen en wolken heen en weer gaan; en dat de gedweeë Machten van de Nacht hem op een mooie ochtend toen ze zich van oost naar west terugtrokken, zoals hun gewoonte is, tien smetteloze mijlen spiegel, bevrediging, zichtbare en zichtbaar bevredigde wil hadden geserveerd op het oppervlak van de aarde, van Montargis in het oosten tot Orléans in het westen. En mogelijk hadden de Machten van de Nacht daartoe onder de dekmantel van de nacht ten overvloede ook nog wat luchtgeesten afgevaardigd, waarvan hij, François-Élie, misschien dacht dat ze eruitzagen als het soort landmetende engelen dat je op schilderijen ziet, engelen die weliswaar werktuigbouwkundig onderlegd zijn met hun grote passers, hun waterpassen en hun trommelkruizen, maar desondanks toverachtig, nachtelijk, ruisend met hun vleugels; maar nooit had hij kunnen bevroeden dat ze op klaarlichte dag de bizarre gestalte van grondwerkers uit de Limousin onder korven zouden aannemen. Hij ontdekte dat grondwerkers het substraat van de stille watervlakten waren; hij ontdekte hen zonder veel genoegen – maar ook zonder misnoegen, trouwens, want nauwelijks had hij ze ontdekt of hij decreteerde dat ze niet bestonden, of althans dermate bijkomstige schepsels waren dat het was alsof ze niet bestonden – zoals in de grote toverij van de daad van Eros de spieren, het belasten, spannen en samentrekken ervan, de acrobatiek en het jammerdal, niet meer bestaan. ‘Die maken niets, want ze werken’: je kunt nauwelijks hartstochtelijker geloven dat je uniek bent en dat de wereld toverachtig is, op toverachtige wijze de speelbal van één wil, vindt u niet? Je kunt nauwelijks sterker geloven dat handelen en genieten één en hetzelfde ding zijn. Je kunt nauwelijks heviger kunstenaar zijn, zo u wilt, zoals de brave lieden zeggen die aandachtig die kinderkwinkslag lezen op het bijschrift van het voorvertrek, in het Louvre. Je kunt ook nauwelijks beter illustreren dat een individueel mens een monster is, zoals Sade en Robespierre op hun uiteenlopende manieren zeiden. François-Élie was met grote eenvoud dat monster; zijn monsterlijke geloof gaf hem voldoening dat hij op de wereld was en kracht in de wereld; met dat geloof en om het te schragen, te voeden, om het te bestendigen (en om tegelijk ook zelf, Corentin, te kunnen bestaan), heeft hij het oeuvre gemaakt dat we kennen. Dat geloof werd gaandeweg twijfel, maar het liet niet af; aan dat geloof dankt hij dat hij zijn hele leven overeind bleef, dat hij bij alles wat hij deed tegelijk werd belemmerd en opgejaagd, en dat geloof heeft hij ten slotte verpulverd in De Elf – tenzij hij dat geloof eens te meer te slim af is geweest, het heeft gepaaid terwijl hij het loochende, of geloochend om het in ere te herstellen, en het heimelijk weer heeft ingevoerd, onherkenbaar.

 

Françoizélie!

Wat zou ik hem graag echt willen zien en willen zwijgen, willen opgaan in wat ik zie, in plaats van tegen u aan te blijven zeuren met mijn vage theorieën. Ik ben in mijn eentje een nog geestdodender bijschrift dan alle bijschriften van het voorvertrek, in het Louvre. Wat zou ik hem daar graag willen zien – hen alle drie willen zien (zoals wij op dit ogenblik De Elf zien), de vrouwen en het jongetje die stilstaan op de dijk, een beetje van onderaf, alsof ikzelf daar beneden een grondwerker uit de Limousin met een korf vol modder ben, in de Loiremodder tot aan mijn dijen, volop bezig met mijn duistere gezwoeg onder de julizon; zoals een grondwerker naar een schilderij zou kijken, als grondwerkers en schilderijen elkaar zouden ontmoeten. En het is denkbaar dat wij die grondwerker zijn, u en ik; het is denkbaar dat een grondwerker opkijkt en met zijn onderarm het mengsel van zweet en Loire afveegt dat over zijn ogen stroomt; dat hij, als de opzichter even niet schreeuwt, de tijd neemt om op te zien naar die blonde verschijning daar boven, het blonde haar en de blonde rokken, de twee vrouwen die zich buigen over dat jongetje dat machtig is als een kardinaal-hertog; en de kleine kardinaal-hertog wijst naar die grondwerker die naar hem kijkt. Misschien dringt dat tot de grondwerker door, iets wat hij gewend is (dat er zonder omhaal naar hem wordt gewezen als naar een circusdier), maar zijn ogen blijven niet hangen aan François-Élie; het is immers een grondwerker uit de Limousin; het is een man die geen andere hertoginnen binnen handbereik heeft dan buikflessen met versneden wijn, geen ander vehikel voor zijn krachtige wil dan de knipmessen die op de dag des Heren op miraculeuze wijze van de buikflessen in zijn handen springen – hij heeft alleen oog voor de rokken. En misschien vloekt hij tussen zijn tanden dat God een hond is, Diàu ei ùn tchi.

