thema:

Driesprong

Vertaling:

Met haar fotoapparatuur op haar rug stapte ze uit bij het station dat het dichtst bij het drukke toeristische gebied lag, en nam de trap naar beneden vanaf het hooggelegen perron. Ze stopte bij de uitgang van het station en keek tussen de gestaag neerdwarrelende sneeuw door voor zich uit. Voor haar lag een groot plein omgeven door koffietentjes en winkels vol slordige rijen kraampjes, waarop allerhande spullen en versnaperingen werden verkocht. De rijbaan rechts van het plein kwam niet veel verderop uit bij een driesprong, een punt waar voetgangers, fietsers, auto’s en trams uit allerlei richtingen elkaar ontmoetten.

De rails kruisten elkaar in het asfalt van de driesprong en er stonden allerlei verkeerstekens op de weg voor de verschillende weggebruikers. De borden waren bont en ingewikkeld en sommige waren met geelwitte verf doorgekruist om aan te geven dat ze vervallen waren, waardoor de ongeldige aanwijzingen nog meer in het oog sprongen dan de geldige. En terwijl er toch echt drie zebrapaden waren, waren er maar twee paar voetgangersstoplichten zodat je alsnog zelf de verkeerssituatie moest beoordelen en besluiten of je wilde oversteken. Omdat de toeristen uit allerlei landen ter wereld kwamen, vatten ze de verkeerstekens allemaal anders op en was de situatie op deze driesprong nog rommeliger dan de bewegwijzering. Er waren altijd voetgangers die door rood liepen, het zebrapad negeerden en precies daarheen liepen waar ze naartoe wilden via de route die hen beliefde. Door spookrijders en fietsers die op de stoep reden omdat er een kruis door het fietspadteken stond vervaagden de oorspronkelijk onderscheiden verkeersstromen en het verschil met voetgangers, terwijl de tramrails eigenlijk strikt gescheiden hoorden te zijn van de voetgangersgebieden. Tegen het hek langs het trottoir stond een dichte wirwar aan fietsen geparkeerd, die als een dranghek een verwilderd gebiedje afzonderden tussen de hekken, en de mensenstromen op een afstand hielden zodat het er verbazingwekkend verlaten was. Daar wilde ze heen: naar een klein hoekje in de grootste groep fietsen vlakbij de driesprong, aan de kant van het plein.

Ze had lang van tevoren bedacht dat ze vanuit dat kleine hoekje de complete driesprong vrij kon observeren. Als ze daar was zag ze recht voor zich de vier banen die vanuit beide richtingen naar de driesprong leidden de trambaan doorkruisen. Aan haar linkerkant bevond zich een verhoogd trottoir midden tussen de vier banen, waar trampassagiers op de tram wachtten. De plaats die ze in gedachten had was een keerpunt, want alle wegbanen aan de linkerkant waren eenrichtingsverkeer, en de voertuigen en trams die op haar af reden konden alleen de eenrichtingsbaan indraaien die recht voor haar langs liep. De trams die aan haar rechterkant langsreden voegden zich ook bij de wegbaan aan haar linkerkant, en als automobilisten zonder nadenken achter de tram aanreden, draaiden ze vanzelf rechtsaf een van de andere banen op, kruisten de trambaan, en reden bij haar vandaan. De drie zebrapaden rechts van, vóór en links van haar bevonden zich op een afstandje van haar beoogde positie, zodat de overstekende voetgangers geen grote invloed op haar hadden. Daar was ze erg tevreden mee en ze wilde het plekje snel gaan bezetten. Ze stapte door de schuifdeur van het station naar buiten. Omdat ze zo geconcentreerd op haar doel af liep, lette ze niet op wat er naast haar gebeurde en zoefde er een fietser, die het plein helemaal niet over mocht, rakelings voor haar langs. Het deed haar niets. Ze hield haar blik gevestigd op het doel dat ze in gedachten had, en dacht alleen maar aan hoe ze dat plekje zou bezetten, waar niemand op haar zou letten en niemand haar zou storen.

Maar ze had er niet op gelet dat het weekeind was, het laatste weekeind voor Kerst nog wel, en het leek wel alsof iedereen die nog cadeaus wilde kopen vandaag op pad was gegaan. De marktkooplui hadden deze kans ook gegrepen, ze maakten dankbaar gebruik van de koopgekte en hadden al hun waren uitgestald. De overvloed aan waren en mensen liep over naar de omgeving van de driesprong. Zelfs alleen rustig ertussendoor lopen was al bijzonder moeilijk, want er was geen route die haar op haar gemak over het plein leidde. Met haar hoofd gebogen hield ze haar blik gericht op de tijdelijke elektriciteitskabels die zich uitstrekten onder de talloze voetzolen. De gebundelde kabels kronkelden tussen de kraampjes door en vormden een bijzonder patroon op de straatstenen. Wat zou het toch mooi zijn als er geen mensen rondstapten op dat patroon, dacht ze.

Het geroep van de kooplui vervulde haar zintuigen. Ze zag de gezichten van de mensenmassa niet duidelijk en wat ze zeiden drong niet tot haar door – dat wilde ze ook niet. Ze had geen behoefte om ook maar iets te maken te hebben met al die mensen die een feestdag zo commercieel uitbuiten en in de uitverkoop doen. Ze ontweek de toeristenmenigte en in haar pogingen te zorgen dat haar apparatuur hen niet raakte, zwenkte ze alsmaar van links naar rechts alsof de apparatuur op haar rug erg zwaar was. Tegelijkertijd wilde ze de elektriciteitskabelslangen op het plein niet opschrikken en ze stapte overdreven voorzichtig over de stalen beschermplaten heen die over de kabels lagen om te voorkomen dat mensen struikelden. Door de grote stappen die ze nam leek ze net een clown. Mensen met grote en kleine boodschappentassen liepen langs en bekeken haar argwanend, maar letten daarna direct niet meer op haar en gingen verder met hun laatste aankopen om vlak voor Kerst de allerbeste koopjes te bemachtigen. Zij lette ook niet op hen en wurmde zich, beladen met haar apparatuur, tussen de vieze lantaarnpalen en de kriskras geparkeerde fietsen door, zonder op of om te kijken, alsof ze in het water sprong.

