thema:

Een kunst van het maken van ruïnes

Vertaling:

Voor Reina María Rodríguez

‘Als je je huis groter wilt maken en er is geen binnenplaats om iets te bouwen en ook geen tuin of zelfs maar een balkon, als je meer ruimte nodig hebt en met je gezin in een achterhuis woont, dan kun je alleen nog maar je ogen ten hemel slaan om te ontdekken dat er met zo’n hoog plafond best nog een verdieping in zou passen, een zogenaamde barbacoa. Kortom, je ontdekt wat de ruimte je verticaal te bieden heeft, je ziet dat je er een ander huis in kunt bouwen.
Als je al zo’n barbacoa hebt gemaakt en enigszins comfortabel met je gezin woont, voor zover dat mogelijk is, als dan je schoonmoeder en een nichtje van je vrouw uit de provincie overkomen met het plan om een tijd in je huis door te brengen die zo lang kan duren als het leven zelf, dan is het enige wat je nog rest een bezoek aan de psychiater. Want je haat de moeder van je vrouw al zo erg (om het maar niet over het nichtje te hebben) dat je niet met haar aan één tafel kunt zitten. En ook omdat je, nu jullie als haringen in een ton wonen, niet meer in staat bent om met je vrouw naar bed te gaan, wat tot een scheiding zal leiden, wat nog het minste is, om nog maar te zwijgen over waanzin en zelfmoord.
De psychiater gaat je dan vragen of je bereid bent om te gehoorzamen aan alles wat hij je voorschrijft, hoe raar het ook mag lijken. En je zegt ja, je wilt immers beter worden, want je voelt je ziek. Ziet u kans om aan een bok te komen, vraagt hij. Een levende bok, verduidelijkt hij nog. Ja, antwoord je. Koop hem en neem hem mee naar huis, draagt hij je op. En dat je over twee weken terug moet komen op het spreekuur.
Een bok houden in een barbacoa is misschien minder vreemd dan met je schoonmoeder wonen. Je keert met het dier terug naar het appartement (de buren houden varkens en eenden en kippen in huis) en neemt hem op in huiselijke kring. Hoewel, met hem samenleven wordt meteen al onmogelijk. Om te beginnen heeft hij in één middag de bekleding van alle meubels, een koffertje van je schoonmoeder en een ochtendjas opgevreten. Hij schijt alles onder, stinkt naar bok en maakt je ’s nachts het slapen onmogelijk. Je houdt het één dag uit, op de tweede dag geef je hem er flink van langs en op de derde ga je terug naar de psychiater, veel eerder dan afgesproken.
U moet nog gekker zijn dan de gekken die naar uw spreekkamer komen. Wat is dit voor een behandeling, schreeuw je hem in zijn gezicht. En nu blijkt de behandeling pas echt te beginnen, zoals hij verklaart. En wat draagt u me nu op, vraag je in tranen. Haal die zondebok uit huis, zegt hij.
Je gehoorzaamt opnieuw, verkoopt het verdomde dier weer (zo’n snelle transactie dat je er niets aan overhoudt) en de dag erna ben je weer op het spreekuur. Want je hebt geslapen, ’s ochtends vroeg maakte je vrouw je wakker, jullie hadden seks die net zo goed was als vroeger, en bij het ontbijt, met de hele familie aan tafel, heb je gemerkt hoe lief je schoonmoeder je koffie bijschonk. Opeens heb je begrepen dat het leven zonder bok fantastisch kan zijn.’
Graag zou ik mijn proefschrift over de barbacoas zo beginnen. Ik heb het niet verzonnen of gelezen, het gaat om een waargebeurd verhaal. De psychiater heeft het me verteld.
 
‘Weet je eigenlijk wat je achternaam betekent?’, vroeg de man die nog niet mijn promotor was toen we samen op een bankje op het treinstation zaten.
‘Bouwer’, antwoordde ik.
‘Ik ben altijd jaloers geweest op je opa vanwege die naam.’
Hij droeg een donkere bril om zijn ogen te verstoppen voor het licht.
‘Je wordt stedenbouwkundige in een familie van stedenbouwkundigen.’
De stem uit de luidsprekers kondigde aan dat over een paar minuten de trein zou aankomen waar hij op wachtte.
‘Kan je vader je niet helpen?’
Mijn vader zou tot aan het eind van het jaar aan een buitenlandse universiteit werken.
‘Ik stel me zo voor dat je aan mij dacht zoals je aan je opa zou hebben gedacht als hij nog had geleefd.’
Ik knikte.
‘Maar ik ben al zo lang weg van de faculteit dat je beter een andere begeleider kunt zoeken.’
De trein liep met veel lawaai binnen.
‘In welke richting groeit deze stad?’, vroeg ik hem boven de herrie uit. ‘Naar binnen, in barbacoas.’
Hij stond op om naar de mensen te kijken die langsliepen.
‘Naar binnen.’
Tussen de menigte ontdekte hij een man en hij haastte zich om hem te helpen met zijn bagage. Hij zal me wel hebben voorgesteld als student of als de kleinzoon van zijn beste vriend. Daarentegen zei hij tegen mij niets over die man.
‘Mijn wagen staat hier dichtbij’, bood hij hem aan.
We liepen de stationshal uit en ik zag ze in de oude Russische auto van de professor stappen.
‘Laten we het proberen’, zei hij voordat de motor elk gesprek onmogelijk maakte. ‘Kom bij mij thuis langs.’
 