Daal in de geest af in de modder, meneer. Voelt u hoe die tussen uw tenen gutst? Want u hebt uw klompen niet aan bij dit gezwoeg, u hebt ze samen met de andere op een hoop langs de kant laten liggen om de reigers van schoeisel te voorzien, mochten de reigers schoeisel behoeven. Aangenomen tenminste dat u klompen hebt, wat een onwaarschijnlijke veronderstelling is, want waar u zich bevindt zijn zelfs klompen een weelde, een bezit. Laat goed tot uw gemoed doordringen wat je mag verwachten van een leven dat erin bestaat modder te verzamelen in een korf, die korf in een kar leeg te gooien en jezelf dag in, dag uit tot de avond op dergelijke wijze af te beulen, met als enige feestelijkheid in het verschiet zwart brood, loden brood, en daarbovenop een loden slaap om het brood te verteren; en op zondag, het loden stuk in de kraag. De feestelijkheid ook om in de zwarte maanden in de Limousin te mogen zwoegen op iets wat uit beleefdheid een vrouw wordt genoemd maar wat alleen na een ingewikkeld metaforisch proces aan een vrouw doet denken. Bent u zover? Zit u goed en wel tot aan uw nek in de rijpe karper? Sleep maar. Raap de dode grond met de dode vissen erin maar op. Steek er een in uw mond als u trek hebt, hij is voor u, voor de meeuwen en de kraaien. Steek hem in uw mond. En kijk nu omhoog. Zie daar boven, op twee stappen van u vandaan, de gouden japon, en boven de japon een blik die op u gevestigd is. En zie, onder de gouden japon, nog feller schitterend, het naakte lijf van de mooie dame. Voelt u in uw boksem de onmiddellijke emotie – de goddelijke, de hevige, de enige? Beeld u ook nog dit in: u bent weliswaar een grondwerker, maar twintig en mooi als een god, en in uw armen zit de kracht waarmee u dag in, dag uit onder muggenzwermen rijpe karper hebt ingeademd zonder eraan te bezwijken, zoals de helft van uw soortgenoten is bezweken, van een ladder gevallen, in de modder gestikt, in koortsstuipen gebleven, en evenmin bent u bezweken als kind, op uw derde in de put, op uw achtste onder de kar, op uw vijftiende door een mes, zoals uw tien broers en zussen zijn bezweken. Voel uw kracht, uw schoonheid, uw geluk in zekere zin. Want er gebeurt dit: de mooie, van man verstoken dame kijkt u langdurig aan met, in haar blik, de bekentenis dat ze in haar rokken de emotie heeft die u hebt in uw boksem. Maar opeens kijkt ze weg en naar u kijken zal ze niet meer, omdat de wet van ijzer is en de alzijdige Vader waakt, en omdat God een hond is. En is God een hond, dan is het u misschien vergund om zelf een hond te zijn naar zijn evenbeeld, om op het talud te klimmen, om die vrouw neer te werpen, om haar te stropen en te dwingen en zonder omhaal te dekken, zoals honden doen. En het jongetje dat naar u kijkt (maar zelf hebt u de tijd niet om dat op te merken), het jongetje dat kortom alles heeft gezien, wenst vurig dat u op het talud klimt en zijn moeder voor zijn ogen gebruikt. En dat maakt hem banger dan wat ook ter wereld.

         Bent u zover? Voelt u goed hoe overgroot de begeerte is en hoe bar klein de rechtvaardigheid? Draagt u op uw huid het tweevoudige masker van de liefde? Bent u Sade en Jean-Jacques Rousseau? Goed zo, dan kunnen we naar het schilderij terugkeren. We kunnen ons weer wenden tot De Elf.

         Elf grondwerkers uit de Limousin, nietwaar? Elf potige grondwerkers. Elf potige baronnen, die staan toe te kijken hoe uw jonge, naakte moeder het lage vertrek van een kasteel van markies De Sade betreedt. Elf blonde jongetjes die hoofden afhakken, oftewel snijden in de rokken van hun moeder.

Naar de inleiding op dit vertaalde fragment van Rokus Hofstede, ‘Noot van de vertaler’.

‘De Elf’ is inmiddels verschenen bij Uitgeverij van Oorschot.

Over de auteur:

Pierre Michon (1945). Recente publicaties: Les Onze (proza, 2009), Le Roi vient quand il veut (proza, 2007), Corps de Roi (proza, 2002).

Over de vertaler:

Rokus Hofstede (1959). Recente vertalingen: Georges Pérec Tips en wenken voor wie zijn afdelingschef om opslag wil vragen (proza, 2011), Pierre Bergounioux B-17 G (proza, 2010), Michel Houellebecq & Bernard-Henri Lévy Publieke vijanden (brieven, 2009). Zie www.hofhaan.nl