Omdat het al een aantal dagen koud en nat weer was, lag er veel sneeuw onder het hek langs het trottoir, bij elkaar geveegd door sneeuwruimers. De sneeuw, vermengd met kiezeltjes tegen gladheid, was gesmolten om vervolgens weer te bevriezen tot een grillige grijs-zwarte massa die een beetje deed denken aan klippen langs de kust. De sneeuwhoop reikte tot aan je knieën zodat fietsen die aan het hek vastzaten daar niet rechtop tegen konden staan en zich tot op het trottoir opstapelden. Er waren vandaag ook nog eens meer kraampjes dan normaal op de markt, dus de spullen en waren van de kraampjes namen meer ruimte in beslag, zodat de kooplui de fietsen nog dichter op elkaar gezet hadden om meer ruimte te creëren voor hun kraampjes. Daardoor waren de fietsen opeen gepropt tot grote klompen metaal die de lege ruimte tussen de hekken nog sterker afzonderden. De op kustklippen lijkende sneeuwhoop isoleerde nog meer. Ze concludeerde dat het onmogelijk zou zijn om haar ideale hoekje binnen te dringen, maar goed, ze kon ook een hoekje zoeken tussen de fietsen. Het probleem was dat ze tussen die structuur die al tot een klomp was geperst ook geen plek kon vinden die groot genoeg was om in te staan, ze moest met al haar kracht een deel van de kluwen uit elkaar trekken om een hoekje vrij te maken dat ze groot genoeg vond. Desondanks begon ze een beetje vrolijk te worden bij de gedachte aan haar schuilplaats en met de volle tas met fotoapparatuur nog op haar rug maakte ze plek vrij. Uiteindelijk had ze een stuk stoep vrijgemaakt aan de buitenkant van de massa fietsen en schoof de vuile sneeuw opzij met haar voet voor ze haar zware tas neerzette. Bij het bukken bleef ze haken achter het handvat van een fiets die ze net opzij had gezet en draaide zich snel om om de fiets tegen te houden, bang dat de hele kluwen fietsen zou omvallen, maar dat gebeurde gelukkig niet. Ze draaide terug, trok de tas met het statief die aan haar schouder hing voor haar borst, schoof het statief eruit en klapte hem uit. Daarna haalde ze de beschermhoes van de fotocamera uit haar tas, zette de spiegelreflexcamera vast bovenop het statief en stelde de positie van de camera in met de waterpas. Ze haalde de lensdop van de lens, boog zich voorover en keek naar de het beeld dat de lens ving.

Het was grauw in het noorden in december, alsof het al snel donker zou worden – het weer en de tijd leenden zich allebei niet voor fotografie. Ze was vroeg vertrokken van huis, maar toen ze net vertrokken was begon de sneeuw neer te dwarrelen en het sneeuwde nog steeds hard toen ze uitstapte op het station vlakbij de driesprong. Ze wilde niet dat de camera nat zou worden en kapot zou gaan door de natte sneeuw en had daarom bij de uitgang van het station gewacht tot de sneeuw stopte. Er hing nog steeds een dik pak wolken dat schijnbaar onmogelijk op te lossen was. Pas toen een volgende sneeuwbui wat bedaarde zodat de camera die ze had geleend niet beschadigd zou raken, was ze het station uitgelopen en hier gekomen. Vervolgens was het gestopt met sneeuwen en wat opgeklaard, maar het was nog steeds een grauwe boel en de natte sneeuwvlokken vermengden zich aarzelend met de oude sneeuw op de grond, zodat de sneeuwhopen eruit zagen als een modderige, nat-plakkerige massa die zich vermengde met de donkere winterkleding van mensen op straat, waardoor je niet eens zwart-wit hoefde te fotograferen om toch foto’s in grijs-schaal te maken. Ze trok de kraag van haar jack op en slaakte een stille zucht, die haar bril deed beslaan. Met de manchet van haar jack veegde ze over haar bril en haar gezicht en bekeek door de niet erg schone glazen haar omgeving. Alles wat ze zag werd omringd door een wazige witte cirkel.

Ze kende deze plaats wel, want ze kwam hier regelmatig langs, maar fotograferen zorgde ervoor dat alles er anders uit zag, misschien doordat ze merkte dat zijzelf niet helemaal hetzelfde was als normaal. Ze zag zich natuurlijk niet als een toerist, en op dit moment was ze ook niet zomaar een lokale stadsbewoner, maar een fotograaf. Als ze zichzelf zo identificeerde leek het wel alsof ze werkelijk ook een fotograaf werd. Ze trok de kraag van haar jack op en huiverde van de kou. Ze voelde naar haar eigen amateurcamera in de zak van haar jack, wilde daarmee eerst wat foto’s nemen, maar voelde alleen de hoes. De camera had ze thuis laten liggen toen ze het rolletje verwisselde. Ze vloekte zachtjes en maakte met de vingers van beide handen een rechthoek voor haar ogen om een compositie te kiezen. Ze wilde foto’s zonder mensen nemen maar er glipten steeds mensen het gebied binnen dat ze met haar vingers afzonderde, daar baalde ze van. Ze liet haar handen weer zakken en voelde boosheid tegenover de alsmaar toenemende mensenmassa. Na een tijdje begon ze weer diezelfde beweging te maken, ook al was ze er erg ontevreden over.

