thema:

De laatste boot

Vertaling:

Ter nagedachtenis van Mihály Vörösmarty

Het was nog donker toen we vertrokken, en hoewel we allang wisten dat dit dwaze optimisme zinloos was aangezien het toch niets meer uitmaakte of het dag of nacht was, verwachtten we toch dat de zon ook deze dag wel op zou komen; we hoopten dat met het ochtendgloren het licht zich zou verspreiden: de dag zou aanbreken en wij zouden elkaar zien, de verkreukelde gezichten van de anderen, de wallen onder hun bloeddoorlopen ogen of de huidplooien op hun achterhoofd, evenals de snel verdwijnende rimpelingen in het water achter ons, de verlaten gebouwen aan de kade, de nog gave straten die tussen die huizen door naar de rivier kruipen en voorbij de stad de lange, hoge oeverranden die erbij staan alsof ze elk moment omlaag kunnen storten. We vertrokken in het donker, en hoewel het zelden voorkwam dat iemand de ander aansprak (voor zover het al mogelijk was om onderweg naar aanlegplaats aan de Donau iemand tegen te komen of iemand te passeren dan wel door iemand gepasseerd te worden!) waren we op elkaars vaag afgetekende, schaduwachtige contouren aangewezen om onze positie te bepalen en de juiste richting te kiezen; de lichten van de jeeps van de EVA-eenheden, die overal met duizelingwekkende snelheid rondscheurden, verstoorden ons oriëntatievermogen meer dan dat ze ons hielpen de weg te vinden, en op onze routine konden we ons gezien alle risico’s al helemaal niet verlaten. Na het wekenlange martelende wachten maakte zich een grote opwinding van ons meester toen vanmorgen in alle vroegte door megafoons en op handgeschreven aanplakbiljetten de exacte vertrektijd werd bekendgemaakt; zonder te wachten op het begin van de malle ochtendceremonie, die de laatste tijd toch vaak uitviel, vertrokken we op hetzelfde moment vanaf verschillende punten van de hoofdstad, maar wel allemaal vanuit een ondergrondse schuilplaats, alsof we ratten waren – deze dieren waren door hun verbluffende overlevingsvermogen tot een soort van heilige wezens geworden die in de laatste maanden het exclusieve onderwerp van onze aandacht hadden gevormd; de woonplaatsen waren kelders en grotten, voormalige opslagkuilen, beerputten en provisorische toevluchtsoorden, of voor wie dat geen geruststellende oplossing vond, de tunnels van de metro of het spoor, onderaardse ruimten van stoombaden en montagehallen, of het labyrint van het als veiligst beschouwde rioleringsstelsel; deze werden nu verlaten, men ging op pad, met de allang ingepakte bagage, of vaak ook zonder. Toch zou het overdreven zijn om te stellen dat ‘de straten volliepen’, want er bleken slechts zestig mensen overgebleven te zijn in de stad en de EVA kreeg in verregaande mate gelijk in haar veronderstelling dat een middelgrote Donauboot uitstekend zou voldoen voor het beoogde doel, en dit was dan ook het enige dat sommigen schokte, want iedereen zag wel in dat nu de landwegen en de luchtroutes onbruikbaar waren geworden, het water de enige oplossing was. Onderweg naar de vertrekplaats van de boot betekende de bepakking het grootste probleem, die in de meeste gevallen uit kleine en grote koffers, reistassen, buidels en kartonnen dozen bestond en waarvan het nut twijfelachtig was; de geest van de situatie bracht namelijk mee dat de nuttige voorwerpen die onder invloed van de instinctieve nuchterheid van het begin waren verzameld, gaandeweg vervangen werden persoonlijke spullen, zodat uiteindelijk niets van praktisch belang overbleef: de plaats van warm ondergoed werd ingenomen door een kapotte koekoeksklok, die van meel en kookchocolade door een verzameling lucifersetiketten, en in de