thema:

Doggerland

Vertaling:

John was niet van plan geweest invalleraar te worden. Na zijn examen was hij die zomer met de rugzak Europa doorgetrokken, in gezelschap van zijn vriendin uit de zesde klas, een reis die begon met zeeziekte op het veer naar Zeebrugge, gevolgd door straatroof in Lissabon en zonnebrand in Trieste, en die (gelijk met hun relatie) eindigde in een spectaculaire ruzie in de schaduw van de Acropolis. Terug in Engeland had John zich ingeschreven aan een gemiddelde kunstacademie in een gemiddeld provinciestadje, een paar kilometer van waar hij was opgegroeid. Hier verlosten zijn leraren hem al snel van het idee dat je voor kunst zoiets als wat hij verstond onder vaardigheid nodig had, net zoals een Deense uitwisselingsstudente hem iets later en met verrukkelijke traagheid verloste van het idee dat je voor seks zoiets als wat hij verstond onder liefde nodig had. In zijn tweede jaar had hij gevonden wat hij bondig zijn ‘ding’ noemde: het filmen van provinciale scènes met een goedkope Flip-camcorder, waar hij verhalen uit de plaatselijke folklore overheen opnam, uitgesproken door de bruine, naargeestige stem van een verlopen ex-acteur, een man die zijn nachten – en als hij geluk had bij de fruitmachines, zijn ochtenden – wijdde aan het zich gestaag dooddrinken in de middelgrootte Wetherspoons van het stadje. Met illegale software knipte John de fragmenten van arbeidskantoren en kringloopwinkels, van latte-nippende bejaarden en schimmelige goths, en monteerde die over de verhalen van een verdwijnend verleden: een negentiende-eeuwse graaf die een luipaard als huisdier hield, het proces tegen een abdis die van hekserij werd beschuldigd, het verdrinken in de voormalige moerassen bij de rondweg van een compleet Romeins legioen, waarvan naar verluidt de Latijnse kreten nog altijd te horen waren, weerklinkend door de drooggelegde grond, waar nu kolen groeiden onder een schuimende hoogspanningsmast, een gelid van marmeren hersenen.

John – en zijn van stijgende bewondering vervulde docenten – waren zich er niet van bewust dan zijn films niet helemaal origineel waren, dat zijn collages van Engeland nu en Engeland toen waren afgeleid van andere, scherpere visies. Hij werd geprezen om zijn ‘zelfkantromantiek’ en kreeg de eerste prijs, en een plek in het Masters-programma van een academie in Londen. Voor hij vertrok bracht hij nog een middag door met de ex-acteur, ze dronken kleverige, misselijkmakende rosé op het betonnen gevangenisplein van Wetherspoons’ rookterras. Met happen en hijgen vertelde hij John dat hij een diagnose – ‘fataal, natuurlijk, maar zo ongelofelijk zeldzaam dat ik me nog een beetje bijzonder voel’ – van hartkanker had gekregen.

 

Het comfortabele gevoel van goede prestaties kon John niet uit de provincie meenemen naar Londen. Hij hoefde maar even naar het werk van zijn klasgenoten te kijken, hij hoefde maar even naar hen te kijken, om te weten dat het veel beter was dan het zijne. Zijn nieuwe ateliergenoot Osric (‘zeg maar Ozzie’) werkte vanaf het begin geweldig hard, produceerde enorme aantallen abstracte macho-schilderijen, die hij met tegenzin bedekte met een vernis van zwakke ironie, een noodzakelijk cosmetisch laagje voor deze catwalk van eigentijdsheid. In steeds opvallender contrast bleef Johns kant van hun gedeelde werkruimte tijdens de eerste dagen en weken leeg. Of het nu aan de stad lag of aan de exotische wezens die lachend aan de lange schraagtafels in de eetzaal gingen zitten alsof ze al jaren vrienden waren, er was iets waardoor al Johns ideeën in hem bevroren, en daar bleven ze, in cryogene slaap, in afwachting van wederopwekking (wanneer? en met gebruikmaking van welke technologie?) door zijn toekomstige zelf. Het moment van zijn eerste beoordeling kwam. Docenten en studenten hingen tegen de wanden van zijn atelier, klaar om te pikken op wat hij te bieden had, terwijl hij er volgens de vastgestelde richtlijnen stil bij bleef staan. Aan John’s kant van de ruimte stonden een enkele door de academie verstrekte stoel en een bureau zich te verontschuldigen in de hoek. Ozzie’s kant puilde indringend uit van de verftubes en stukken doek, houten ramen en vettige doeken.

Aanvankelijk onzeker maar met steeds meer zelfvertrouwen begon de groep zich door Johns ruimte te bewegen. Mensen bekeken de kale muren en de vloer die onaangedaan was door verse sporen of spetters. Sommigen bleven bij het bureau en de stoel hangen, alsof die een antwoord, of een vraag, konden bevatten. Anderen hielden hun ogen op John gericht. Dit kon moeilijk een performance zijn. Niet van die rustige jongen, uit zijn rustige niksstadje.

‘Dus het gaat over afwezigheid?’ zei een klasgenoot tenslotte, en schommelde op zijn hakken.

‘Of over arbeid’ zei een ander. ‘De kunstenaar als arbeider’.