Een passagier in een tram die aan haar rechterkant langsdreunde zat haar vreemd aan te staren. Ze merkte niet dat ze bekeken werd en bleef in dezelfde houding staan. De tram rinkelde en van schrik deed ze een halve stap achteruit alsof ze een plens water over zich heen had gekregen. Het zag er belachelijk uit. De tram gleed rustig om de bocht langs de driesprong en verdween links achter haar, zodat de passagier die zo vreemd naar haar had gestaard niet meer te zien was, en alleen de achterkant van de tram nog naar haar wees. De voetgangers bij het stoplicht naast de tramhalte tegenover de driesprong keken om onduidelijke redenen ook naar haar, en nu merkte ze wel dat ze werd bekeken. Ze deed alsof ze het niet in de gaten had en stelde de camera voor zich af alsof ze klaar was met beeldzoeken. Opeens hoorde ze naast zich het geluid van een sluiter en toen ze opkeek zag ze naast de lantaarnpaal iemand staan in een rood windjack met verschillende cameratassen op zijn rug, die met zijn spiegelreflexcamera met lange lens een foto nam in de richting waarin zij een foto wilde gaan nemen. Hij lachte naar haar toen hij merkte dat ze naar hem keek, hing zijn camera terug voor zijn borst en verliet haar geheime plekje. Alleen toeristen hangen hun spullen zo luchtig en pocherig om hun nek, alsof iedereen die een goede camera heeft goede foto’s kan nemen. Ontevreden mopperend richtte zich weer op haar eigen geleende camera en overdacht haar plan voor vandaag.

Oorspronkelijk was ze van plan geweest om langere tijd de driesprong te fotograferen en zo de verschillende verschijningen van deze plek vast te leggen, zodat de geleidelijke verandering van het weer zou resulteren in een gevarieerde serie foto’s. Alleen had de sneeuw voor vertraging gezorgd. Het was al niet zo lang licht, en bovendien was het een sombere dag. Als haar horloge geen tien over half vier had aangegeven, had ze gedacht dat het een uur of vijf, zes was en de schemering begon in te vallen. Ze kwam zelf uit een subtropisch klimaat en had altijd moeite om het daglicht goed in te schatten in de winters van het noorden. Met de snelheid waarmee het donker werd zou twee derde van haar foto’s nachtscènes bevatten, veel meer dan eigenlijk haar bedoeling was geweest. Ze bedacht zich nu dat het vandaag winterwende was, vandaag was de langste nacht van het hele jaar. Dan was het wel logisch dat er meer nachtscènes tussen de foto’s zouden zitten, troostte ze zichzelf. Ze had haar camera al bijna goed ingesteld.

Ze stond nog maar een paar minuten bij de driesprong, maar het werd al snel donkerder en het werd ook steeds kouder, haar nagels waren ijskoud. De lage temperatuur zou het fotograferen vandaag erg moeilijk maken. Desondanks hield ze vol en wreef in haar handen. Ze deed handschoenen met open vingers aan en toen dat niet hielp tegen de kou stak ze haar handen in haar zakken. Met opgetrokken schouders zocht ze in het rond naar iets wat een foto waard was. Op het moment dat ze materiaal aan het verzamelen was begon het weer aarzelend te sneeuwen. Ze keek omhoog naar de kleine kristallen vlokjes, die helemaal niet koud voelden toen ze het puntje van haar neus raakten, alleen wat glad en nat. Ze wist dat ze smolten vanwege haar lichaamstemperatuur.

Opeens ging het harder sneeuwen, de sneeuwvlokken dwarrelden als veertjes in de lucht en sloegen tegen haar brillenglazen, zodat ze niet goed kon zien. Ze had geen tijd om haar bril schoon te maken, want ze moest snel de camera bedekken met een plastic tasje en zette de capuchon van haar jack op, die een groot deel van haar gezicht verborg. Met opgetrokken schouders en ineengedoken zag ze er nog kleiner uit en haar zwartige voorkomen ging verscholen tussen de zwartige lantaarnpaal en de fietsen. Ze kon andere mensen niet duidelijk zien en beeldde zich in dat anderen haar ook niet goed konden zien, ze dacht op deze manier te kunnen verdwijnen. Iemand zocht in haar buurt luidruchtig naar zijn fiets, maar ze deed alsof ze het niet hoorde. De man vond zijn fiets; het was een van de fietsen die ze aan de kant had geschoven. Hij opende het slot en wierp nog een blik op haar toen hij met zijn fiets aan zijn hand wegliep. Ze deed nog steeds alsof ze niet merkte dat hij naar haar keek, maar schuin achter haar was nu een gat ontstaan in de fietsen die haar eerst afschermden. Op dat moment naderde er geroezemoes van stemmen achter haar, het was een groep Spaanssprekende toeristen die met gebogen hoofden voor haar langs snelden. Ze praatten snel en klonken ongeduldig, alsof ze klaagden over de plotselinge sneeuwbui. Met hun handen vol tassen en spullen was het een indrukwekkende groep die het toch al niet brede trottoir, waarop de marktkraampjes zich ook nog eens uitstrekten, in beslag nam. Zelfs het hek met de fietsen weerhield hen er niet van dichterbij te komen, de fietsen werden opzij geduwd en vielen bijna om. Ze begon zich zorgen te maken dat haar fort zou veranderen in een ruïne waaronder ze bedolven zou raken. Een rugzak van een van de toeristen die langskwam en tegen de fietsen duwde raakte haar. Ze fronste en keek boos naar hem. Met al zijn spullen in zijn hand had hij helemaal niet in de gaten dat hij tegen anderen aanbotste en voelde ook haar boosheid niet. Samen met de rest liep hij verder, een van de straten bij de driesprong in. Ze staarde hen met priemende blik na en zag hun kleurrijke boodschappentassen nog voor zich toen ze al uit zicht waren verdwenen. Boos keek ze omlaag naar de grond, naar haar zwarte gympen op de grijze natte sneeuw. Er was ruimte genoeg op het trottoir, en ze had zich al helemaal teruggetrokken tussen de fietsen, waar niemand kwam. Waarom moesten ze haar hier alsnog lastig vallen? Ze klopte zich af op de plaats waar ze was geraakt alsof ze het gevoel wilde wegvegen.