dagen vlak voor het vertrek leek de spiritusbrander al minder belangrijk dan een goedkoop houten sigarettenpijpje en werden medicijnen tegen hoofd- en kiespijn ingeruild voor een paar zeeschelpen. Het besef dat beide oplossingen even zinloos waren, verdroeg ieder op zijn eigen manier: sommigen sleepten zich met de volle bepakking door de stad en kwamen hijgend en met gevoelloze ledematen bij de boot aan, terwijl anderen met lege handen arriveerden en bij menigeen slechts aan een gesloten hand te zien was dat ze onderweg niet alles weg hadden kunnen gooien. Een voor een bereikten we het ‘Voorlopig Dok’, en aangezien we ervan overtuigd waren dat we met z’n zestigen niet meer dan een voorhoede konden zijn, werd de grootste schok veroorzaakt door de boot zelf, die daar stil en donker voor ons lag, en dat gevoel kon zelfs niet worden verdrongen door de snel voorbijgaande opluchting die ons beving toen we uit de zijstraten op de kade kwamen en vaststelden dat er geen sprake was van een vergissing en dat er werkelijk iets lag aangemeerd. De ‘middelgrote Donauboot’ zag er namelijk uit als een doelloos drijvend, naargeestig wrak, dat misschien ooit door een toeristenbureau geschikt bevonden was om met zijn trage geschommel schoolkinderen de indruk van een echte riviertocht te geven – maar ook dat was ongetwijfeld heel lang geleden gebeurd, want dit kennelijk voor ons bestemde vaartuig lag zo diep dat het leek alsof drie of vier mensen aan boord voldoende zouden zijn om het voor altijd te laten zinken, want een enkele grote golf sloeg nu al over het dek. Onze bange vermoedens werden nog gevoed door het feit dat we geen enkele beweging zagen: nergens liet zich een matroos of een EVA-officier zien, de stuurhut was leeg en ook de kade was uitgestorven, hoe we ook ons hoofd links en rechts draaiden. En terwijl we met groeiend ongeduld stonden te wachten tot er iemand op de loopbrug zou verschijnen of dat er eindelijk een EVA-jeep zou aanrijden zodat de controles konden beginnen, nam onze bezorgdheid over de boot eerder toe dan af, want toen we hem van dichterbij bekeken, ontdekten we steeds nieuwe gebreken aan de zijkant en op het dek: een paar handpalmen onder het voorsteven gaapte een cirkelvormig gat, als door een kanonkogel geslagen, in het achtersteven ontbraken enkele planken, in de stuurhut zaten aan beide kanten geen ruiten, enzovoort, tot aan het scheepstouwwerk dat half vergaan was en een van de aanlegpalen die als door een kwaadaardig onderaards dier aangevallen half uit de grond gedraaid op het beton van de kade lag. Morrend stonden we te wachten in de snijdende wind, en omdat we inzagen dat verdere inspectie de aanvankelijke geschoktheid wel eens in woede zou kunnen doen omslaan, wat door de onzekere afloop niet zonder risico was, begonnen we – in plaats van tot daden over te gaan – onze boot met spottende woorden te beschimpen, hetgeen er een bepaalde bescherming aan gaf, terwijl het ons tot onze verrassing een zeker gevoel van bevrijding bezorgde, dat prettig maar ook ongevaarlijk was. Iets dergelijks hadden we al zo lang niet meer meegemaakt dat zelfs diegenen die aanvankelijk erg zwijgzaam leken, af en toe het woord namen om iets toe te voegen aan het reeds gezegde; na het vallen van de benaming ‘ouwe rotschuit’, dan ‘gebutste pieremachochel’ en vervolgens de alles overtreffende omschrijving ‘waardeloos, gammel geval’ ontstond er een zekere mate van hilariteit waardoor we met bijna een soort van vertedering keken naar het krakend schommelende wrak dat voor ons in het water lag, een gevoel van verbondenheid zoals je dat kunt hebben met kleine prullen in je zakken. Tegen de tijd