thema:

De reizigers

Naar mijn idee bestaan er grofweg drie soorten reizigers, alhoewel reiziger misschien niet helemaal het goede woord is. Vakantieganger is een beter woord, en soms zelfs thuisverlater. Het hangt immers maar net van je motivatie af, of je ergens heen gaat of juist ergens van weg.

De eerste groep, waarschijnlijk de grootste, bestaat uit vakantiegangers, mensen die iedere zomer, al dan niet met hun gezin, in de auto stappen of het vliegtuig, en dan twee of drie weken naar elders gaan. Dat ‘elders’ is zo divers als wat, al zijn en blijven bepaalde bestemmingen natuurlijk razend populair. Deze mensen hebben een huisje of een appartement gehuurd of staan op een camping. In wezen verplaatsen ze hun huis naar een andere plek. Ze creëren iets vertrouwd ‘in den vreemde’ en van daaruit exploreren zij onbekend terrein. In de avond keren ze weer terug naar het huisje of het appartement, het is al een beetje hún plek, en na twee of drie dagen, of na een week, al helemaal. Dan is het hun paadje, hun rivier, hun bosrand. Kijken ze uit op een kasteel, dan is dat hun kasteel. De plek wordt steeds vertrouwder. Er sluipen ook dingen binnen die alleen van hen zijn. Meegebrachte waren of spullen die ter plaatse zijn gekocht. Een keramische vaas, een sjaal die over een stoel wordt gedrapeerd, een fles olijfolie. Deze mensen exploreren niet metéén een onbekend gebied maar leggen er eerst, of tegelijkertijd, hun eigen wereld overheen. Pas dan verkennen ze de omgeving, en zo betrekken ze dit gebied stap voor stap bij hun tijdelijk onderkomen. Na twee weken is het alsof ze er wonen. Maar wanneer ze vertrekken en het vakantiehuis wordt leeggemaakt, oogt het meteen vreemd, en koud en kil. Het is niet meer van hen. Ook de omgeving oogt plotseling anders want de omgeving  blijft, en zij gaan weg. Maar de mensen ervaren het gek genoeg andersom: het is de omgeving die wijkt.

De tweede groep zijn de mensen die het avontuur zoeken. Ze reizen naar verre al dan niet exotische bestemmingen en blijven daar twee of drie weken. Ze slapen in boomhutten, overnachten in een woestijn, duiken naar de bodem van een zee, gaan bungeejumpen, op safari, kijken naar krokodillen, lopen over smalle houten bruggen over de meest afschuwelijke ravijnen, eten schapenogen en komen murw van het avontuur weer thuis. Natuurlijk zijn ze veel te kort weg om zich  een plek toe te eigenen, in wezen hebben ze slechts twee, drie weken lang één grandioos pretpark bezocht maar dan ‘in het echt’, vol spanning, sensatie en avontuur. Zij komen niet zelden thuis met het gevoel ‘zichzelf overwonnen te hebben’. De zogenaamde outdoorprogramma’s staan er bol van.

Deze groep is nadrukkelijk te onderscheiden van de echte avonturiers die naar verre oorden trekken. De avonturiers staan hors concours omdat zij niet tot de vakantiegangers maar tot de ontdekkingsreizigers behoren. Zij betreden onbekend gebied en brengen dat in kaart, leven maanden of jaren tussen de meest uitheemse groepen, leren een taal spreken waarvan ze niet eens wisten dat zij bestond, observeren en luisteren of noteren gewoontes van de meest verschillende groepen. En wanneer ze zich niet tussen de mensen bevinden, kijken ze naar de sterren, slaan ze zich een weg door het ijs, laten ze zich de ruimte inschieten of sluiten ze zich jaren op in een klooster en verkennen geestelijk terrein. Zij overwinnen zichzelf niet maar maken zich juist dienstbaar aan een ongebreidelde nieuwsgierigheid en het exploreren van nog onbekende werelden.

Tenslotte de derde groep.  Dat zijn de thuisblijvers, zelfs wanneer zij vertrekken. Misschien kun je hen beter de ‘thuiszoekers’ noemen. Deze derde groep zoekt geen tijdelijk vakantie-onderkomen maar een  ‘thuis’  op een andere plek. Ze zijn het meest gelukkig wanneer ze een plek herkennen. Ze zoeken plekken waarvan ze weten dat die bestaan, ook al zijn ze er nog nooit geweest. Zoals je een mens kunt herkennen, soms in enkele seconden. Deze mensen reizen vaak naar eenzelfde plek. Of naar een aantal van dergelijke plekken, eens in de zoveel tijd. Ze blijven ermee bezig.

