thema:

Een utopie op het platteland

Het is een uur rijden vanuit Berlijn, over de snelweg richting Hamburg, om het atelier van Anton Henning te bereiken. Jaren geleden kocht hij een voormalige boerderij in een klein dorp in Neuruppin. Een gebied dat er, volgens de schilder, net zo uitziet als Nederland, ‘maar dan tweehonderd jaar geleden’. De weiden zijn er uitgestrekt, groter dan ze tegenwoordig in Nederland zijn. Ruimte is hier het trefwoord. En het vee dat erin graast, de beekjes die erin stromen doen aan Ruysdael denken. Of is het Constable, Jongkind, Monet? Het landschap is schilderachtig, zo veel is zeker, maar tegelijk is die term gedevalueerd en klinkt al bijna naar kitsch. Moet je om dit landschap te karakteriseren inderdaad terugkeren naar schilders van tweehonderd jaar geleden, naar de oude meesters of kun je bij een hedendaags schilder terecht, bij Anton Henning zelf misschien, die tenslotte in dit landschap woont?

Eenmaal van de snelweg af voel ik de wat dwaze stadse verbazing dat het zo dichtbij huis is, een landschap dat rust en ruimte biedt, een opklaring in het hoofd. Maar ook die stadse angst speelt meteen op: Hoe benauwend is de stilte hier? Hoe conservatief zijn de mensen? Is het één van die rechts-radicale Oost-Duitse dorpen waar buitenlanders met argusogen worden bekeken? Ik parkeer in het midden van het dorp, wacht nog even omdat ik te vroeg ben, we zijn in Duitsland tenslotte. Vanuit de auto zie ik de dorpswinkel en naast me op de parkeerplaats staat een mobiele broodkraam. Voor een vaste bakker is het hier te klein. De mensen kennen elkaar, op straat wordt gegroet, maar het is vooral leeg op deze maandagochtend. Na tien minuten hoor ik het klokgelui dat de landelijke stilte in twaalf zware slagen onderstreept. Hoe schilder je het geluid van een kerkklok, zo imposant? Ik rijd terug, het eerste huis links, had de schilder gezegd. Nog voor ik de bel heb gevonden gaat de poort open en word ik begroet door de assistent van de schilder. En dan verschijnt daar op het erf Anton Henning, die geamuseerd is door mijn pünktliche verschijning.

Henning is Berlijner van geboorte maar zijn loopbaan als kunstenaar begon elders. Zijn eerste tentoonstelling had hij in Keulen in 1988 en vandaar rolde het verder, eerst naar Wenen en vervolgens naar New York, waar hij enkele jaren woonde. Aanvankelijk succesvol maar na enkele jaren haperde het, gedoe met galerieën en hij kwam terug naar Duitsland en vestigde zich in de buurt van Berlijn in dit dorp dat Manker heet. Hier maakte hij een Neustart op gepaste en gewenste afstand van het kunstgebeuren.

Een van de spannendste tentoonstellingen die ik van Henning zag was Twintig jaar Dilettantisme, in 2008 in een galerie in Berlijn vlakbij Checkpoint Charlie. Waarom noemt een professioneel en succesvol kunstenaar zich een dilettant? Dat moest ironie zijn. Maar – zo werkt het bij Henning – toch ook weer niet. Een dilettant immers, is iemand die uit liefhebberij een kunst of wetenschap beoefent en vrijheden neemt die een professional zich niet kan veroorloven. En precies dat is bij Henning aan de hand. Vakmanschap, stijl en status hanteert hij met een twist. Van andere schilders leert en leent hij wat hem past en neemt het daarbij niet altijd even nauw. Het gevolg is een mix van schilderijen die raak zijn en werken die de plank mis slaan.

Op de tentoonstelling in Berlijn hing een schilderij dat openlijk aan de pointillisten refereerde. Maar met de serieuze intentie en het onderzoek van de pointillistische schilders had het weinig van doen, het was nonchalant geschilderd, als een tussendoortje dat snel af moest. Zag je daarentegen de portretten die Henning voor deze tentoonstelling maakte, dan was respect gepast. Daar was sprake van schilderkunst die zich oriënteerde aan de hand van grote meesters en daar iets aan toe wilde voegen. Picasso voorbeeld, een van Hennings grote helden. Maar ook Sargent of Picabia kom je in zijn oeuvre tegen, als expliciete wederhelft van de schilderijen die hij zelf maakt. Henning weet in de behandeling van zijn voorgangers een fijne dosis lichtheid en absurdisme te mengen. Daarbij komt een zekere onverschilligheid die hij vermoedelijk nodig heeft om met zoveel kunstgeschiedenis in de rug, toch te schilderen zoals hij doet. Het zou een valkuil zijn om net als die oude meesters te willen schilderen.