dat vanuit de twee evenwijdige zijstraten vlak bij ‘ons’ dok op bijna hetzelfde moment de EVA-jeeps aan kwamen scheuren en ze piepend afremden naast onze wat verspreid opgestelde groep, waren we er allemaal van overtuigd dat ‘onze boot’ ons niet in de steek zou laten. De onverwachte verschijning van de EVA- troepen, plots als een geselslag, bracht betrekkelijk weinig commotie teweeg, eerder een soort van nijdige voldoening, en zelfs voor het verplichte opstellen in rijen van twee kwamen we pas in beweging toen de tweede luitenant die de eenheid leidde schuimbekkend begon te schreeuwen. Enkele jaren eerder zorgde de verschijning van een wit uniform of een jeep er al voor dat we ons met bonkend hart en onder het angstzweet tegen de muur drukten, maar aangezien met het merendeel van de troepen ook de generale staf vertrokken was en deze eenheid, die helemaal niet zo bijzonder was als haar naam suggereerde, als enige nog ter plaatse was om de evacuatie van de achtergeblevenen af te wikkelen, was het afgelopen met de orde en werd de chaos compleet; de eens gevreesde uniformen werden nu gedragen door opgeschoten jochies, en tolken hadden ze ook niet meer bij zich want om te plunderen hoefden ze niet te praten; zodoende was van de oude meedogenloosheid slechts nog die krijsende toon over en van doelgerichte uiterlijkheden van de eens typische vertoningen alleen die lege, wanhopige, doelloze en lachwekkende plotsheid van een geselslag. Hoewel we op grond van eerdere ervaringen al wisten dat van de eens geolied werkende machinerie nog maar een slappe imitatie over was, gingen we ervan uit dat ze nu toch hun beste beentje zouden voorzetten en de resterende formaliteiten, die toch geen enkel nut meer hadden, snel zouden afhandelen. Lange tijd gebeurde er echter niets. Uit een van de jeeps kwamen vier of vijf burgers te voorschijn, die naar de boot werden begeleid, ze passeerden ons met onzekere stappen en met hangend hoofd, zonder ook maar één keer naar ons op te kijken; ons bagage werd uitgebreid doorzocht en toen de mannen niets van hun gading vonden, gooiden ze woedend een paar koffers en tassen in het water. Later bleven ze verschillende keren even achter iemands rug staan maar ze konden niet eens de smoezers pakken staan dat ze iemand op een ernstige overtreding hadden kunnen betrappen. Hun machteloosheid kwam ons des te triester voor omdat ze kennelijk niet konden begrijpen dat ons eerdere koppige verzet in de loop van de tijd was overgegaan in een fatale bereidheid tot samenwerking, die zonder twijfel verlammend werkt op een organisatie dat voor haar functioneren de voortdurende tegenstand harder nodig heeft dan de overwinning. Toen de situatie hun uiteindelijk te gênant werd, konden ze niet anders dan onmiddellijk beginnen met de identiteitscontroles. We moesten opnieuw in het gelid staan, ditmaal in een enkele rij voor de loopbrug, en tegen die tijd tolereerden ze zelfs dat de kolonne na een paar minuten uiteenviel en meer op een vermoeide, slaapdronken kudde leek dan op een gedisciplineerde groep. Ook de vaststelling van de persoonsgegevens was alleen voor hen problematisch, want ons maakte het helemaal niets meer uit welke persoonsbewijzen al dan niet geaccepteerd werden om onze identiteit aan te tonen, aangezien onze persoon noch onze identiteit nog van enig belang was. Onze documenten verhulden niets, wij konden immers zelf niet eens uitmaken welke echt waren en welke vals; we meenden dat elke naam, elk gegeven op ons van toepassing kon zijn, en aangezien het moeilijk te voorspellen was ‛wat het beste was om te zijn’, hadden we besloten om al het verzamelde te behouden. We mochten