Het werd nog donkerder, zodat de instellingen van haar camera al niet meer bruikbaar waren, en ze besloot maar te wachten tot de sneeuw stopte voor ze haar camera opnieuw instelde. De kwiklampen op straat gingen een voor een aan en de kerstversieringen bovenop de marktkraampjes vielen door de invallende schemering meer op. Rijen warm en veelkleurig licht knipperden zodat er een vrolijke sfeer ontstond onder de sombere lucht. De sterke kaneellucht van glühwein hing in de lucht en deed haar in de richting van de markt kijken. Kerst deed haar niets, want die feestdag bestond in haar eigen cultuur niet en ze wilde niet meedoen aan de manier waarop het werd gecommercialiseerd. Uiteindelijk was haar taak nu om te fotograferen en ze zag dat niet als een pleziertje. Ze keek weer naar de driesprong.

Het was niet gestopt met sneeuwen en het was zo donker dat er een laagje sneeuw op haar hoofd leek te liggen. Ze dook nog verder ineen alsof de sneeuw op haar schouders drukte. Ze wachtte zonder iets te doen. Zo stilstaand bij de driesprong begon ze de kou in haar nek te voelen en haar neus deed ook pijn. Met een papieren zakdoekje veegde ze de twee stroompjes snot af die uit haar neusgaten liepen. De kou trok ook door haar schoenzolen heen in haar voeten en benen en ze stampte op de grond, maar het lukte natuurlijk niet om de doordringende kou te verdrijven. Ze voelde zich ellendig, maar wilde niet toegeven dat ze eigenlijk de verkeerde dag had gekozen. Met haar vingers bakende ze weer het beeld af dat ze wilde fotograferen. Ze wilde nog steeds niet dat mensen teveel op haar zouden letten, en omdat ze er ook niet uit wilde zien als een amateuristische toerist, wist ze zich al helemaal geen houding meer te geven.

Ze richtte haar camera op de tramhalte recht voor haar, waar de wachtende passagiers het wachthokje uitliepen en bij de rand van de vluchtheuvel gingen staan om zometeen sneller te kunnen instappen. Ze droegen allemaal donkere kleding en hun gezichten waren vaag. Ze wilde geen mensen fotograferen en gaf niet om hun gezichten, maar kon haar ogen niet afhouden van een glimmende karmijnrode boodschappentas die iemand droeg. Diegene merkte op dat ze staarde en in het vakje dat ze met haar vingers had gemaakt zag ze diegene tot haar schrik naar haar kijken. Toen kwam er uit de andere richting alweer een tram voor haar langs rijden die haar het zicht op de passant ontnam. Nadat de voorbijrijdende tram was verdwenen, was degene met wie haar blik gekruist had alweer in een tram in de andere richting gestapt. De tram kwam in beweging en liet een doordringend getingel horen om daarna ook de baan aan haar linkerhand in te draaien. Ze volgde de tram, of de passant, of misschien toch de boodschappentas, met haar ogen, en liet haar hoofd weer zakken zodra de tram uit zicht was.

Ze was vergeten en herinnerde zich weer dat ze aan het fotograferen was. Hoewel het nog niet was opgehouden met sneeuwen, zette ze haar apparatuur nog een keer goed en bracht de boel weer in orde. Ze had dorst en likte in een reflex langs haar lippen. De luchtvochtigheid was vandaag wel hoger, maar haar lippen waren toch nog gebarsten van de droogte. Tegelijk met de dorst voelde ze ook de aandrang om te plassen. Dat was ontzettend lastig. De hele middag had ze niets gedronken. Ze wilde het ophouden, maar het duurde niet lang of haar blaas begon pijn te doen. Ze had nog steeds niet één foto genomen. Wat vond ze zichzelf een sukkel. Er waren geen openbare toiletten in de buurt, dus ze moest gebruik maken van het toilet in een koffietent schuin tegenover de driesprong. Bovendien kon ze haar apparatuur hier niet zomaar achterlaten. Zich verbijtend ruimde ze al haar spullen op en stopte alles in de juiste tassen, die ze op haar rug hees om naar het toilet te gaan. Nog steeds niet één foto genomen, ze was echt een sukkel.

Als ze zich aan alle verkeersregels hield, moest ze over een zebrapad vrij ver bij haar vandaan om bij het koffietentje te komen. Ze moest dan twee keer oversteken. Hoewel het nogal pijnlijk was om haar plas op te houden, wilde ze niet over de hekken klimmen om de driesprong schuin over te steken, vanwege het risico dat haar apparatuur misschien een butsje opliep. Daarom liep ze toch naar rechts, richting het zebrapad. Toen ze langs het kraampje met middenoosters voedsel kwam vroeg de verkoper haar of ze geen thee of pita wilde. Ze hield haar pas niet in en liep langs alsof ze het niet had gehoord, maar eigenlijk liep het water haar in de mond. Ze kwam bij het zebrapad. Ze moest haar plas al ophouden, en nu moest ze ook nog eens samen met een groep toeristen langs de weg wachten op het groene licht. Precies toen ze kon oversteken kon ze juist niet meer lopen omdat ze haar plas bijna niet meer kon ophouden, zodat ze helemaal achteraan kwam te staan. Het licht sprong weer op rood. Voetgangers naast haar die het rode licht negeerden en tegen haar ellebogen botsten liepen gewoon door zonder hun pas in te houden, en verdwenen voor en achter haar in de verte. Ze maakte zich klein en stond in een onnatuurlijke houding.