Op de faculteit dachten ze al jaren dat hij was overleden en leken blij te zijn nu hij naar de vakgroep terugkwam.
‘Leg eens uit waar het over gaat’, vroeg hij, klaar om ter zake te komen.
De ramen van zijn appartement bleven potdicht. Het leer en de gulden letters van boekruggen blonken in het kunstlicht op klaarlichte dag en de temperatuur was als binnen in een hol. Als kind had ik mijn begeleider bezocht in een ander appartement, een met open ramen.
‘Een waardevol idee’, vond hij.
Overduidelijk genoot hij van dat moment waarop we nog vrij waren.
‘Daarna komt het werk’, waarschuwde hij. ‘Het gebrek aan plezier, het schrijven, de afwerking, een methode.’
Tijdens die ontmoeting kon de stroom ons nog overal mee naartoe nemen, we zwommen als twee dronkelappen. Mijn begeleider moest denken aan alle steden die deze stad zou zijn geworden. Op een zeker moment voelde ik dat we, als we een raam open zouden doen, haar daar buiten niet zouden vinden.
Toen ik alleen in de werkkamer was, slaagde ik erin om een oude plattegrond te bestuderen die tussen de boeken hing. Hij gaf het oudste gedeelte van de stad weer en er stond een jaartal op: 1832. Toen ik dat jaartal las, merkte ik dat er een schim naar het achterste deel van het huis liep. En ik dacht aan de man die met de trein was gekomen.
‘Dat jaar was er cholera’, verklaarde mijn begeleider toen hij uit de keuken terugkwam, ‘en in een wijnlokaal op de hoek van Cuba en Lamparilla verkochten ze die plattegronden.’
Die kaart beschreef de weg van de cholera, het oprukken van de dood in de stad.
De melk vormde een wolkje in de kop thee. Ik wilde vragen of we alleen in het appartement waren, maar durfde niet. Toen ik afscheid nam, bleef ik even staan bij het schaaltje met munten bij de voordeur. Altijd wanneer mijn opa me bracht, had ik er eentje uitgepakt. Er waren munten uit alle hoeken van de wereld en de munt die ik koos zou als mijn bestemming kunnen dienen.
Ook mijn begeleider glimlachte bij de herinnering.
‘Voor de laatste keer’, gaf hij toe.
Ik stak mijn hand in het schaaltje en haalde er een metalen knoop uit met in reliëf een anker.
‘Van een uniform van de marine. Die telt niet, pak er een munt uit.’
Ik woelde de inhoud van het schaaltje door elkaar en koos een oneffen munt.
‘Eens kijken waar die je heenbrengt.’
Zo te voelen leek het een onafgewerkt muntstuk.
“Bij mij sprankelt het boven”, wist ik te lezen voordat de munt uit mijn handen werd gegrist.
Aan het eind van de gang, in een van de kamers van het appartement, flikkerde een heel sterk licht. Mijn begeleider verborg de munt.
‘Het is maar een speeltje’, probeerde hij me te overtuigen. ‘Het is nergens goed voor.’
Hij deed de voordeur open en haastte zich om me uit te laten.
 
De schim in het appartement, de munt en de steekvlam die achter een van de deuren flakkerde: alles was geheimzinnig. Ik verslond de eerste boeken, maakte aantekeningen en een week later drukte ik op het afgesproken tijdstip op zijn deurbel.
Midden in de deur werd het klepje van een spionnetje opengeklapt door iemand die aarzelde of hij open zou doen. Ik drukte nog eens op de bel en wie het ook was ging ervandoor. Juist toen ik op het punt stond om de trap af te lopen kwam mijn begeleider er aan met een tas waaruit een bos verlepte groenten stak. Hij verontschuldigde zich dat hij te laat was, hij had het oude dienstmeisje niet meer.
De ramen zaten net zo dicht als bij mijn vorige bezoek, achter de deur aan het einde van de gang brandde helemaal geen licht. En het verbaasde me om het schaaltje op zijn oude plaats aan te treffen.
‘Rincón’, zei hij toen hij me een glas water gaf.
Ik begreep het niet.
‘Het wijnlokaal waar ze de plattegronden van de cholera verkochten… Wijnlokaal Rincón, op de hoek van Cuba en Lamparilla.’
We gingen naar beneden om zijn auto te halen en ik toonde mijn belangstelling voor de munt.
‘Het is je nooit opgevallen dat er munten uit verschillende tijden waren’, begon hij. ‘Als kind spreekt aardrijkskunde veel meer tot de verbeelding dan geschiedenis. Andere landen doen er meer toe dan andere tijden… Kennelijk hoeven we onze reizen in de tijd nog niet te beginnen.’
‘Natuurlijk’, zei ik, zonder te begrijpen wat het verband was tussen dit gesprek en de munt.
‘Het schaaltje van dit huis zit vol met geld uit vele landen en van vele tijdperken.’
‘Ja.’
‘Je weet niet waar je uitkomt. Op een ochtend ga je de deur uit om groenten te kopen…’
Hij onderbrak zichzelf toen we bij een bord kwamen dat aangaf dat de straat wegens onderhoud was afgesloten.
‘Een momentje’, zei hij toen hij uit de auto stapte.
Hij sprak met iemand van de ploeg die in de straat aan het werk was, wierp een blik op een open gat in de grond en keerde terug naar de auto.
‘Op een ochtend ga je de deur uit om groenten te kopen en ontdek je dat de cholera door de stad raast. Je duikt op in achttienhonderdtweeëndertig, zonder tijd om je ergens over te verbazen. Opeens heb je een munt nodig, want je weet dat ze die in wijnlokaal Rincón, op de hoek van Cuba en Lamparilla, inwisselen voor een plattegrond die je de weg wijst in dat doolhof.’
‘Van wanneer is de munt die ik pakte?’, onderbrak ik zijn uitweidingen.
‘Het was een speeltje, zoals ik je al heb gezegd. Voor een van die spellen waarbij je bezit koopt en verkoopt.’
Hij moest weer een omweg maken vanwege werkzaamheden.
‘Je bent niet meer het kind dat je opa naar mijn huis meebracht. De tijd, zoals je geleerd moet zijn, is ook een ruimte. Nu is het jouw beurt om die te onderzoeken.’
Ik voelde dat het belangrijkste onder het tapijt was geveegd. Mijn begeleider stopte de auto en de stilte was ongelooflijk.
‘Ik wil dat je met iemand kennismaakt’, zei hij.
 
Het gebouw waar we naar binnengingen was onbewoonbaar verklaard en er leek niemand in te wonen. Het was de minst voor de hand liggende plek om een bezoek af te leggen. We stuitten op twee mannen die hout van een steunconstructie weghaalden en naar de bovenste verdiepingen brachten. Mijn begeleider klopte op een deur met een hangslot. In die deur ging een kleinere deur open en daardoorheen maakte een uitgestoken hand het hangslot open.
We liepen naar een woonkamer die een ruimte achter de winkel van een of andere antiquair had kunnen zijn. Een slaapbank was de enige concessie die was gedaan om het op een woning te laten lijken. In plaats van gewone meubels stonden er parkbanken, de ruimte was opgesplitst met stukken hekwerk. De lampen waren enorme portieklantaarns en aan de muren hingen straatnaamborden. We troffen een man aan en mijn begeleider vroeg hem naar zijn gezondheid.
‘Professor D.’ Zo werd hij aan me voorgesteld.
‘Voormalig professor.’
Hij was onherkenbaar hoewel ik hem in mijn eerste jaren op de universiteit had gezien. Nu rookte hij onophoudelijk, liep heen en weer tussen zijn spullen en vestigde onze aandacht op een kristallen glas dat tot de rand gevuld was.
‘Zien jullie het?’
Het was nog het normaalste van alles daar totdat het water heen en weer begon te bewegen alsof er door een onzichtbare hand in werd geroerd.
‘Ondergrondse explosies’, oordeelde hij.
De ploeg waar we op waren gestuit hing de coaxkabel voor de telefoonlijnen op, de bouw van de metro was stilgelegd…
‘Schuilkelders’, veronderstelde ik.
De vloeistof trilde niet meer en mijn begeleider haalde een pakje tevoorschijn.
‘Groene’, zei hij. ‘Er was geen zwarte.’
‘Groene is goed voor het glazuur.’
Hij had bruine tanden van het roken en legde de hand waarin hij zijn sigaret had op mijn schouder.
‘Zie je dit hier allemaal?’, vroeg hij me. ‘Er is geen plaats meer voor in deze stad. Ik heb het weggehaald van plekken waar het nooit meer zal verrijzen en ik wist zelf niet eens wat er van mijn huis zou worden toen ik de eerste spullen meebracht.’
Hij verduidelijkte niet wát er dan van was geworden, of het een vlooienmarkt was of een vuilnisbelt. Ik moest moeite doen om de as niet over me heen te krijgen.
‘In mijn gebouw begon een vrouw met één achtergelaten hond en die heeft er nou al vijftien.’
Hij keek me aan alsof hij me niet begreep. Op de verdieping boven ons begonnen ze te hameren.
‘Ik zet geen thee want er is geen gas’, besloot hij.
Ze hielden op met het gehamer.
‘Boven barbacoas en beneden explosies.’
‘Een wonder dat we nog leven’, mompelde mijn begeleider.
‘Het schandaal van alle stedenbouwkundige congressen’, beweerde D. ‘Een stad met zo weinig funderingen die een zwaardere last draagt dan mogelijk is, kan alleen worden verklaard door het feit dat ze zweeft.’
Hij liet zich op de bank vallen.
‘Wonderbaarlijke statica.’
Op de verdieping boven ons begonnen ze weer te hameren en mijn begeleider bracht het glas van het experiment naar zijn ogen.
‘Ik dacht dat het water was’, gaf hij toe.
‘Iets grotere dichtheid, professor. Rum van maart.’
Het oppervlak van die rum was bedekt met een laagje stof uit het plafond. Mijn begeleider keek naar boven.
‘Ik wil dat je je boek aan deze jongen uitleent’, zei hij ten slotte.
D. zat midden tussen zijn archeologische vondsten en keek naar de gloeiende punt van zijn sigaret.
‘Maar hij heeft me nog niet verteld waarnaar hij op zoek is.’
Dus ik begon over de bok en het appartement.
‘Veel van die spullen heeft hij gestolen voordat het uur van hun totale instorting daar was’, zei mijn begeleider toen we weggingen.
‘Zorg dat ze er op de faculteit niet achterkomen’, waarschuwde hij me over het boek.
Het was een getypt werk van zo’n driehonderd bladzijden. De schrijver, de toenmalige professor D., had het de titel Korte verhandeling over de wonderbaarlijke statica gegeven.
 
Ik zorgde ervoor dat ik bij de volgende afspraak een uur te vroeg kwam. Zonder dat hij me kon zien, bespiedde ik de bewegingen van mijn begeleider op het treinstation. Hij was met dezelfde man die hij een paar weken daarvoor had opgehaald en die man overhandigde hem iets waarvan ik veronderstelde dat het geld was. Mijn begeleider nam het aan, nam afscheid van hem en ging naar zijn auto. Daar zocht hij een schrift waarin hij iets opschreef. Toen de trein wegreed ging hij op een bank zitten om me op te wachten.
Al mijn maatregelen om eerder te komen en hem te bespieden bleken echter overbodig, want hij erkende dat hij een kamer van zijn huis aan de man verhuurde. Ze hadden een zakelijke relatie, er was niets geheimzinnigs aan. Hij strekte zijn benen alsof hij opeens ergens heel blij van werd en vroeg of ik de verhandeling had gelezen.
Ik had in dat boek een term gevonden die me van pas kon komen.
‘Je gebruikt het woord krottisering in je proefschrift’, waarschuwde mijn begeleider, ‘en…’
Mensen konden een gebouw uitwonen totdat ze het in lieten storten. Ze maakten een ruimte waar niets meer bij leek te kunnen, duwden totdat hun levens erin pasten. En zoveel inspanningen om te kunnen leven eindigden bijna altijd in het tegenovergestelde.
Om ons heen namen mensen afscheid, omhelsden elkaar en hielpen elkaar met hun koffers.
En aan de andere kant was er de inspanning van die gebouwen om niet in te storten, om geen ruïnes te worden. Zo kon het doorzettingsvermogen van een hele stad begrepen worden als een strijd tussen de krottisering en de wonderbaarlijke statica.
Weer kwam er een overvolle trein aan.
Maar als ik mijn graad van stedenbouwkundige wilde bemachtigen, dan had ik niets van dat alles gehoord, want een jury van de faculteit wilde niets van ineenstortingen weten. De stad had dezelfde vaste grenzen en er was geen enkele aanwijzing voor uitbreiding. Als ergens een gebouw instortte werd er op die plek geen nieuw neergezet. We maakten ons op de goedkoopste manier van de ineenstorting af, met de aanleg van een park, een open ruimte. Stelletjes vonden alle mogelijke hoekjes, de vrouwen werden tijdens die afspraakjes zwanger, de zalen van de kraamkliniek raakten overvol, de doden gingen maar niet dood…
Mijn begeleider en ik zagen hoe de stationshal weer leegstroomde, hoe horden krotters in de stad aankwamen.
 
Een week later kreeg ik bezoek van professor D. Hij kwam zijn boek ophalen omdat het zou worden uitgegeven, en dat vooruitzicht maakte dat hij maar door bleef praten over projecten. Met de ene sigaret stak hij de andere aan en hij sprak over de boeken die zouden komen. Hij beloofde dat hij zou wachten tot ik gepromoveerd was om me bij zijn onderzoek te kunnen betrekken, ook wilde hij dat mijn begeleider mee ging doen. Hij sprak over het vormen van een team zoals hij ooit eerder had gehad. Zonder duidelijke oorzaak raakte hij vervolgens ontmoedigd, hield op met het maken van plannen en twijfelde zelfs aan de beloofde publicatie.
Toen hoorde ik hem praten over de krotters. De sigaret in zijn mond en zijn sombere bui maakte het soms onmogelijk om zijn woorden te verstaan, maar dit is wat ik ervan kon maken.
De oudste gebouwen van de stad trokken de aandacht van de krotters. Er verstreek niet veel tijd voordat een eerste krotter ging wonen in het gebouw dat in de gaten was gehouden. Die eerste bracht weer anderen mee en langzamerhand raakte het hele gebouw vol met zijn mensen. Samen in het gebouw (hoe hoger hoe beter en hoe grandiozer nog beter) maakten ze van een klein kamertje vier kamers en van één verdieping twee. Ze perforeerden de muren voor de balken van hun barbacoas. En onbarmhartig baarden de krottervrouwen kinderen en lieten steeds weer verre verwanten overkomen.
Elke nacht als ze naar bed gingen lieten ze hun hoofd op het kussen vallen met de wens om de ultieme klap op de aarde te geven. Ze waren op alle mogelijke manieren op zoek naar de ineenstorting. En niet om te sterven, want een echte krotter probeerde de ineenstorting van zijn gebouw te bewerkstelligen zonder dat er zelfs maar een stofje van een baksteen op hem viel. Zijn triomfen bestonden eruit om thuis te komen en te zien dat het huis er niet meer stond. Je moest ze dan eens zien tussen de mensen die écht leden, als ze zich met de allerschijnheiligste uitdrukking op hun gezicht alle bijzonderheden van de ramp lieten vertellen.
‘Waarom?’
D. leek me niet te begrijpen.
‘Waarom halen ze die gebouwen neer?’, verduidelijkte ik mijn vraag.
‘Ze hebben een lichte schaduw en nomadenbloed’, zei hij. ‘En het is zwaar om zo te zijn op een klein eiland.’
Waarom halen ze die gebouwen neer?’, verduidelijkte ik mijn vraag.
‘Ze hebben een lichte schaduw en nomadenbloed’, zei hij. ‘En het is zwaar om zo te zijn op een klein eiland.’
‘Bedenk dat de horizon zo bereikt wordt. Je zet twee passen en je bent bij de kust en alle beloften die je als nomade zijn gedaan blijken niets voor te stellen. Wat het nomadenbloed je elke avond voorschrijft is oudewijvenpraat als de grond gewoon ophoudt.’
‘Maar als je niet naar buiten kunt, ga dan naar binnen’, raadde hij aan. ‘Niets doen is geen optie.’
Zijn enthousiasme was weer terug.
‘Als je geen nieuwe grond vindt, als je omsingeld bent, dan heb je nog één redmiddel over: dat wat er onder het gebouwde zit naar boven brengen. Opgraven, in verticale richting lopen. Zoeken naar de verbinding van het eiland met het continent, de sleutel van de horizon.’
Hij stak de laatste sigaret op die hij had. Een paar minuten zwegen we.
‘Niets is te vergelijken met het instorten van het gebouw waarin je woont’, flapte hij eruit.
‘Als je huis instort dan heb je nog steeds je bezit op aarde. Je hebt je hoekje nog en kunt opnieuw beginnen.’
Hij bekeek de staat waarin mijn appartement verkeerde en leek die te solide te vinden.
‘Maar als het gebouw instort waarin je je hele leven hebt gewoond’, voegde hij eraan toe, ‘dan ontdek je dat je tot dan toe slechts lucht hebt bezeten, niets meer dan het vermogen om onbewust op een zekere hoogte boven de grond te zweven. En als je eenmaal dat voorrecht hebt verloren, dan heb je niets meer over.’
Hij bleef aan zijn sigaret trekken totdat zijn lippen en wangen er geen rook meer uit konden halen.
‘Dan maken de omstandigheden een krotter van je’, was het laatste wat hij zei en een paar uur voordat het licht werd ging hij ervandoor.
 