een voor een aan boord gaan, maar nog steeds wees niets op een aanstaand vertrek. Hoewel in de stuurhut al licht brandde, volgden we met groeiende vertwijfeling de onvaste bewegingen van de twee burgers, die daar zonder enig besef leken rond te tasten, alsof ze op goed geluk aan hendels trokken en op knoppen drukten in de hoop toevallig de juiste schakelaar te vinden; en wat de andere twee of drie burgers betrof, die waren al zo lang in het ruim verdwenen, waar ze kennelijk naar toe gestuurd waren om de mankementen van de motor de verhelpen, dat je er ‘bijna’ gif op in kon nemen dat de luie donders meteen een comfortabel hoekje hadden opgezocht waar ze tijdens de hele reis zouden kunnen slapen (en dat bleek ook zo te zijn). In die uitzichtloze situatie trof het ons dan ook als een ware verrassing dat we na een goed half uur een fijne trilling onder onze voeten voelden en even later het moeizame gesputter van de motor hoorden, dat alle twijfel wegnam; de twee burgers in de stuurhut knikten elkaar opgewekt toe en terwijl we naar hen keken, maakte zich ook van ons een soort opluchting meester, want nu we geen andere keus meer hadden dan hier weg te gaan, was de gedachte alleen al om te moeten blijven een gruwel. En hoe merkwaardig het ook lijkt: nu ons vertrek geen serieuze hindernis meer in de weg kon staan, aangezien het nu zeker was dat onze boot tenminste kon varen, was ons geduld plotseling op en vonden we het opeens verschrikkelijk belangrijk om geen minuut meer te hoeven wachten, en die minuten leken des te ondraaglijker omdat we ervan overtuigd waren dat de rest nog moest komen en we dus nog uren te gaan hadden. Die misvatting werd nog versterkt door de schijn: de mannen van de EVA stonden gelijkmoedig zwijgend om de jeeps heen, op hun gemak, sommigen staken zelfs een sigaret op; met recht dachten wij dus dat zij zich ook hadden ingesteld op een paar uur wachten, terwijl er in werkelijkheid sprake was van een veiligheidsmaatregel. Die mogelijkheid was niet eens bij ons opgekomen: nerveus en vol spanning staarden we naar de twee straten die naar ‘het dok’ leidden en dachten vol haat aan diegenen die misschien nu pas uit hun nest kwamen om wie weet wanneer pas op de kade te verschijnen. We stonden daar alsof we naar de donkere openingen van tunnels keken, waar uiteindelijk toch iemand vandaan zou moeten komen. Na een tijd hadden we al genoegen genomen met één man en onze haat veranderde langzaam in bezorgdheid, terwijl de gedachte aan een volkomen leeg en verlaten hoofdstad ondraaglijk werd; sommigen drukten zich tegen de reling en onze ogen deden zeer van het ingespannen turen, maar het was allemaal voor niets: er kwam nergens iemand vandaan. Toen de EVA-luitenant spottend naar de twee burgers gebaarde (de anderen leken door het ruim te zijn verzwolgen) en zij na de boot te hebben losgemaakt het anker lichtten, stonden wij allemaal op het dek, de ogen op de straten gericht, en het drong niet tot ons door dat we waren vertrokken, want we hadden tijd nodig om de onbestaanbare gedachte die suggereerde dat er mensen definitief hier bleven, een ander idee stellen: de lege waanzin van de ontvolkte stad. Sommigen waren al een beetje opgelucht toen de jeeps en de gelijkmoedige mannen eindelijk uit ons zicht waren verdwenen, en ze probeerden dat ook te laten merken, maar de meesten vatten pas moed toen we opeens – ‘bijna tegelijk’- opmerkten dat het licht was geworden. Langzaam zocht iedereen zich een plek op het achtersteven en rond het stuurhut, we probeerden de comfortabelste positie te vinden en sommigen deden pogingen – zonder veel succes – om een gesprek aan te knopen met de