‘Of over overdaad’ zei een derde. ‘De wereld is al zo vol voorwerpen, vol spul. Moeten we er echt nog iets bij maken?’

De hoofddocente keek over haar bril naar John. Ze was anders dan de docenten op zijn oude academie. Musea in New York en Zürich, Londen en Berlijn stelden haar werk ten toon. Ze was dan wel niet beroemd genoeg voor de bladen, maar erkend, gelouterd, bekend.

‘Goed, wat is het dan, John?’ zei ze. ‘Wil je ons niet iets vertellen over deze’ – ze zocht even naar het juiste woord – ‘situatie?’

John keek naar zijn voeten, naar de kale meters die zich voor hem uitstrekten.

‘Dat doe ik liever niet.’

‘Geweldig!’ klapte de hoofddocente. ‘Nou, dat is alles wat we vandaag van je willen horen, denk ik.’ ‘Goed,’ zei ze, en richtte zich tot Ozzie, ‘het lijkt erop dat er weer een verfbespatte Hercules langs ons toelatingscomité is geglipt. Wat gaan we in vredesnaam met jou aanvangen?’

Dat John die eerste beoordeling doorkwam verbaasde hem niet zo. Uit colleges in kunstgeschiedenis wist hij dat er precedenten waren voor dit soort dadenloosheid (kunstenaarsstakingen, onzichtbare beelden, duistere getypte mededelingen dat het werk niet gemaakt hoefde te worden), en dat de reactie op zijn lege atelier meer was dan een simpel geval van de nieuwe kleren van de keizer. Wat hem verbaasde was dat hij de beoordelingen maar bleef doorkomen, hoewel hij het niet kon verdragen om ook maar één ding te maken, en elke poging ontdook om iets uit te leggen. Elke keer dat de docenten en studenten zijn ruimte bezochten, werd de schaamte die hij op zijn wangen voelde branden uitgeblust door een rij ontvankelijk glimlachende gezichten, en hij begreep al snel dat juist zijn weigering zichzelf te voorzien van een context of een rechtvaardiging hun belangstelling gaande hield. Geen materieel kunstwerk maken was een gangbare vorm van risico. Maar dat hij zich niet tegen dat risico indekte met theorie, bij voorkeur niet eens zei of het kunst was of niet, daarmee had hij toch zeker de laatste grens van immaterialiteit overschreden? Voor een dergelijke toewijding waren hersenen en ballen nodig. Er is een gangbare angstdroom (heb je die wel eens gehad?) waarin degene die droomt op een examen zit waarvoor hij zich niet heeft geleerd. Dat is ongeveer hoe John zich voelde tijdens die duizelige, onwerkelijke groepsbeoordelingen, behalve dat er in de examenzaal van zijn atelier confetti op zijn onaangeroerde antwoordblad viel, en dat de surveillant iedereen voorging in wild applaus.

Hoewel hij het haatte dat zijn blokkade, zijn dichtklappen zoveel misplaatste aandacht opeiste, ging John elke dag weer naar het atelier dat zijn ambities zo belachelijk maakte, en keek daar urenlang op zijn laptop naar oude films, of las de syllabus door die de kritische studielector de studenten op de eerste dag met de moed der wanhoop in handen had gegeven. Af en toe maakte hij zijn helft van de ruimte schoon, waarmee hij geruchten aanwakkerde dat zijn werk nu een ritueel aspect had gekregen, of hij scrollde lusteloos door websites van complottheoretici, waarna hij aan het eind van elk vermoeiend betoog over kogelpaden en het smeltpunt van I-profielen concludeerde dat er maar een complottheorie was die de naam mocht dragen, en die zich voor iedereen zichtbaar verborg: de sterken tegen de zwakken. Toen het lentesemester een maand begonnen was, vroeg Ozzie, die half gek werd van Johns apathie, of hij naar een ander deel van het gebouw kon worden overgeplaatst. Hoewel de andere studenten John intussen graag mochten (hij was welwillend en keek scherp als hij hun werk beoordeelde, en op zijn eigen milde manier was hij leuk in de kroeg), kon niemand van hen, zelfs zijn beste vrienden Ant en Nish niet, het idee verdragen in de steriele omgeving van zijn atelier te moeten trekken, waar zelfs de meest bescheiden materiële aanwezigheid belachelijk leek, een belediging van de zuiverheid van wat zij zagen als een in scène gezette leegte, een heilig niets. Zo werd de lege ruimte die John innam twee keer zo groot. Die avond laat, in zijn vochtige kamer, stelde hij zich voor dat die zich zou uitbreiden tot de hele academie, de hele wereld.

Over de auteur:

Tom Morton (1989) is een Brits schrijver, onafhankelijk curator en redacteur van 'frieze'. Hij werkt momenteel aan zijn eerste roman.

Over de vertaler:

Han van der Vegt (1961) is dichter/schrijver en vertaler. Zijn bekendste gedicht is waarschijnlijk 'Exorbitans', dat niet alleen als boek maar ook als ruimteopera uitkwam, op cd, met muziek van Jan Frans van Dijkhuizen. Hij publiceerde onlangs een nieuwe vertaling van Omeros van Derek Walcott en werkt nu aan een sciencefictionroman over Julius Caesar.