thema:

De geest van zout – (deel I)

Ik sta open voor het toeval, had iemand tegen Rudolph gezegd. Je wordt wat je wordt, er gebeurt bijna altijd wel iets, of je dat nu wilt of niet.

Het klonk resoluut, alsof de persoon een radicaal besluit had genomen, alsof je ook níet open kon staan voor het toeval, het dus kon buitensluiten, en alsof het toeval daar dan toe bereid zou zijn of zich er anderszins iets van zou aantrekken. Hoe kon bovendien iemand beweren open te staan voor het toeval en praktisch in één adem opmerken dat er bijna altijd wel iets gebeurde? Hoezo bijna? Wanneer dan niet?

Het gebeurde in elk geval vaker tijdens de tweemaandelijkse vernissage op vrijdagmiddag dat Rudolph het gezwam moest staan aanhoren van artistieke types die in het kielzog van de geselecteerde beeldend kunstenaar samen met personeelsleden gedurende een paar uurtjes roezemoezend het atrium van het kantoorgebouw bevolkten. Het geëxposeerde werk interesseerde hem eigenlijk nooit en van de in het begeleidende vouwblad verwoorde intenties van de kunstenaar of kunstenares werd hij steevast gammel. Er waren meerdere, zakelijk valide redenen waarom een kantoor met een reputatie zich als kunstprotector diende te profileren. Derhalve was hij op elke vernissage present, waarbij hij er steevast voor zorgde zijn werk, achter zijn bureau op de elfde verdieping, nog niet volledig voltooid achter te laten, zodat hij de kans had zich om legitieme redenen te excuseren wanneer de gaapaandrang zich niet langer liet onderdrukken.

O, u bent dichter…

Met die woorden had hij nog net een geeuw tot zucht kunnen intomen, toen de figuur een dun boekje uit zijn rugzak had gegoocheld om het aan Rudolph te overhandigen.

Eigen beheer, zei de dichter. U mag het hebben, dan zult u zien wat ik bedoel, als u zich openstelt zoals ik me volledig heb opengesteld voor de regels die me zomaar zijn komen aanwaaien. Al het andere is immers constructie en alleen al daardoor illusie en dus zelfbedrog.

À propos illusie, zei Rudolph, het schiet me te binnen dat ik iets heb laten openstaan op mijn pc en dat dit helaas geen zelfbedrog is. Wilt me excuseren?

Wat? Houd je het al voor gezien, Rudolph? vroeg een collega. De drank is nog lang niet op!

De nagenoeg geruisloze liftvaart naar boven gaf Rudolph meer dan voldoende tijd om zijn vooroordeel bevestigd te zien. Het eerste wat hij in zijn werkkamer deed, was het inschakelen van de papierversnipperaar, toevallig of niet.

Mensen plachten het toeval alleen als zodanig te beschouwen en te benoemen wanneer het zich nadrukkelijk of met ontregelend geweld leek te manifesteren. Rudolph geloofde dat alles, maar dan ook alles toeval was, of noem het lot, inclusief het gegeven dat hij dit geloofde. Het had bijgevolg, dus toevalligerwijs, ook helemaal geen zin daar een apart probleem van te maken of eraan tegemoet te willen komen en ervoor open te willen staan. In feite was een gedicht dat zich hield aan een bepaald schema, zoals dat van een villanelle, qua toeval net zo toevallig als eentje dat toevallig opzettelijk van niets dan zogeheten invallen en toevalligheden aan elkaar hing. Toch zou je voor teksten die je de illusie gaven minder toevallig te zijn, niet zo gauw de papierversnipperaar aanzetten. De mens, dacht Rudolph, moet juist in de illusie en de verbeelding ervan leven, dat is zijn lot, zoals een vis in het water leeft, een vogel in de lucht, een muis in het voorhuis en een regenworm in de aarde. De mens wilde toevallig toch ook zo prettig mogelijk leven? Welnu, dan moest hij van zijn specifieke milieu genieten in plaats van het te verpesten.

Nadat het apparaat zijn weinig feestelijke confettisnippers had kunnen uitbraken, schakelde hij het uit. Hij stuurde zijn vrouw een berichtje om haar te laten weten dat hij over een minuut of tien bij de ingang van de parkeerplaats op haar zou staan wachten, checkte nog even de nieuw binnengekomen berichten, kreeg de melding dat ze er over een kwartiertje zou kunnen zijn, en liet toen de beeldpunten van zijn bureauscherm doven.

Hij zou de lift aan de andere kant van het gebouw nemen en op de toets voor de ondergrondse garage drukken. In de garage zou hij tussen de auto’s slalommend naar het schijnsel van het daglicht lopen, om vervolgens over de hellende uitrit naar de zonnige bovengrondse bezoekersparkeerplaats te wandelen. Praktisch elke vrijdagmiddag liet hij zich door zijn vrouw oppikken, waarna ze naar een degelijk etablissement reden om eerst wat te drinken en er daarna ook te eten. Graaf Floris V van Muiden aan de Vecht, De Fransche Slag in Uithoorn, Het Wapen van Nigtevecht; Astrid had meestal al een idee, in elk geval werd het altijd ergens buiten de stad. Zijn vaste werkweekafsluiting en haar wekelijkse alcoholvrije uitje. In de stad gebruikten ze de auto zo goed als nooit.