twee burgers om ten minste een vage voorstelling te krijgen waar we de komende tijd op moesten rekenen, of we nog zouden aanleggen voor de grens of pas daarna, en om te kunnen inschatten of er nog iets van voordeel los te peuteren viel op onze boot, waar de EVA kennelijk nog steeds het gezag had, zonder echter feitelijk aanwezig te zijn. Het was geen verrassing dat die pogingen mislukte, en wat dat betreft waren we er ook niet zeker van of het niet beter was dat wij niets begrepen. Wie eten bij zich had nam een paar hapjes, sommigen sliepen ook wat, vervolgens zaten we allemaal te kijken naar het landschap dat langzaam voorbijgleed, de onregelmatige wentelingen van de verlaten observatiepunten en de vlinderachtige vormen van de afweerbases, de zachte golving van de door de droogte gebarsten voormalige landingsbanen, de verkoolde resten van sparrenbossen op de heuvels, waarvan er steeds meer waren, we luisterden naar het huilen van de wind, het eentonige geratel van de motoren en het geklots van de Donau rond de scheepsromp; de vredige stilte werd slechts af en toe verstoord door angstige voorgevoelens van enkele uitgeputte leden van onze groep. De boot voer met dezelfde vredigheid stroomopwaarts, en omdat hun lot hetzelfde was, alleen hun richting anders, breidde onze zachtaardige aandacht zich uit naar de voorwerpen die we onderweg zagen: de kapotte, roestige wasteilen, de van hun ingewanden ontdane koelkasten en oliekachels op de stenen langs de oever, de resten van door midden gebroken bomen die voorbijdreven, de autobanden en stoelen, metalen vaten en plastic kinderspeelgoed, kadavers van reeën, honden en paarden – wat er ook in onze nabijheid opdook, we keken er met steeds diepgaander belangstelling naar, uiteraard slechts tot het moment waarop we beseften dat onze nieuwsgierigheid, sympathie en in sommige gevallen zelfs medelijden slechts werden ingegeven door de richting waarin we ze zagen wegdrijven. Algauw werden we allemaal door de slaap overmand, wie daar iets voor had, dekte zich toe, wie niet, probeerde een beschut hoekje te zoeken op het dek en met zijn handen in de zakken zo veel mogelijk ineen te kruipen, alleen de twee burgers bleven wakker in de stuurhut en keken zwijgend en tevreden naar het gladde wateroppervlak dat door de boeg werd doorkliefd. Nog steeds lagen we versuft op het dek toen er een nieuwe nacht viel, en er klonk slechts dof gegrom toen een van ons ineens opkeek, overeind krabbelde en naar het achtersteven liep, waar hij, wijzend naar het landschap dat in het pikdonker was gehuld en nu voor altijd zou verdwijnen, met bittere opluchting uitriep: ‘Mensen. Dat daar was Hongarije.’

Over de auteur:

László Krasznahorkai (1954) zijn eerste roman, de in 1985 verschenen Sátántangó (Satanstango), is de laatste jaren ook in het buitenland aan een triomftocht begonnen (Nederlandse vertaling Mari Alföldy 2012). Satanstango speelt – evenals Krasznahorkai’s eerste verhalenbundel Kegyelmi viszonyok (Omstandigheden van genade, 1986) waaruit dit verhaal afkomstig is, en zijn tweede roman De melancholie van het verzet – in een ongedefinieerde, desolate ruimte, die vaag in Hongarije is gesitueerd; de in wonderschone zinnen beschreven handeling brengt de hopeloosheid van het menselijk bestaan tot uitdrukking. De Hongaarse filmmaker Béla Tarr, met wie de schrijver ook als scenarist samenwerkt, verfilmde verschillende werken van Krasznahorkai, waaronder ook dit verhaal.

Over de vertaler:

Mari Alföldy (1962) studeerde klassieke talen en Hongaars. Zij vertaalde werk van Sándor Márai, Imre Kertész, György Konrád, Géza Ottlik, László Krasznahorkai en Dezső Kosztolányi.