Hoe lang duurt het eigenlijk om een plek te leren kennen? vraagt de Chinees-Amerikaanse geograaf Yi-Fu Tuan zich af in zijn boek Space and Place, The Perspective of Experience. De moderne mens is zo mobiel dat hij geen tijd heeft om ergens te aarden, zijn ervaringen en waarnemingen van een plek zijn doorgaans oppervlakkig en bestaan uit louter conventionele kennis. We kunnen abstracte kennis over een plaats namelijk snel tot ons nemen (via kaartlezen bijvoorbeeld) evenals, in wisselende mate, visuele kennis. Maar om een plek echt aan te voelen, stelt Tuan, heb je tijd nodig. Tijd die is gevuld met wedervaardigheden van doorgaans voorbijgaande en ondramatische aard, en dit dag na dag herhaald, en dat gedurende jaren. Het is een uniek samengaan van zicht en reuk en gehoor, het is een samengaan van ritme, werk en spel. Het gevoel van een plek wordt uiteindelijk opgeslagen in de beenderen en de spieren van de mens. Kijk maar naar een zeeman, schrijft Tuan. Die heeft een karakteristieke manier van lopen omdat hij gewend is geraakt aan het sterk deinende dek van een boot op hoge zee. En een boer in een bergdorp ontwikkelt andere spiergroepen en een andere manier van bewegen dan een man van het platteland die nooit klimt. Een plek heeft dus tijd nodig om zich te laten kennen. Toch maakt Huan hierop een enkele uitzondering. Niet dat hij stelt dat je een plek leert kennen wanneer je er slechts oppervlakkig notie van neemt. Nee, hij maakt een uitzondering voor het geval van herkenning. Tuan citeert de filosoof James K. Feibleman die heeft gezegd dat het gewicht van de gebeurtenissen in iemands leven belangrijker is dan de duur ervan. Een man, zegt Feibelmann, kan een jaar om de wereld reizen zonder dat dit noemenswaardige indruk maakt. Maar hij kan slechts gedurende enkele seconden het gezicht van een vrouw zien, en zijn leven is veranderd. Een man kan op het eerste gezicht verliefd worden zowel op een plek als op een vrouw, gaat Feibelmann verder. De glimp van een woestijn, een berg of de jungle kan een gevoel van vreugde oproepen, maar ook een onverwacht gevoel van herkenning, van een pure en oorspronkelijk wereld waarvan men altijd heeft geweten dat die bestond. Dit herkennen gebeurt in een flits en vormt een uitzondering op de tijd die nodig is om een plek te leren thuisbrengen.

Deze uitzonderlijke manier van herkennen kan zich ook voltrekken via louter overlevering. Tuan neemt hier de Britse schrijver C. S. Lewis als voorbeeld. Toen Lewis in zijn jeugd naar de muziek van Wagner luisterde, of sagen en mythen uit het Noorden las, onderging hij kortstondige maar zeer sterke gevoelen waar hij helemaal geen woorden voor had maar die hij later omschreef als vreugde (Joy); een steek, een flits, een ontroostbare verlangen naar een wereld naast de alledaagse werkelijkheid. Lewis noemde dit zijn ‘Northerness’ (een bijzonder sterke interesse in het noorden van Engeland en de Scandinavische landen, gekoppeld aan een verlangen naar een onbereikbare, imaginaire wereld). Northerness behelsde voor hem het idee van een immense, heldere ruimte boven de Atlantische Oceaan, die in de eindeloze deemster van de noordelijke zomer hing. De droefheid en de onveranderlijkheid van de noordelijke wereld appelleerde aan iets wezenlijks in zijn natuur. Maar de schrijver heeft er nooit gewoond en is nooit naar het Noorden gereisd om zijn beelden te toetsen aan een zintuiglijke ervaring. Lewis werd gegrepen door een landschap via bepaalde muziek en literatuur en heeft deze ervaring de rest van zijn leven bij zich gehouden, en uitgewerkt. Alleen dat al nam me overigens enorm voor de man in.

Het herkennen als in bovenstaand beschreven, bewerkstelligt een gevoel van thuis zijn of thuis komen bij iets of iemand, een diepgeworteld gevoel. Vandaar dat ook dat deze groep reizigers, wat mij betreft, onder de thuisblijvers valt. Thuis kun je dan, lijkt mij, opvatten als ‘bij jezelf’. Uitgerekend op die plek of met die ander val je samen met jezelf. Thuis komen is daarom vrij zijn; vrij ván jezelf en toch mét jezelf. Het is een aparte categorie van, al dan niet imaginaire, reizigers.