Eindelijk kwam ze in het koffietentje, waar haar brillenglazen direct besloegen door de hete lucht, zodat ze niet zag dat iedereen in het kleine koffietentje op haar lette. Ze veegde haar brillenglazen af met de mouw van haar jas, maar er zaten nog steeds druppels op haar bril en ze zag alleen maar vaag dat de barman haar koeltjes aankeek. Ze groette hem niet en liep snel het gangetje in naar het toilet, maar ontdekte dat dat op slot zat. Het was een smal gangetje, zodat haar apparatuur met veel herrie tegen de muur botste toen ze zich weer omdraaide. De barman die haar zojuist koeltjes had opgenomen liep naar het gangetje en stak zijn hoofd om het hoekje. Hij zei op rustige toon dat ze de sleutel bij hem moest halen, en voegde er nog aan toe dat ze haar spullen achter de bar kon leggen. Ze liep terug naar de bar, pakte de sleutel aarzelend aan, mompelde een bedankje en zonder enige poging zich groot te houden legde ze haar spullen in een hoek achter de bar voor ze met vreemde passen naar het toilet liep. Ze deed haar handschoenen uit om het slot te openen en merkte dat haar vingertoppen rood waren van de kou en haar gewrichten zo stijf dat ze haar vingers bijna niet kon buigen. Vanwege haar pijnlijke handen viel het niet mee om het slot open te draaien. Toen ze de deur eindelijk open had, ontspande ze onwillekeurig even, zodat ze bijna urine verloor. Onverbiddelijk spande ze haar spieren weer.

Ze had eigenlijk eerst haar handen willen wassen om ze wat op te warmen, maar ze hield het niet meer en haastte zich het toilethokje in, waar ze haar broek uittrok. Het plassen verlichtte de pijn in haar onderbuik. Ze slaakte een diepe zucht en boog haar hoofd, zodat haar pony over haar bovenbenen streek. Ze bleef in die ineengedoken houding met haar handen om haar knieën zitten en wilde niet meer naar buiten. Met prikkende handen zat ze een poosje trillend op het toilet. Zo zat ze een poosje versuft en kwam pas weer bij zinnen toen iemand op de deur klopte. Met moeite trok ze haar broek weer aan.

Ze waste haar handen bij het wastafeltje. Eerst kwam er koud water uit de kraan dat warm aanvoelde, en toen het opwarmde deed het lauwe water pijn aan haar handen. Met de waterstraal nog steeds op haar handen legde ze haar handen op de bodem van het wastafeltje. Pas toen ze haar vingers weer kon bewegen draaide ze de kraan dicht, pakte ze een aantal stukken papier en veegde haar handen droog. Ze zette haar bril af en veegde de waterdruppels zorgvuldig van de glazen. Toen bekeek ze zichzelf pas in de spiegel. Haar haar was een beetje platgedrukt door de capuchon van haar jack, dat nat was, en haar kraag zat aan de linkerkant scheef. De zwarte stof van haar capuchon was nog een tint donkerder door al het vocht dat erin zat. Ze woelde door haar zwarte haar en greep een pluk.

Toen ze het toilet uitliep wilde ze de warmte van het koffietentje eigenlijk niet verlaten en overwoog een kop koffie te drinken voor ze wegging, maar dan had ze geen enkele foto genomen voordat het donker werd, dat kon echt niet. Ze bestelde bij de barman een koffie om mee te nemen. Tijdens het wachten deed ze haar handschoenen weer aan, hees haar rugzakken op haar rug en maakte een hand vrij voor de beker koffie. Ze stond bij de bar en keek uit het grote raam. In die paar minuten was het buiten al helemaal donker geworden en de gasten werden zo duidelijk weerkaatst in het raam, dat het wel een spiegel leek. Ze baalde dat ze de dag zo had verspild en was boos op zichzelf. Toen de barman de koffie voor haar neerzette nam ze de deksel van de suikerpot en gooide twee grote scheppen suiker in de espresso, waarna de barman de deksel er voor haar terug op deed.

Ze ging bij de uitgang van de koffietent staan. Het sneeuwde al niet meer en het dunne laagje sneeuw dat er lag leek wel wit zand. Er kwam condens uit de putten tussen het trottoir en de rijbaan, en de sneeuw eromheen was veranderd in een plas smeltwater. Met haar koffie in haar hand stak ze nog een keer zij aan zij met anderen de straat over bij de zebrapaden en liep met een heerlijk gevoel in haar blaas terug naar de plaats waar ze aan het fotograferen was geweest. Het aantal fietsen dat kriskras door elkaar stond geparkeerd leek afgenomen maar tegelijk ook toegenomen, en haar plekje groter, maar ook smaller. Er zaten wat proppen boodschappentasjes tussen de spaken van de fietsen, het witte plastic glansde in het donker. Haar plekje was niet ingepikt. Zijdelings wrong ze zich in het hoekje, legde al haar tassen neer en stelde haar apparatuur opnieuw in.

Omdat het al donker was en ze helemaal geen foto’s bij daglicht had genomen, hoefde ze zich met veel dingen die ze eerder had gewikt en gewogen niet meer bezig te houden – ze kon nu gewoon de nachtinstellingen gebruiken. Nadat ze de camera had neergezet, stelde ze het diafragma en de brandpuntsafstand in en probeerde een aantal belichtingstijden uit. Ze had geen externe flits, maar omdat ze een statief had hoefde ze niet bang te zijn dat het beeld verschoof bij een lange belichtingstijd, dus ze kon vast wel wat geslaagde foto’s nemen. Bij die gedachte kalmeerde ze wat, zodat ze eindelijk rustig haar omgeving kon observeren en een goede houding kon vinden. Op dat moment was ze zich pas bewust van wat ze zag. Half gehurkt bekeek ze door de zoeker het beeld.

Ze bekeek de mensen die de camera in beeld had niet nauwkeurig en de gezichten in het rechthoekige vlak waren nog steeds even onduidelijk, ze vermengden zich met hun wazige kleding. De verschillende merklogo’s op hun gekleurde boodschappentassen sprongen rond in de zoeker en brachten allerlei boodschappen over, die zich aan elkaar regen tot een reeks informatie. Ze kon het niet in woorden vangen, maar ze wist wel wat voor informatie het was. Ze nam de boodschappentassen in beeld en nam een foto.