Wellicht wilde Henning met de irriterende tentoonstellingstitel nog eens in herinnering brengen dat hij het op de academie niet lang had uitgehouden. Hij is een selfmade man. Hij bezocht weliswaar ooit de kunstacademie in Karlsruhe, maar werd daar na twee maanden afgeschopt. Niet omdat hij zich misdroeg of aanstoot gaf, maar omdat hij nooit kwam opdagen. ‘Er gebeurde daar niets’, meende Henning, hij schilderde liever met zijn maten thuis in de Wohngemeinschaft die ze hadden gevormd.

Voor Twintig jaar dilettantisme had Henning de galerie helemaal omgebouwd. De wanden waren met hout betimmerd, er waren lampjes boven de schilderijen gemonteerd, zodat deze in een soort van ouderwetse, schemerige huiskameratmosfeer waren te zien. Er was een smaakvol interieur uit vervlogen tijden ontstaan. Het gevolg was dat je niet alleen naar de schilderijen op zich keek, het ging er meer om in de ruimte te verblijven, omgeven door een ‘kunstig’ interieur. Henning had daarmee een draai gegeven aan een van de meest beoefende genres uit de schilderkunst. Ik herinner me een vergelijkbare opstelling in het museum in Gent, waar een volledige ingerichte, achthoekige kamer in de museumzaal was gebouwd. Er hingen niet alleen schilderijen, ook de wanden zelf waren beschilderd. Er was plaats om te gaan zitten op rechthoekige elementen met dunne kussentjes erop. Henning had hier zijn persoonlijke variant gerealiseerd van het totaalkunstwerk.

 

Het gaat allemaal over compositie, merkte de kunstenaar eens op, ongeacht of je nou op het platte vlak van een enkel schilderij werkt, in de ruimte van een kleine galerie of in een museum met meerdere zalen. Steeds speelt compositie een rol en dat geeft ook het plezier aan het werk, meent hij. Daarom wil hij bij voorkeur zelf inrichten, in plaats van het aan curatoren over te laten het werk te installeren. De kunst is hier een omgeving en een ervaringsruimte – niet een enkel aandachtsbeeld.

Hennings schilderijen zitten over het algemeen lekker in de verf, om niet te zeggen vet. Ze zijn met snelle toets geschilderd en opgewekt in kleurstelling. Ze hebben vaart en lichtheid, ongeacht wat er is afgebeeld. De genres die hij beoefent zijn in principe klassiek, van stilleven, landschap en naakt tot interieur. Vaak is er een combinatie te zien van abstract lijnenspel en figuratie. Een vrouw bijvoorbeeld (veel vrouwen in zijn werk) met een bos krullend haar, op haar hoofd of tussen haar benen, waarbij het haar zich ook losmaakt van haar beeltenis: krullend ornament dat over het schilderij kringelt, alles met elkaar verbindend. Henning heeft een goed oog voor het punt waar figuratie omslaat in abstractie. Hij verbindt twee manieren van zien met veel gemak waardoor er een losheid in de blik ontstaat en een meerstemmig perspectief op de figuur of de scène waar je naar kijkt. Alsof de dingen nog niet zo zeker zijn van hun identiteit. Het belang van lijnvoering kan moeilijk overschat worden in dit werk. Volg de lijn van de kwast en je leert Henning kennen, er verschijnt een rode draad in het veelvormige oeuvre. De lijn als donkere contour van een lichaam, als krullende versiering op het hoofd van een pin-up of als rein ornament met schaduwrandjes die het oog plezieren. De lijn die een motief laat twijfelen: is dit een oog of rein ornament? De ene keer golvend of kronkelend als spaghetti. Elders rechthoekig of in strakke diagonalen. Het werk wordt aangestuurd door een onophoudelijk lijnenspel, een beweging die alles aan elkaar rijgt.

 

Wie de website van Anton Henning bekijkt zal zich afvragen om wat voor een zonderling het hier gaat. Op de openingspagina verschijnt een man met een eikenhouten baard, de ogen verscholen achter een zonnebril, gekleed in een kamerjas met een pijp in de hand. Hij zit op de grond met een elektrische gitaar in een interieur met een sofa op de achtergrond en schilderijen aan de muur. Is hij een oude hippie? Een ernstige kluizenaar die weinig van de wereld wil weten en zich daarom heeft teruggetrokken op het platteland? Een joker die de boel voor de gek houdt? Dit soort gedachten hadden door mijn hoofd gespeeld toen ik de kunstenaar ging opzoeken in zijn atelier, onderweg richting Hamburg, alert opde juiste afslag en licht nerveus voor de eerste ontmoeting. Het was moeilijk voor te stellen wat voor persoon er achter de zo uiteenlopende schilderijen schuil zou gaan. De rit staduitwaarts verhoogde de spanning. Het was niet de vaak ondernomen tocht naar een atelier op een voormalig industrieel terrein in Berlijn, maar een bezoek aan iemand die juist niet in Berlijn wilde zijn, weg van de kunststad.