De thuisblijvers zijn natuurlijk ook de echte thuisblijvers; degenen die gewoon niet weg gaan. ‘Waarom,’ vroeg ooit de vader van een vriendin van mij, een boer met een boerderij en een stuk land op een prachtige plek aan de dijk langs de IJssel, ‘waarom vertrekken als het hier zo mooi is?’ ‘Nergens anders is het zo mooi als hier. Ik maak hier alles mee want iedere dag is anders. Kijk toch naar buiten,’ riep hij, en hij wees naar de rivier, ‘kijk toch eens.’ Hij ging in zijn stoel zitten. ‘Nee, ‘ zei hij, ‘ik zie geen enkele reden om te gaan.’

Graaf, militair en schrijver Xavier de Maistre (1763 – 1852) ging ook een tijd zijn huis niet uit, al was dat onvrijwillig. Na een verboden duel kreeg hij zes weken huisarrest. Deze periode greep hij aan om een reis door zijn kamer te maken in precies 42 dagen. Daar zaten naar zijn idee ook nogal wat voordelen aan want het kostte niets en zelfs zieken en bangeriken konden mee op reis.

‘Volg mij,’ roept de Maistre zijn lezers op, ‘u allen die door liefdesverdriet of teleurstelling in de vriendschap aan uw woning gekluisterd bent (…)’.  Elke dag, belooft hij, zullen we een end op pad gaan en lachen om de reizigers die Parijs of Rome hebben gezien. Wij leveren ons over aan de verbeeldingskracht. Op deze wijze doorkruist de graaf zijn kamer en passeert hij tal van voorwerpen waar hij herinneringen aan heeft of die bespiegelingen bij hem oproepen. Zoals zijn leunstoel en de haard, maar ook zijn bed , dat meubel waarin wij ‘tijdens de ene helft van ons leven de narigheid van de andere helft vergeten’. Hij staat uitgebreid stil bij het portret van Madame de Hautcastel met wie hij een verhouding had. Hij bezingt de kleuren roze en wit die in zijn optiek staan voor genot en gelukzaligheid, maar beschrijft ook zijn rechtschapen huisknecht, meneer Joannetti, die op een dag (dat wil zeggen tijdens een van de ‘reizen’) constateert dat de ogen in het portret van Madame Hautcastel je overal volgen, en dan overpeinst de graaf dat die ogen niet alleen Joanetti volgen maar ook hem, en strikt genomen een ieder die de kamer instapt. Dat brengt de graaf tot de treurige gedachte dat hij niet de enige is naar wie gekeken wordt, en dat het portret ’even ontrouw is als haar origineel’. ‘Ziedaar een mooie gelijkenis tussen bepaalde portretten en zij die er model voor hebben gestaan, iets dat door geen filosoof, geen schilder of criticus nog is opgemerkt.’ ‘Ik doe de ene ontdekking na de andere’.

Een volgende dag (dus een andere reis) vertelt hij over zijn hondje Rosine en over de prenten aan de muur. Neem nu de prent waarop de ongelukkige Charlotte de pistolen van Albert afstoft, haar hoploze liefde tekent zich af op haar gelaat terwijl Albert zich koeltjes omdraait om een vriend uitgeleide te doen. De graaf zou deze Albert wel uit de lijst willen trekken, en hem aan flarden scheuren en vertrappen. Maar ach, verzucht hij dan, welk gevoelig mens heeft niet zijn eigen Albert (..)?

En dan wendt hij zich tot de volgende prent: een herderinnetje in de Alpen. Maar hoe idyllisch ook, de schapen, de boomstronk, de lichtpaarse bloesem, het beeld verhindert hem niet om het naderend ongeluk te voorspellen: soldaten die de berg opklimmen en het gebulder van de kanonnen in ‘het hoge huis van de donder’. ‘Vlucht, herderinnetje, drijf je kudde op’.

En verder reist de graaf,  onderweg staat hij nog uitgebreid stil bij zijn spiegel, zijn bureau en zijn schrijfcassette, maakt een wandeling langs zijn bibliotheek, langs romanciers en dichters en verzucht: ‘alsof ik niet genoeg te stellen heb met mijn eigen onverkwikkelijkheden, deel ik vrijwillig ook nog die van talloze denkbeeldige figuren (…).’ Langzaam maar zeker nadert de graaf echter het einde van zijn reis, hij wijdt nog vlug een beschouwing aan het reistenue, en zegt dan dat zekere lieden hem zijn vrijheid weliswaar willen teruggeven, maar concludeert:  ‘Alsof ze me die ontnomen hadden! Alsof het in hun vermogen lag mij er ook maar één minuut van te beroven en mij te beletten op eigen houtje de geweldige ruimte te doorkruisen die altijd wijdopen voor mij ligt!- Ze hebben mij verboden een bepaalde stad, een bepaalde plek te doorkruisen, maar ze hebben mij het ganse heelal ter beschikking gelaten (..).’

Over de auteur: