thema:

Duizelingwekkend alledaagse dingen. Over Matthew Dickman.

Bernlef stelde terecht dat veel Amerikaanse poëzie lijdt aan wat hij de ‘ziekte van Whitman’ noemde; het gaat maar door, er komt geen einde aan. De jonge Amerikaanse dichter Matthew Dickman lijdt niet aan die ziekte of hooguit in een milde vorm. Toch is Walt Whitman de eerste aan wie je denkt, wanneer je zijn gedichten leest. Die innemende gretigheid; de wereld te groot om in poëzie te vangen? Dat zullen we nog wel eens zien.

Het was, meen ik, Oscar Wilde die zei dat de wereld gemaakt was om in een boek terecht te komen. Dickman breekt ogenschijnlijk lukraak scherven uit de alledag en lijmt ze aan elkaar tot een wereld. Je kunt het zo gek niet bedenken en het komt in zijn poëzie terecht. De dichter Tony Hoagland schreef in diens inleiding bij Dickmans debuutbundel All-American Poem dat Dickmans gedichten de lenigheid hebben van een Amerikaanse Spaniël op het strand – ‘jagend op de frisbee, een gat naar China gravend, je mobiel begravend.’ Hoagland vergelijkt Dickman overigens met de dichter Kenneth Koch.

Dickman doet als dichter denken aan een jonge plunderaar die met armen vol de supermarkt uitrent. Op het eerste gezicht lijkt er ook een jonge beeldenstormer in hem verborgen te zitten – de zogeheten hoge kunst wordt door Dickman vaak lachwekkend gespiegeld aan het banale – maar de eerste indruk blijkt ook hier onbetrouwbaar. Dickman verzet zich tegen kunst die zich van het gewone verwijdert, niet tegen kunst die naar het grootse streeft. De poëzie is niet anti-intellectualistisch, maar keert zich tegen gedichten die alleen op intellect stoelen. Dat is een kant van het verhaal, vervang intellect door emotie, en deze uitspraak over Dickman is nog steeds waar. Ter illustratie fragment uit het gedicht ‘Byron Loves Me’:

Mijn dode professor Engels zit aan de voet
van mijn bed, huilt.
Wat is er aan de hand? vraag ik.
Matthew, zegt hij, ik zal Byron nooit begrijpen.
Mijn vrouw is getrouwd met een andere man, mijn dochter verliefd
op popsongs over seks
en geld, terwijl Byron niets te bieden heeft
dan Zure en Oranje. Ik weet niet of hij liefde voelt
voor mij of niet. Mijn professor haalt de schouders op
zoals alle dode mannen
hun schouders ophalen, staat op en loopt weg
uit mijn kamer, zoals alle mannen, dood of levend, langzaam

Het fragment laat duidelijk zien hoe literatuur (om over literatuurwetenschap maar te zwijgen) machteloos tegenover het maar doordrammende dagelijkse leven kan staan. Dickmans remedie is net zo ‘all-american’ als zijn poëzie: if you can’t beat them, joint hem. Dickman laat zijn gedichten in het leven infiltreren en sleept zo de meest doodgewone dingen zijn poëzie binnen, waar ze ineens betekenis krijgen, al was het maar als contragewicht. Raymond Carver schreef het al in zijn onvolprezen essay ‘On Writing’: ‘Het is mogelijk om in een gedicht of een kort verhaal over alledaagse dingen en voorwerpen te schrijven in een alledaagse, maar precieze taal, en die dingen – een stoel, een gordijn, een vork, een steen , de oorbel van een vrouw – te begiftigen met een immense, zelfs verbazingwekkende kracht.’

Dat is wat bij Dickman ook gebeurt. Zijn gedichten beginnen vaak alledaags. Iemand gaat naar buiten. Iemand ligt in bed. Iemand loopt wat rond. En dan komt het wonderbaarlijke – een voorwerp zet alles in beweging en er ontstaan duizelingwekkende gedichten, te vergelijken met de sensatie dat je in bed ligt en toch denkt te vallen – je wordt naar beneden gezogen, maar niet naar een bodem, steeds verder naar beneden en dan plotseling weer omhoog, naar precies dezelfde plek waar je al stond of lag. En is het wel vallen? Volgens sommige Indianenstammen viel een ruiter niet van zijn paard, maar werd hij door de stenen geroepen.

 

Over de auteur:

Mischa Andriessen (1970), schrijver, vertaler, recensent. Publiceert over jazz en beeldende kunst en vertaalde onder meer Graham Swift. Publicaties: Uitzien met D (poëzie, 2008), Huisverraad (poëzie, 2012) en Dwalmgasten (poëzie, 2016). Hij publiceerde proza in De Revisor.