Door de lange belichtingstijd trokken de felgekleurde boodschappentassen die met de mensenmassa meebewogen lange dunne strepen op de negatieven, maar het waren geen vloeiende lijnen, het leek wel alsof ze tegelijkertijd het afschuwelijke geluid hoorde van een hark die strepen trok in glas. Toch had ze niet echt een hekel aan die herrie. De boodschappentassen bewogen voort over de negatieven tijdens de belichtingstijd en veroorzaakten een onophoudelijk geritsel. Haar houding toen ze met haar hoofd schuin een beeld koos in de zoeker zag eruit alsof ze een telefoon tegen haar oor geklemd hield, en het leek net alsof ze echt al die taalflarden hoorde.

De neonlichten van de winkels gingen een voor een aan en weerspiegelden in het zwak belichte natte asfalt. Het aantal toeristen nam niet af, het nam eerder toe, maar hun gezichten en donkere kleding verdwenen in de achtergrond. Als stof dat door water neersloeg op de grond verstomde het geroezemoes wat, zodat het haar minder hinderde. De driesprong was zo vertederender dan overdag.

Ze nam een aantal foto’s en stond op. Omdat het zo koud was deed ze de capuchon van haar jack weer op zodat haar halve gezicht weer werd bedekt en haar platgedrukte haar voor haar ogen kwam te hangen. Haar zwarte gestalte ging op in het zwart van de vroege avond om haar heen, die ze zomaar opeens vertederend was gaan vinden. Ze voelde zich plotseling zorgeloos maar kreeg ook trek. Ze bukte, haalde een stapeltje meegebrachte boterhammen uit haar tas, nam het deksel van de inmiddels koud geworden beker koffie en dronk hem in één teug leeg voor ze langzaam haar boterhammen oppeuzelde. Ze had geen haast om haar rolletje in een keer vol te schieten, dus ze ging op haar lege zachte rugzak zitten om uit te rusten. Ze was kort van stuk en zat wat voorover, zodat ze niet boven de fietswielen uit kwam en nog minder opviel dan de witte plastic tassen tussen de kieren van de fietsen. Hoewel de mensen aan de andere kant van de driesprong haar konden zien, was het op deze manier vrijwel helemaal gelukt om zo schuil te gaan dat niemand haar opmerkte. Ze concentreerde zich op het eten zonder zich ervan bewust te zijn dat ze verstopt zat, en dacht er niet over hoe anderen haar zagen.

De boterhammen zaten al zo lang in haar tas dat de smaak van het spek in het brood was getrokken en haar dorstig maakte, maar ze besloot dat gevoel te onderdrukken en niet te drinken. Tussen de happen door blies ze weer in haar handen, die rood waren van de kou, en overdacht hoe ze op het idee was gekomen om hier bij de driesprong te komen fotograferen.

Als ze eerlijk was wist ze niet echt wat haar hiertoe had gebracht, ze wist zelfs niet waarom ze wilde fotograferen, dat was ook maar begonnen als een vage gedachte. Een aantal jaren geleden had ze een expositie van Henri Cartier-Bresson gezien, waardoor het idee om te gaan fotograferen stilletjes in haar had postgevat. Ze had het ook echt geprobeerd – aan het begin enkel met een amateurcamera – waarmee ze hier en daar zomaar wat foto’s maakte. Kortgeleden had ze pas een spiegelreflexcamera geleend om het wat gestructureerder onder de knie te krijgen. De vriend van wie ze de camera leende had haar aangeraden om met fotorolletjes te werken, en als hij dat niet had aangeraden had ze waarschijnlijk alsnog besloten om een traditionele camera met negatieven te gebruiken, want ze had geen enkele behoefte om mee te gaan in de digitale trend, ook al zouden veel mensen niet begrijpen waarom ze zo stug vasthield aan dat idee.

Ongeacht haar persoonlijke voorkeuren werden producten razendsnel afgedankt, zodat negatieven door de afnemende vraag steeds duurder werden en traditionele fotografie een erg dure en niet erg eigentijdse bezigheid was geworden. Haar favoriete merk negatieven werd sinds vorig jaar ook niet meer geproduceerd en de twee rolletjes in plastic doosjes in haar tas kwamen uit de laatste partij. Desondanks wilde ze nog steeds niet overstappen op een digitale camera. Met digitale technologie ging het er veel te lichtzinnig aan toe, een lichtzinnigheid die voor haar gevaarlijk aanvoelde. De teller op een camera die een voor een versprong en het aftellen per foto gaven haar houvast.

Het gebruik van een traditionele camera betekende nog niet dat ze genoeg begreep van fotografie, dus ze had ook een cursus gevolgd om foto’s te leren ontwikkelen in een donkere kamer. Kleurenfoto’s ontwikkelen was een ingewikkeld proces dat ze niet onder de knie had gekregen, en ze had uiteindelijk besloten dat ze alleen zwart-witfoto’s wilde ontwikkelen, misschien omdat het nu eenmaal te moeilijk was, of misschien omdat ze toch echt een voorkeur had voor zwart-witfotografie. Zodoende kon ze alleen zwart-wit foto’s ontwikkelen. Dat deed ze in ieder geval met veel geduld: ze leerde hoe ze de negatieven in het donker uit de houder kon halen en in de baden leggen, en vervolgens in de goede volgorde de negatieven ontwikkelen en fixeren. Als het goed ging en ze het niet verknoeide, kon ze zo haar foto’s vergroten. Ze ging vaak ’s ochtends haar doka in en als ze klaar was en weer buiten kwam, was het alweer donker buiten. Ze had een keer de nog natte, pas ontwikkelde foto’s tegen de muur buiten de doka geplakt. Toen ze de natte foto’s die de helft van de muur bedekten bekeek, besefte ze dat ze helemaal geen mensen had gefotografeerd.