 

De eerste minuten van een atelierbezoek zijn belangrijk, ze zetten de toon en bepalen of een kunstenaar opening van zaken gaat geven of professioneel op zijn hoede zal blijven. Ze bepalen of er echt een gesprek komt, of dat het op de vlakte blijft, een vraaggesprek volgens journalistieke beginselen. Meestal worden de kaarten snel geschud. Ook hier, bij dit zwaarbevochten atelierbezoek met een schilder die niet dol is op vraaggesprekken, leek het zo te gaan. De eerste minuten waren goed, de zon scheen, er werden wat grappen gemaakt terwijl we van de tuin naar het terras liepen. Henning sprak over de Hollanders die hier lang geleden waren komen helpen om het land droog te leggen. Ik beaamde dat we daar goed in zijn, en zelfs gewend onder de zeespiegel te leven. Ik vertelde ook dat het feest was vandaag in Holland, vanwege de koningin (die toen nog op de troon zat) en dat leek Henning grappig te vinden. Hij werd bovendien, wat is toeval, even later gebeld door een vriend uit Nederland, die hem vanaf een zeilboot op de Vinkeveense plassen de groeten deed. Zeker gevlucht voor Koninginnedag. “Dat is nou aardig”, zei Henning toen hij had opgelegd, “iemand die belt zonder iets van je te willen”.

Henning mag dan koketteren met dilettantisme, hij verscheen in werkelijkheid als een doorgewinterde professional in het kunstbedrijf. Vriendelijk maar terdege werd ik onderworpen aan een testsessie en aan vragen over mijn bedoelingen. Andersom was ik in zekere zin ook aan het testen, omdat ik, schommelend tussen fascinatie en scepsis, zijn werk door de jaren had gevolgd en de kunstenaar daarbij een soort vraagteken was geworden. Was hij een serieuze schilder, iemand die zou blijven? Of was hij een charlatan, die tijdelijk in de kunst kon functioneren, maar dan weer van het toneel zou verdwijnen? Daar zijn er immers veel van, carrièristen die het spel van de kunst goed verstaan en tot onderwerp van hun werk maken, maar die uiteindelijk weinig te melden of laat staan te geven hebben.

Henning toonde zich als persoon genereus en nam de tijd voor mijn bezoek. Tussen de gesprekken door gebruikten we buiten op het terras de lunch, samen met familie en medewerkers van de kunstenaar. Met zijn zessen zaten we in de zon. Henning animeerde, aan het hoofd van de tafel. Hij wist te ontvangen, deed dat met stijl als een pater familias. Hij had zelf in de keuken gestaan, terwijl we converseerden had hij een roerbakschotel met verse asperges en varkensvlees bereid. Het smaakte allemaal goed en ook de koffie toe ontbrak niet. Vervolgens ging ieder weer aan het werk en boog het gesprek terug naar het werk. Henning grapte dat ik nu over de maaltijd kon schrijven, en in mijn tekst kon opmerken dat het eten oké, was, maar dat de wijn toch wel ontbrak. Van dergelijk feuilletonisme hield hij niet, vertrouwde hij me toe, inmiddels serieus voorovergebogen. Hij hield eigenlijk niet van… journalisten.

Ik ook niet, verzekerde ik hem, hoewel ik me er nu toch een begon te voelen. In ieder geval was ik nieuwsgierig, anders zou ik hier niet zitten. Het atelier waren we intussen nog niet in geweest en ik vroeg me af of dat überhaupt nog ging gebeuren. Het lag aan de andere kant van de binnenhof, het grasveld over, in een grote voormalige stal. Tijdens de lunch had ik er al de hele tijd tegenaan gekeken. Ik begon te vermoeden dat we daar alleen terecht zouden komen als ik de test doorstond. De bankschroef werd nog eens aangedraaid. Wat ik verder zoal publiceerde, wilde Henning weten.

Ik was niet gekomen, expliciteerde ik, om zijn familie- of privéleven te portretteren, het ging me om zijn gronden in de kunst, zijn blik op oude meesters en zijn verhouding tot Berlijn. Het ging me om zijn houding als kunstenaar en hoe serieus of ironisch die genomen moest worden. En ook de vraag waarom hij hier op het land was gaan werken.

