thema:

De man met de magnetofoon

‘Ik kan me noch opdirken, noch mijn mond houden. Ik heb dezelfde microbe onder de leden als het kind uit het sprookje van Andersen, dat zich er niet van kan weerhouden te brullen dat de koning helemaal naakt is; ik ben een gevaarlijk provocateur, tenminste op het eerste gezicht.’ Met deze woorden karakteriseerde de Joods-Brusselse activist Jean-Jacques Abrahams (1935-2015) zichzelf in één van de vele brieven die hij naliet. Zijn ongeremdheid uitte zich zowel in schrijven, spreken als handelen. Een onderscheid tussen deze drie maakte hij immers niet. Zijn auto puilde uit van de schrijfsels en zodra hij begon te spreken was er geen speld tussen te krijgen. Als hij geen blad kon vinden, schreef hij op wc-papier. Vond hij geen gesprekspartner, nodigde hij zichzelf wel ergens uit —  desnoods via een raam. Mensen omschrijven hem als anarchistische indringer, alternatieve theoloog, geëngageerde performer, intellectuele vagebond, hyperactieve onruststoker, parasietachtige goeroe, maar vooral als l’homme au magnétophone, de man met de bandopnemer. Hoewel Abrahams en zijn opnameapparaat onafscheidelijk waren, kreeg hij dit epitheton pas toen zijn drang alles en iedereen op te nemen in 1967 de gebruikelijke grenzen radicaal overschreed.

 

Op zijn veertiende werd Abrahams door zijn vader verplicht in therapie gestuurd. De reden hiervoor is onduidelijk. Na meer dan vijftien jaar psychoanalyse richt Abrahams zijn dictafoon naar zijn arts, Jean-Louis Van Nypelseer, en vraagt hem verantwoording voor diens methodiek. Hij verwijt de analyticus zijn autoritaire en onmenselijke houding tegenover zijn patiënten en noemt het gebruik van de divan een fysieke geweldpleging. Abrahams draait de machtsstructuur om. Hierbij jongleert hij vaardig met het psychoanalytisch discours en spreekt de psychiater vaak aan alsof het om een kind gaat. Spelend met de verwarring en vrees van zijn arts, wisselt Abrahams sussende woorden en streng geroep voortdurend af. Wanneer Van Nypelseer hem gevaarlijk noemt, verduidelijkt Abrahams zich: ‘Als ik gevaarlijk ben, ben ik niet gevaarlijk voor Jean-Louis, ik ben gevaarlijk voor de arts, voor de sadistische arts, niet voor Jean-Louis.’
De psychiater gaat nauwelijks in op de provocaties en zolang het opnameapparaat in werking is, weigert hij te spreken. Meermaals vraagt hij Abrahams zijn dictafoon uit te schakelen en te vertrekken. Wanneer dit niet gebeurt en Abrahams daarop de enige deur van het kabinet blokkeert, schijnt de arts te willen vluchten via een raam. Andermaal reageert Abrahams spottend en hij vergelijkt het tafereel met een komisch toneelstuk. De opname eindigt wanneer Van Nypelseer, na minutenlang luid en angstig om hulp te roepen, dreigt de politie te bellen. Abrahams, die de telefoonlijn doorknipte, geeft hem er nog een laatste keer van langs: ‘Kom nu, laten we gaan zitten en laat ons wachten op de politie, de komst van uw vader.’ Op verzoek van zijn eigen vader en halfbroer, wordt Abrahams hierop tweemaal gecolloqueerd. Tevergeefs echter, de eerste keer wandelt hij de instelling eenvoudigweg buiten en de tweede keer weet hij te ontsnappen met een sprong van de derde verdieping.

 

Abrahams’ expliciet theatrale en antiautoritaire revolte bracht eind jaren ’60 en jaren ’70 een internationale discussie op gang. Abrahams verscheen o.a in Les Temps Modernes, L’Anti-Œdipe, Le Nouvel Observateur, Tel Quel en Semiotext(e). In 1976 werd zijn boek L’homme au magnétophone gepubliceerd, een zonderlinge verzameling brieven en (theater-)teksten waarin psychoanalyse, marxisme, Joods existentialisme, antipsychiatrie en (taal-)filosofie met elkaar vervlochten worden. Al gauw kende het werk vertalingen in Duitsland en Italië.

 

Ondanks de opvallende interesse voor het voorval, bleef Abrahams zelf steeds onder de radar. Toch duikt zijn naam op in haast alle mogelijke maatschappelijke sectoren. Abrahams verbindt tal van ondergrondse, alternatieve instituten en anti-bewegingen in België en Frankrijk. Zo intervenieerde hij bijvoorbeeld met zijn opnameapparaat in 1969 op de opening van Marcel Broodthaers’ Musée d’art moderne in het alternatieve, Antwerpse kunsten- en communicatiecentrum A 37 90 89 en speelden hij en zijn dictafoon een vooraanstaande rol in de Ecole Elisée Réclus (1974-1981), een post-mei `68 discussieplatform voor dissidenten van de Université Libre de Bruxelles. Bovendien maakte Abrahams als voorvechter van de antipsychiatrie filmopnames en theater samen met volwassenen en kinderen uit verschillende alternatieve (psychiatrische) centra als La Verrière nabij Parijs, Club Antonin Artaud te Brussel en Le Snark in La Louvière.
Onder de radar blijven was noodzakelijk, want vele impulsieve acties brachten Abrahams herhaaldelijk in contact met het Franse en Belgische gerecht. Zo verbood Interpol hem de toegang tot Frankrijk en werd hij in het vizier gehouden vanwege het smokkelen van lsd, paspoortvervalsing en diverse diefstallen — de meest opmerkelijke die van het lijk van zijn eigen moeder.

 

Zijn laatste wapenfeit was het dagvaarden van de stad Brussel voor de antisemitische glasramen in de Kathedraal van Sint-Michiel en Sint-Goedele. Begin jaren ’80 maakte een CO-vergiftiging een bruusk einde aan Abrahams’ toenmalige leven. Tot aan zijn overlijden in 2015 leefde de man met de bandopnemer in alle stilte.

 

De volgende, korte theatermonoloog uit L’homme au magnétophone getuigt van Abrahams’ talent zijn toehoorders volledig in te palmen. Bij aanvang looft hij de duidelijke en geruststellende basisconventie van het theater: de acteurs staan op het podium en hebben het woord, terwijl de toeschouwers zitten en zwijgen. Waar hij zijn toehoorders eerst overtuigt van het nut van deze regel, onthult hij ze niet veel later als de ultieme onderdrukking. Net als bij zijn psychiater, tracht Abrahams de huidige machtsverhouding bloot te leggen en om te keren. Hij vergelijkt de toeschouwers met weerloze, angstige kinderen, overgeleverd aan het autoritaire discours van de acteurs. De acteurs vervullen op hun beurt de rol van ouders. Roepend moedigt hij de toehoorders aan zich te emanciperen. Door zelf op te staan en het woord te nemen, zullen ze een einde kunnen maken aan hun angst en repressie. Abrahams maant hen aan zelf ouders te worden voor de rest van de wereld.

 

Terwijl Antonin Artaud in zijn Théâtre et son double (1938) pleit voor een afschaffing van podium en zaal, stelt Abrahams voor dat iedereen zich — althans denkbeeldig — op het toneel verzamelt. Zodra de toeschouwers echter meegaan in Abrahams’ bevrijdende denkoefening en zich al hogerop wanen, zet hij hen bruusk terug op hun plaats. Agressief en dreigend spot hij met hun naïviteit. Hiermee etaleert hij een laatste maal het gezag van de acteur. De vernedering blijkt echter educatief, Abrahams wilde louter het comfort en de vlotheid aantonen waarmee de toeschouwers opnieuw instemden met hun onderdrukking. De machtsverhouding blijft ongewijzigd, ze hebben niets geleerd. Of toch?
Het manipulatieve spel waarmee Abrahams de toehoorders, net als psychiater Van Nypelseer, zonder overgang heen-en-weer slingert tussen geruststelling en provocatie, was zijn strategie bij uitstek om mensen wakker te schudden. Hij hechtte dan ook veel geloof aan het emancipatorische en genezende potentieel van stemgebruik en theater. Theater geeft mensen de mogelijkheid hun lot weer in eigen handen te nemen. Net als Artaud hoopte hij leven en theater te kunnen verzoenen. De monoloog is emblematisch zowel voor Abrahams’ verlangen naar een transparante, verenigde wereld, als voor zijn vaak vurige en slinkse manier van spreken en schrijven.

 

Ondanks Abrahams’ statuut van absolute outsider, duikt zijn naam geregeld terug op in de geschiedenis. Meer dan een zonderlinge casus vormt hij immers een radicale incarnatie van een tegencultuur. Als geen ander weet hij de idealen van ’68 als het anti-institutionele en de gezagsverwerping ten volle te doorleven en tastbaar te maken. Un rien de révolte, une joie totale!

Over de auteur:

Naninga Lens (Houwaart, 1992) is onderzoekster en kunstenares. Ze studeerde grafiek aan KASK Gent en wijsbegeerte aan de KULeuven. Recent publiceerde ze A/Altona/Altamira (Croxhapox, 2016) in het kader van een onderzoek naar het leven en werk van Jean-Jacques Abrahams (1935-2015), L’homme au magnétophone. Ze woont en werkt in Brussel.