Ze waardeerde Bressons foto’s erg, maar ze vond zijn beslissende moment te moeilijk vast te leggen en ze vond ook dat de mensen om haar heen niet echt iets uitstraalden. Daar kon je geen mooie foto’s van nemen en dan kon je het maar beter helemaal niet doen. Ze had ook geen interesse in stadsgezichten, en terwijl anderen zich bezighielden met de witte wolken bij een torenspits, had zij haar blik al gericht op de modder en het vuil waar anderen in rondstapten. Ze voelde genegenheid voor de driesprong, waar niet echt mooie stadsgezichten te zien waren, maar waar altijd veel toeristen druk waren met kiekjes nemen als herinnering. Als die mensen er niet waren, bleef er niets meer over dan alsmaar commerciëler wordende etalages, verkeersborden die alleen maar zorgden dat je nog minder snapte van het verkeer en een grote wirwar van fietsen die nooit verwijderd werden. Maar deze chaos waarin mensen geen plaats hadden deed haar iets. Ze at haar boterham op, veegde haar mond af met een papieren zakdoekje, ging half overeind zitten, klopte haar achterwerk af en stond op, klaar om verder te gaan met fotograferen.

Er volgde een tijdje rust, niet omdat de kooplui hun waren minder luid aanprezen of de toeristen zich beter in toom hielden, maar omdat zij en haar omgeving aan elkaar gewend waren geraakt, niemand reageerde meer op haar. Ze keek rond en ontdekte een stille hoek op de markt waar een grote stapel spullen lag, maar niemand dichtbij kwam. Het zag er verlaten uit. Ze verzette het statief zodat de camera zich van veraf stiekem op de hoek richtte. De mensenmassa liep nog steeds over het midden van het plein, maar ze had geduld – de geur van glühwein en gebakken amandelen streelde haar zintuigen. Ze greep een zeldzame kans toen de notenverkoper bij zijn kraam ging staan roken en koffie drinken om foto’s te nemen van de notenkraam. Daar was ze tevreden over en zelfvoldaan zette ze haar statief weer terug in de positie waarin het eerst had gestaan. Ze dacht dat het fotograferen vandaag verder soepeltjes zou gaan. Nadat ze een rolletje had volgeschoten haalde ze de camera van het statief en deed ze er een nieuw rolletje in. Ze besloot de camera nu in haar hand te houden. Ze hield de camera bij haar wang en keek links en rechts om te zien wat ze zou fotograferen. Er was nog steeds weinig dat het waard was om op de foto te zetten en ze nam niet haastig foto’s, maar haar blik volgde steeds de trams die van de ene kant van de driesprong naar de andere reden. Ze merkte niet dat haar hoofd al een tijdje helemaal leeg was.

Om acht uur ruimden de verkopers hun kramen op en deden de lichten uit, net zoals ze altijd deden, ook al zou de markt vandaag tot tien uur duren. Daardoor werd het donker om haar heen. Omdat het etenstijd was, was er minder winkelend publiek, waren er minder auto’s en stonden er minder mensen bij de halte op de tram te wachten. Dat kwam haar heel goed uit, want nu kon ze geconcentreerd de trams fotograferen.

En terwijl het aantal mensen op straat afnam, kwam er een andere groep mensen de straat op: schuin tegenover de driesprong stond op de stoep een rij opgedirkte jonge vrouwen. In plaats van op een kluitje stonden ze op steeds een paar meter afstand van elkaar, maar je kon direct zien dat ze bij elkaar hoorden, want hun kledingstijl was steeds hetzelfde, alsof ze een soort uniform droegen. Ze hadden allemaal witblond geverfd halflang haar en waren gebruind door de zon, droegen korsetten om hun bovenlijf zodat hun – misschien vergrote – borsten omhooggeduwd werden met een diep decolleté ertussen, zo groot dat het haast niet comfortabel kon zijn, terwijl hun taille juist heel strak zat ingesnoerd. Ze hadden zwarte of witte netpanty’s aan en droegen witte laarzen met dikke zolen en hoge hakken. Een wit leren rokje om hun middel bedekte de boel amper, zodat een deel van hun achterwerk blootgesteld werd aan de koude wind. Vreemd dat ze het niet koud hadden. Ze hadden alleen een bontjasje om zich te beschermen tegen de kou en droegen allemaal een heuptas op hun ronde heupen. Ieder droeg een paraplu die ze uitklapten als het begon te sneeuwen en met één schouder tegen hun nek klemden. Ze hadden hun dunne lange benen gekruist alsof ze op iemand wachtten. De jonge vrouwen droegen niet alleen allemaal ongeveer dezelfde kleding, maar hun gebaren verschilden ook niet veel. Zelfs hun make-up volgde hetzelfde patroon, zodat ze er allemaal ongeveer hetzelfde uitzagen.

Ze wist dat het prostituees waren, die altijd werkten, weer of geen weer. Vandaag stonden ze extra dicht bij de driesprong zodat haar zoeker ze in beeld kreeg. Ze was hier niet om hen te fotograferen en vond dat ze elkaar niet in het vaarwater zaten, dus ze ging gewoon door met foto’s nemen, zonder van richting te veranderen. Maar omdat de witte kleding van de vrouwen in het donker van de nacht erg opviel, kon ze hen niet negeren en lukte het fotograferen niet meer. Ze baalde dat ze weer werd gestoord, liet haar camera zakken tot voor haar borst, en draaide haar hoofd weg om haar camera ergens anders op te richten. Op dat moment reed er een politiewagen langs, van haar rechterkant naar een wegbaan links van haar en stopte bij de vrouwen. Twee agenten stapten uit en praatten met de vrouwen alsof ze hen kenden. Daarna kwamen de agenten in haar richting en zonder te stoppen liepen ze achter haar langs om een ronde te gaan doen op de markt.

De politie viel haar niet lastig en daarom dacht ze dat alles in orde was rondom haar – ook bij de vrouwen. Maar na een poosje staken twee van de vrouwen de driesprong over, stapten langs het hek en de dichte kluwen fietsen heen en drongen haar hoekje binnen. Toen ze zich niets van hen aantrok, klopten ze haar op haar schouder en werd ze uit het wereldje van de zoeker van haar camera  gehaald. Ze zag de twee vrouwen haar wantrouwend aanstaren. Hun gezichten gingen verborgen achter de make-up, zodat ze niet kon zien hoe ze er eigenlijk uitzagen en alleen wist dat een van de twee een halve kop groter was dan zijzelf en op haar neerkijk toen ze tegen haar praatte.

