thema:

De passant

De passant, zo wordt hij genoemd – en al vindt hij het geen lelijk woord, het is dermate neutraal dat hij zich er moeilijk raad mee weet – zit in de kast en wacht op zijn beurt. Zijn beurt valt als de kast opengaat. Ook de kast is neutraal, een gemiddelde klerenkast uit een tweepersoons hotelkamer, eiken, met twee panelen en in het slot een sleutel met vierkant oog. Een kast die dienst doet in het scheikundelokaal en nu van planken is ontdaan. De kast is aan de achterkant open en de passant is er aan die kant, veel te vroeg voor zijn beurt, ingekropen. Hij zit ineengevouwen in de kast die straks open zal gaan, geleund tegen de deur in die positie dat zijn bovenlijf achterover zal vallen op de vloer voor de kast. De passant zit, ruikt en luistert. Hij ruikt de stenen vloer van de aula, hij ruikt hem door de kast heen. Het is niet de eerste keer dat hij in de kast zit en de vloer is hem bekend. De vloer van de aula strekt zich tientallen meters uit, over het speelvlak, onder de stoelen en onder de kast die tegen de nis staat. Sluipen heeft de passant geleerd. Achterwaarts de kast in sluipen zodat niemand hem hoort terwijl de spelers, de niet-passanten en blijvende spelers met elkaar in dialoog zijn. Zich in de kast vouwen terwijl geen zijpaneel kraakt en pal tegen de deur terechtkomen, met het hoofd tussen de knieën, klaar voor een ontspannen rugval zonder het geforceerde uitslaan van de armen, de siddering van het publiek bemerken en daar een kort genoegen aan beleven, doodstil de uitroep van de speler negeren.

Het hoofd tussen de pijpen van de suède broek, ettelijke scènes voor zijn verschijning, bemerkt de passant in het schemerdonker van de kast op zijn broek een vlek, een plek waar het wit niet reflecteert, niet ver van zijn kruis. De kast is op dat moment niet meer dan een huls om hem heen, een hoge schacht waarin hij op de bodem ligt. Verdiept in de vlek, niet ver van het kruis maar ook niet op het kruis, wacht de passant niet langer op de opening van de kast. Hij dwingt de voorstelling naar achter en speurt in zijn herinnering naar iets dat hem is overkomen. Noch in zijn spieren noch in zijn kruis heeft hij een samentrekking gevoeld, pas later, nadat hij de vlek bemerkte. Hij betast voorzichtig met zijn vingers de plek, die droog aanvoelt, die een onteigende plek op zijn kostuum is en hem zijn vertrouwdheid met de kast ontneemt; de kast kan nu niet open, de passant is zijn concentratie kwijt. En terwijl de scènes achter hem in hoog tempo gespeeld worden ervaart hij weerzin, drempelvrees zou hij het later noemen. Hij voelt zich geen onderdeel meer van een geheel waar kast en passant hun rol in vervullen. In de seconden dat voetstappen de kast naderen schiet hem de roep om perfectionering te binnen, elke voorstelling is een try-out die beter kan dan de vorige, alles kan beter en levensechter en er zal zonder dat er tijd was hem er kennis van te geven na het stomen van zijn  pak een detail op geverfd zijn, rood of diepgeel zodirect in het volle licht, wat hij niet zal zien, een plek waar hij niet naar zal kijken. En met een ingehouden zucht valt de passant uit de kast, voor de voeten van de hoofdrolspeler, die na zijn kreet en het stille spel om hem heen de passant bij de voeten neemt, om hulp vraagt aan een ander die hem bij de polsen neemt en hem samen door de aula draagt naar de achteruitgang waar hij net buiten het zicht en gehoor van het publiek als iedere avond met zachte en vermoeide stem het commando ‘en nu zelf lopen’ krijgt, waarna de passant opveert en de gang naar de gymlokalen in sprint.

 

De Passant - Tijdschrift Terras

foto 1. Marije opent de kast.

 

De Passant - Tijdschrift Terras

foto 2. Het lijk wordt gevonden.

 

De Passant - Tijdschrift Terras

foto 3. Het lijk valt uit de kast.

 

De Passant - Tijdschrift Terras

foto 4. Het lijk wordt gefotografeerd.

 

De Passant - Tijdschrift Terras

foto 5. Het lijk wordt opgeruimd.

 

De Passant - Tijdschrift Terras

foto 6. Het lijk wordt nogmaals omgebracht.

 

 

Fotografie: Nan van Drunen.

Over de auteur:

Erik Lindner (1968), dichter en criticus. Recente publicatie: Terrein (poëzie, 2010), Naar Whitebridge (roman, 2013) en Acedia (poëzie, 2014). In het Duits verscheen Nach Akedia (poëzie, 2013) en in het Italiaans Fermata Provvisoria (poëzie, 2013) en Acedia (poëzie, 2016). www.eriklindner.nl In januari 2018 verschijnt bij Van Oorschot Zog, zijn zesde dichtbundel.