‘Heb je de verhandeling bij je?’, moest diezelfde middag nog de stem van mijn begeleider aan de telefoon een keer herhalen.
Ik keek op de klok zonder dat ik zag hoe laat het was en schraapte mijn keel om hem te vertellen dat ik het boek al had teruggegeven.
‘D. kwam gisteravond hier en we hebben tot diep in de nacht gepraat… Ik ben nu net wakker.’
‘Het spijt me, maar D. is vanochtend gestorven bij een ineenstorting.’
Het was bijna vijf uur ’s middags.
‘Het plafond van zijn huis is boven op hem gevallen.’
Ik beloofde dat ik zo snel mogelijk bij het appartement van mijn begeleider zou zijn. En zonder dat ik van het nieuws was bijgekomen, moest ik denken aan de mannen die hout van een steunconstructie weghaalden en boven het huis van D. aan het spijkeren waren.
Hij was de enige dode.
‘Het lijkt eerder op zelfmoord’, zei mijn begeleider doodkalm.
Het gebouw was onbewoonbaar verklaard en hij wilde het risico lopen en erin blijven.
‘Ik heb met zijn ex-vrouw gesproken bij het identificeren van het lichaam. Het is beter om geen dingen overhoop te halen.’
Ex-vrouw, ex-professor… Hij was al volledig in de tijd die bij hem leek te horen.
‘Ik ga koffiezetten’, bedacht mijn begeleider.
Ik ging naar de wc. Iets wat ik niet zou kunnen verklaren, een vermoeden, zorgde ervoor dat ik een andere deur openduwde, en het binnengaan van de kamer aan het eind van de gang was alsof ik een ander huis instapte.
De vloer was eruitgehaald en nu lag er alleen nog ruw beton. In een hoek stond een oven die tot aan het plafond reikte en in een andere hoek stond de oude tekentafel uit de studententijd van mijn begeleider. Toen ik doorliep, ervoor zorgend dat ik geen enkel geluid maakte, kreeg ik een touw om mijn hals heen.
Aan dat touw hingen over de hele breedte van de kamer vochtige stukken papier die ik in het donker nog net kon herkennen als bankbiljetten. Bij de oven vond ik een koffer vol met geldstukken als de munt die ik uit het schaaltje had gepakt. Ze waren net zo ruw als de vloer van de kamer en waren uit die oven gekomen. Mijn begeleider verhuurde de kamer aan de man van het station nou niet bepaald als slaapkamer.
Ik hoorde gestommel buiten en had slechts tijd om een paar munten bij me te steken. De vochtige en ongetwijfeld eveneens vreemde biljetten bleven aan de lijn hangen.
‘Dat van het boek was een valstrik’, zei mijn begeleider toen hij me een kop koffie gaf.
Als hem beloofd was om het uit te geven, dan wilde wie hem die belofte ook maar had gedaan het boek onder het ineengestorte gebouw hebben liggen, begraven onder het puin. Nu redeneerde hij al net als zijn overleden vriend.
‘Ik wil je iets laten zien’, gaf hij zachtjes te kennen.
Ik stak mijn hand in mijn broekzak en voelde aan de gestolen munten. Op een boekenplank, bij de vreemde plattegrond van de cholera, bewaarde hij een schrift met een stoffen kaft. Hij legde er een vinger op en ik geloofde bijna dat de boekenplank een opening zou geven naar een geheime gang.
‘Als er iets gebeurt’, vertrouwde hij me toe, ‘dan zijn hier de aantekeningen die ik bij het lezen heb gemaakt. Dat is het enige wat nog rest van dat boek.’
‘Wat kan er dan gebeuren?’, vroeg ik met een niet erg geloofwaardige glimlach.
‘Zomaar een ongeluk.’
Hij schonk nog een kop koffie voor zichzelf in, geheel tegen zijn gewoonte in.
‘Ik wist het niet’, zei hij. ‘Toen ik je daar mee naartoe nam, bedoel ik. Toen ik je het boek in handen gaf.’
Ik vroeg hem wát hij toen niet wist.
‘Met de mensen die met dat boek te maken hebben gehad is het slecht afgelopen’, zei hij.
Hij somde mensen en ongelukken op. Het hele team van professor D. had een weinig rooskleurig einde gevonden. Maar tot een paar uur geleden leefde de schrijver van dat boek nog, en kon alles wat gebeurd was nog als een keten van toevalligheden beschouwd worden.
‘Nu zijn jij en ik nog over.’
De perfecte moord deed, met de dode, ook de plaats delict instorten.
‘Neem me niet kwalijk.’
Ik vroeg wat ik met die aantekeningen moest doen als er iets gebeurde.
‘Jezelf in veiligheid brengen’, gebood mijn begeleider.
Op straat, bij het licht van de vroege avond, bekeek ik de munten. ‘Bij mij sprankelt het boven’, stond er aan de ene kant geschreven. ‘Bij mij sprankelt het beneden’, was er te lezen als je de munten omdraaide.
 
Toen het donker was en het ingestorte gebouw niet meer werd bezocht door nieuwsgierigen, was ik ter plekke. Een hond snuffelde rond en ging tussen de puinhopen op zoek naar iets. Iemand floot, een paar stukken muur werden overhoopgehaald en de hond kwam uit de tunnel die hij had gegraven. Als in dat meisjesspeelgoed waaraan de gevels ontbreken, zag je achteraan de enige muur die nog overeind stond en die droeg nog steeds de straatnaamborden van professor D. Ik moest denken aan de titel van een boek dat hij van plan was te schrijven: Een kunst van het maken van ruïnes. Van de keuze tussen een krotter worden of doodgaan, had hij het tweede gekozen.
Na de dood van D. was het eerste dat ik ’s ochtends deed, me ervan vergewissen dat mijn begeleider nog veilig en wel was. Het proefschrift vlotte moeizaam en de deur van de kamer achterin was nooit meer open. Op een middag toen ik alleen in zijn werkkamer was en het schrift met de stoffen kaft doorbladerde, zag ik de huurder van de achterkamer in een raam weerspiegeld, maar toen ik me omdraaide was hij al weer weg.
De volgende ochtend nam niemand de telefoon op. Mijn begeleider werd zittend in een van de leunstoelen van zijn werkkamer aangetroffen, dood. Het licht viel door de ramen binnen zoals lang geleden. In de bibliotheek ontbrak het schrift en in de kamer achterin stond alleen nog een tekentafel. Geen spoor van de oven of de waslijn met valse bankbiljetten.
‘Hartaanval’, was het oordeel van de forensisch arts.
Hij scheen door de dood te zijn overvallen toen hij rustte in zijn luie stoel. Het dak was niet op hem gestort en er waren geen tekenen van geweld zichtbaar op zijn lichaam. Hij had zijn leesbril op, maar geen boek bij de hand, hij had vast in het schrift gebladerd dat nu gestolen was.
‘Jezelf in veiligheid brengen’, had hij me aangeraden.
In mijn broekzak bewaarde ik het enige bewijs van de merkwaardige clandestiene arbeid in de kamer achterin en het was me niet duidelijk wat daarin het aandeel van mijn begeleider was geweest.
 
Wekenlang hield ik de wacht in de buurt van het treinstation en zag mezelf genoodzaakt om het werk aan mijn proefschrift te staken. Op een middag, toen ik het bijna had opgegeven, zag ik de voormalige huurder van mijn begeleider uit de trein stappen.
Hij zeulde de koffer mee die ik al van hem kende en sprak met een vrouw die groter was dan hij. In tegenstelling tot de anderen die net waren aangekomen, had hij geen haast. We liepen doelloos wat heen en weer. Vanwege zijn onbeduidende bezigheden vermoedde ik dat hij wachtte op een afspraak.
Toen het al donker was volgde ik hem over een laan zonder verlichting. De bomen maakten alles nog duisterder en hij stopte voor de ingang van een tunnel die wel een schuilkelder moest zijn. Hij keek aan alle kanten om zich heen zonder dat hij me kon zien, deed een rooster open en ging naar beneden.
Even werd de plek verlicht door een auto en ik stond op het punt om mezelf ervan te overtuigen dat niets van dat alles echt was, het rooster zonder slot in de tunnelmond niet en evenmin de stenen muur achter de bomen. Ik volgde een onbekende zonder goed te weten waarom.
Binnen in de tunnel duurde het even voor ik genoeg licht ontwaarde. Ik klikte een mes open dat ik bij me droeg en probeerde tevergeefs voetstappen te horen. Doordat het zo laag was moest ik me bukken om door te kunnen lopen. Opeens werd de vloer van beton en kwam ik bij de kruising met een andere, pikdonkere tunnel met een grotere diameter.
Wat houten balken gaven aan hoe de weg verder ging, over de vloer liepen straaltjes water.
‘Een metrolijn die er nooit zal komen’, zei ik bij mezelf.
Het werd steiler en het ruwe beton bleef aan mijn schoenzolen haken. Ik meende voetstappen te horen en stopte, maar niets doorbrak de stilte die ik zo creëerde. De verlichting schitterde nu en ik ontdekte dat de weg uitmondde in een fel licht. Het moest om een andere kruising gaan, ditmaal verlicht. Toen een arm me tegenhield, liet ik het mes vallen.
Achter de balken van een van de muren strekte een vrouw haar arm naar me uit. Ik keek naar haar felrood geverfde haar, het mes op de grond en het licht aan het einde, waarachter niets meer leek te bestaan.
‘Bij mij sprankelt het boven’, sprak ze en hield haar hand nog steeds gestrekt.
Ze had een stapeltje van die munten die ik in mijn broekzak had. Ze maakte een ongeduldig gebaar dat ik suste door een van die vreemde munten in haar hand te leggen.
‘Bij mij sprankelt het boven’, herhaalde ze zonder me door te laten.
‘Bij mij sprankelt het beneden’, maakte ik het wachtwoord af.
Als er op zoveel meter onder de grond een loket openging, dan moest de voorstelling die me te wachten stond wel heel bijzonder zijn. Ik deed een stap achteruit en het mes lag er al niet meer. Aan het einde van de tunnel schitterde het licht sterker dan op een zonovergoten dag. Als je eenmaal dat licht binnenging, was de ruimte enorm groot. Schijnwerpers die aan het plafond waren bevestigd maakten het idee dat er zelfs maar een plafond kon bestaan onmogelijk. Een strandhemel van een stralende zomer opende zich boven mijn hoofd.
Er was maar weinig in die schijnbaar oneindige ruimte. Niemand was er te zien en de immense verlatenheid nodigde niet erg uit om door te lopen. Het zou net zo saai zijn als lopen op de zon. Later ontwaarde ik wat lijnen, een stadsplattegrond die op ware schaal getekend was. En het duurde niet lang of ik zag hier en daar, ver uit elkaar, enkele gebouwen. Het begrip, net als wat ik zag te midden van zoveel licht, drong beetje bij beetje door met een stelligheid die ik liever niet had gehad. En dus probeerde ik terug te gaan.
Maar het lukte me niet om een uitgang te vinden. Ik was in een nachtmerrie van een stad terechtgekomen en wist maar niet wakker te worden. Ik haalde de munten tevoorschijn in de hoop op iets dat niet gebeurde en moest zonder enige reden denken aan de hoek van Cuba en Lamparilla. Of met niet meer reden dan waarom ik daar onder de grond was.
Als ik niet meteen vertrok, zou ik moeten toegeven dat daar een stad bestond die erg veel leek op die van boven. Zoveel leek ze erop dat ze was gepland door degenen die voor de ineenstortingen zorgden. En toen ik me tegenover een gebouw bevond waarvan een van de muren ontbrak, begreep ik dat die muur, die nog overeind stond in de bovenwereld, niet lang op zich zou laten wachten.
Het ging om het gebouw van professor D. dat opnieuw was opgetrokken. Ik zou door de entree moeten en de deur moeten zoeken die weer een kleinere deur had, ik zou me ervan moeten vergewissen dat alles volkomen hetzelfde was. Alleen op die manier, nog erger in de val gelokt dan toen ik langs het loket ging en dat hele felle licht binnenstapte, zou ik aangekomen zijn in Krotterije, de begraven stad, waar alles bewaard blijft als in het geheugen.
 