‘Bent u een paparazzo? Neemt u foto’s van ons? U mag geen foto’s van ons nemen.’ De lange vrouw sprak ondanks haar dreigende houding uit gewoonte beleefd tegen deze vreemde. Haar kortere metgezel zei niets, maar stond met haar handen in haar zij aan de andere kant met haar indrukwekkende boezem recht vooruit en keek haar al even grimmig aan. Ze raakte behoorlijk in paniek toen ze op deze manier werd bevraagd, het leek ook wel alsof ze haar camera wilden afpakken.

‘… Nee, ik ben bezig met straatfotografie.’ Ze had de hele dag niet gepraat en haar stem klonk gespannen. Haar betrapte toon versterkte het wantrouwen van de twee alleen maar en ze bekeken haar zwijgend, zodat ze zich erg ongemakkelijk voelde.

‘U bent niet van de pers?’ vroeg de lange van de twee, nog steeds vol wantrouwen op boze toon door, zodat ze in haar paniek niet wist wat ze moest zeggen om zich eruit te redden. ‘Nee, ik studeer aan de kunstacademie, ik ben bezig aan een opdracht.’ Ze hield de camera omhoog om het hen te laten zien. ‘Ik ben maar net begonnen met fotografie, ik heb niet eens een flits, dus jullie komen helemaal niet op de foto.’

De twee waren schijnbaar overtuigd door het feit dat de camera geen flits had en ontspanden wat. Hun toon verzachtte: ‘Als u maar niet van de pers bent, want ons bedrijf heeft gezegd dat er geen foto’s van ons gemaakt mogen worden, anders komen er problemen en krijgen wij de schuld.’ Ze knikte verbouwereerd en de langere van de twee benadrukte nog een keer: ‘Als u maar geen foto’s in onze richting neemt, dan is het goed.’ Daarna draaiden ze zich om, na nog een beleefd: ‘Sorry voor het storen, fijne Kerstdagen.’ De kortere van de twee zwaaide naar haar en vervolgens liepen ze met wiegende heupen het hoekje met de fietsen uit. Toen ze zag hoeveel moeite ze hadden met lopen, begreep ze niet hoe die twee net zo op haar af hadden kunnen stormen.

Ze was nog wat ondersteboven van hoe de twee vrouwen haar hadden gestoord en had geen zin meer om te fotograferen. Maar ze wilde ook niet de indruk geven dat ze wegvluchtte – de twee vrouwen keken nog naar haar vanaf de andere kant van de driesprong – dus ze dwong zich verder te gaan met fotograferen, ook al was het enige wat ze deed stijfjes vastleggen wat ze voor zich zag. Zo schoot ze het rolletje vol. Daarna pakte ze met bestudeerde kalmte haar apparatuur in, deed de statief en de camera in de juiste tassen en klopte op de rugzak die wat nat was geworden. Toen propte ze alle tassen haastig in de rugzak en hees de bobbelige rugzak op haar rug. Terwijl ze wegliep, besteedde ze expres geen aandacht aan de vrouwen die haar observeerden, alsof het voorval van zojuist nooit had plaatsgevonden. Ze liep expres met opgeheven hoofd naar het station. Pas op de drukke markt keek ze stiekem even achterom, maar toen waren de twee vrouwen al niet meer te zien. De verkoper van het middenoosterse kraampje vroeg haar weer of ze niet iets wilde eten of drinken, en deze keer keek ze hem wel aan en glimlachte even ongemakkelijk. Ze kocht nog steeds niets. Zonder te stoppen liep ze recht op het station af. Vlakbij de ingang van het station kwam ze de twee agenten weer tegen, die klaar waren met hun ronde en weer teruggingen. Ze letten nog steeds niet op haar.

Eenmaal in de metro ging ze op de achterste rij stoelen van de achterste wagon zitten. Pas toen ze haar tas naast zich had gezet merkte ze dat haar knieën knikten. Toen kwam het verdriet pas in haar op. Ze schaamde zich omdat ze het hoofd had gebogen om problemen uit de weg te gaan, en had ook totaal niet gedacht dat ze zo bang zou zijn. Uiteindelijk was haar enige troost dat ze er zonder kleerscheuren was afgekomen en dat niemand de geleende camera had aangeraakt of haar rolletjes afgepakt. Het belangrijkste had ze nog. Toen ze bedacht dat een moeilijke dag uiteindelijk zou resulteren in ongewone foto’s, bedacht ze dat het allemaal nog niet zo vreselijk was.

Maar misschien kwam het doordat ze een fout had gemaakt met de instellingen, of doordat de rolletjes al te lang lagen en daardoor van slechte kwaliteit waren, dat er tussen de ontwikkelde foto’s uiteindelijk niet één foto zat waarin ze nog terugzag wat ze had willen fotograferen.

Over de auteur:

Tsou Yung-shan (1975), geboren en getogen in Taiwan, woonachtig in Berlijn, zoekt in haar werk de raakvlakken tussen literatuur en kunst. Haar debuutroman, in het Frans verschenen als La Salle d’attente, beschrijft het leven van een immigrant in Duitsland. ‘Driesprong’ gaat over een kunstenaar die een dag lang een driesprong vastlegt met haar camera. Van oktober tot november 2017 was haar tentoonstelling Our Gaze, rondom hetzelfde thema van observatie, te bezichtigen in SinArts Gallery in den Haag.

Over de vertaler:

Mathilda Banfield (1988) is literair vertaler vanuit het Chinees. Zij heeft meegewerkt aan verhalenbundels van Su Tong en Bi Feiyu. Samen met Annelous Stiggelbout vertaalde zij Mijn Generatie van Han Han en Ik ben geen secreet van Liu Zhenyun. Begin 2017 verschijnt Hong Kong Noir van Chan Ho-kei, ook vertaald door Annelous Stiggelbout en Mathilda Banfield.