Dit keer had Astrid al een telefonische reservering gemaakt bij De Voetangel in Ouderkerk aan de Amstel, want ze wilde bij het goddelijke weer graag een plaatsje op het terras, en bij de gedachte aan het zogeheten Stoofpotje van Oma Leurs, rundvlees met bier en spek plus groenten en aardappelpuree, was het water haar in de mond gelopen.

Om halfzeven werd het laatste van de op de terrastafels neergezette reserveringsbordjes weggenomen. Niet omdat het echtpaar Rudolph eindelijk was gearriveerd, maar omdat er geen andere plaats meer was voor twee nieuwe gasten.

Rudolph meende uit een werkkamer verderop in de gang gebonk en gekerm te horen. Hij had zich daar niet in vergist. Luttele ogenblikken later stond hij in plaats van ontspannen in de lift, met zijn armen pijnlijk achter zijn rug gedraaid in het kantoor van een collega-afdelingschef. Er lag een Indisch uitziende man in een geel uniform van de schoonmaakdienst in de kamer, waar de beige vloerbedekking bloed absorbeerde. Rudolph kreeg de koele vuurmond van een pistool tegen zijn voorhoofd gedrukt door een in wit latex gestoken hand. Ik zal niet eens meer voelen hoe heet die van het ene moment op het andere wordt, dacht hij. En bijna simultaan was hij verheugd, als dat het toepasselijke woord is, over dit denkbeeld, want het betekende dat hij rustig was, volkomen kalm, in volle aanvaarding van wat het onsterfelijk levende toeval nu weer voor inval had gehad en nog in petto zou hebben.

De man of jongen tegenover hem had een bivakmuts met kijk- en ademgaten. De Indiër kreunde. Rudolphs armen werden losgelaten. Vanuit zijn ooghoeken zag hij iemand in een soortgelijk grijs sweatsuit met buidelzak en eveneens met zo’n muts over het hoofd, de schoonmaker een trap geven, zich over het kreunende hoofd buigen en dat toen een klap met de kolf van zijn pistool verkopen. Uit de schoonmaker kwam geen geluid meer.

Rudolph voelde zich nog steeds nuchter, welhaast zo lucide dat hij er bijna overmoedig van was geworden en had gevraagd of dat nu een Glock of een Beretta was. De jongen tegenover hem – ja, het was nog een jongen – liet zijn wapen zakken, terwijl Rudolph voelde hoe de andere – het waren allebei jongens – hem nu onder schot hield. Zijn kantoorpasje werd opgeëist. Rudolph haalde het uit de rechterzak van zijn colbert. Frank Rudolph, las zijn belager hardop. Noord-Afrikaanse tongval. Je portemonnee of portefeuille, Frank Rudolph! Bedaard haalde Rudolph de portefeuille uit zijn binnenzak. Hij merkte dat het hem totaal niet interesseerde te weten waar het duo op uit was en opnieuw ervoer hij die vaststelling als een verheugenis.

Pak alvast die geld, snauwde nummer twee schor, en die creditcards. Nummer een antwoordde iets wat erop scheen neer te komen dat ze daarvoor niet hier waren. Waarop nummer twee een paar passen naar voren zette, de twee briefjes van twintig weggriste en weer terug stapte. Nummer een uitte een of andere verwensing, terwijl zijn handschoenvingers hun zoektocht voortzetten naar Rudolph wist niet wat, achter de rits en in de steekvakjes. Toen visten een rechterduim en -wijsvinger samen een fotootje op dat zich achter een plastic ziektekostenverzekeringskaartje schuil had gehouden.

De jongen bekeek het fotootje en keek toen Rudolph aan met pupillen die zich, wanneer ze omringd zouden zijn geweest door grijze of lichtblauwe in plaats van zulke donkerbruine irissen, nog beter zichtbaar verwijd hadden dan ze al waren, alsof de Almachtige Oftalmoloog zelf voor hem stond om bij hem naar binnen te kijken.

Waarv…, hoe, waarom komt u aan mijn foto, vroeg hij onthutst..

____________
(Wordt volgende week vervolgd.)

Noot: de auteur heeft gemeend dankbaar gebruik te mogen maken van enkele passages uit Elias Canetti, Die Stimmen von Marrakesch (1967).

Over de auteur:

Huub Beurskens (1950) is prozaschrijver, essayist en dichter, studeerde aan de kunstacademie. Hij was redacteur van De Gids, vertaalde werk van Gottfried Benn, Georg Trakl, Nelly Sachs, William Carlos Williams en W.H. Auden. Recente publicaties: De hemelse kamer (roman, 2012), Hotel Eden (poëzie, 2013), Hoe deed Han Shan dat dan (poëzie, 2014).