“Mijn gedachten zijn heel ver weg, in de eenzaamheid van Bethmoora, waar de poorten slaan in de stilte, slaan en kraken in de wind, maar niemand hoort ze. Ze zijn van groen koper, heel mooi, maar niemand ziet ze. De woestijnwind strooit zand in de scharnieren, maar niemand komt om ze verlichting te geven. Geen enkele schildwacht bewaakt de stadsmuren met kantelen van Bethmoora, geen enkele vijand bestormt ze. Er is geen licht in haar huizen en er zijn geen voetstappen in haar straten. Ze is dood en alleen achter de heuvels en ik wilde Bethmoora graag nog een keer zien, maar ik durf niet.”
Dat heb ik vaak van mijn opa gehoord. Ik leerde zijn woorden zonder ze helemaal te begrijpen, zonder te weten of ze zinspeelden op een echte of een denkbeeldige stad. En zoals het geval is bij zoveel citaten uit de herinnering kwam zijn beslissende moment veel later, onverwacht.

Over de auteur:

António José Ponte werd in 1964 geboren in Matanzas, Cuba. Hij koos voor een opleiding tot waterbouwkundig ingenieur omdat hij niets voelde voor de censuur en beperkingen waardoor de Cubaanse letteren geplaagd werden. Daarna zou hij uitgroeien tot een veelzijdig schrijver van essays, verhalen, gedichten, romans, filmscenario’s en journalistiek werk. In 2003 werd hij uit de Cubaanse schrijversbond gezet, waarna hij besloot om in ballingschap te gaan. Tegenwoordig woont hij in Madrid. Tot zijn bekendste werken horen het essay Las comidas profundas (1997), de verhalenbundel Un arte de hacer ruinas y otros cuentos (2005), de poëziebundel Asiento en las ruinas (2005) en de roman Contrabanda de sombras (2005).

Over de vertaler:

Melani Reumers (1967) is in april 2013 afgestudeerd aan de Vertalersvakschool als literair vertaler Spaans. Vertalingen van haar hand zijn eerder gepubliceerd in nummers van KortVerhaal en Terras; verhalen van Antonio Ortuño, Antonio José Ponte en Guadalupe Nettel en gedichten van Antonio José Ponte. Sinds kort schrijft ze ook, zowel in het Nederlands als in het Spaans. In januari 2014 verschijnt een Spaanstalig verhaal van haar in een bloemlezing van Aula de Escritores in Barcelona.