Feuilletonisme of niet; de wijze waarop Henning zijn leven op de voormalige boerderij organiseerde zou deze middag de meeste indruk op me maken. En ik zou het niet meer los kunnen zien van zijn werk. Wat ik zag was een kunstenaar die leven en kunst met elkaar verbonden had, niet als theoretisch program, maar als dagelijkse praktijk en tamelijk tot in perfectie. Er was hier binnen de muren van het landgoed een kleine, precies georganiseerde kunstsamenleving opgericht, die nauw was vervlochten met het familieleven van de kunstenaar. De keuken, waar ik met de schilder had staan praten, was net als zijn tentoonstellingen ingericht als een totaalkunstwerk, de muren veelkleurig beschilderd, daarop werk van hemzelf en ook van andere kunstenaars. Bij Henning trof ik niet de scheiding tussen werk en wonen die bij de meeste kunstenaars een noodzaak is om te functioneren. Hij wilde wonen in de kunst, in zijn eigen werk ook. Hij wilde, zo leek het, het leven ermee decoreren, transformeren en laten oplichten. Wellicht wilde hij er ook iets mee verdringen, of bedwingen, zo obsessief was het doorgevoerd. Een dilettant in dwingeland.

Een Duitse vriend had Hennings werk autoritair genoemd, toen ik vertelde hem te gaan bezoeken, een bedenking die ik niet direct begrepen had. Maar misschien had het met deze dwangmatigheid te maken. Het leven niet verdragen als het geen kunst is.

Er kwamen nu slierten verhalen op tafel, de geschiedenis van de regio, de mentaliteit in het oosten van Duitsland waar economische malaise heerste sinds de val van de Muur. Henning had weinig goede woorden over voor het geklaag van mensen die zich verliezers van de ‘Wende’ voelden. Dat waren er nogal wat. Hij was meer iemand van aanpakken, verantwoordelijkheid nemen voor je zaken. Dat doet hij zelf ook, getuige de grote boerderij die is omgebouwd tot atelier en werkplaats, en tevens gastenkamers en ruimtes voor personeel bevat. Een vleugel van de boerenhof was gereserveerd voor opslag en transport, waar professionele art handlers werk konden komen halen en inpakken. Henning werkt slechts met één transportbedrijf samen, en laat musea of galeries daarin geen keus. Hij wil mensen die weten wat ze in hun handen hebben. Het geheel was een goed geolied bedrijf en tegelijk was het een utopie op het platteland, een ommuurde hof waar met geestkracht aan kunst werd gewerkt door een hecht en gemotiveerd team en waar de buitenwereld zorgvuldig buiten werd gehouden, of alleen gedoseerd toegang kreeg. De medewerkers waren ogenschijnlijk tevreden, ze kregen goed betaald, zo verzekerde Henning. Arbeids- en familieleven werden hier gemengd, gevierd en genoten. En toen ik dat zag, zag ik het ook in de schilderijen en tentoonstelling waar alles met elkaar werd verbonden en niets aan het toeval werd overgelaten.

Het portret op de website zegt veel over Anton Henning, hoewel het geen natuurgetrouw beeld van de schilder te zien geeft. Henning is een teaser. Zijn werk zit vol kwinkslagen, bijvoorbeeld aan het adres van de hoge kunst en aan de status van de sterkunstenaar. Soms melig, soms scherp, soms grappig, soms sexy. Het welkomstbeeld op zijn website past in het provocerende plezier dat de kunstenaar beoefent. Het is natuurlijk ook een spel, al deze ernst, zo lijkt hij te willen zeggen.

Intussen ziet de echte Henning er een stuk frisser uit dan zijn wederhelft op het beeldscherm. Met baard en bril, dat is een gelijkenis, maar transparant en open van blik en met een prikkende ironie in de ogen. Toen ik de kunstenaar sprak was hij net terug van een paar dagen wandelen in de Vogezen. We spraken over Frankrijk en verdomd, daar zat een opening. Henning is in zekere zin een Fransman in zijn werk. De elegantie en het sensualisme doen je bijna vergeten dat het van Duitse bodem komt en er dat het werk ook zwaarte en melancholie bevat. Een van zijn grote voorbeelden is Matisse, hoewel hij niet over het soort geestelijke lichtheid beschikt dat Matisse tot een uitzonderlijk kunstenaar maakt. Bij Henning loopt het via de knipoog en lichtzinnigheid.

Uiteindelijk bereikten we die middag toch het atelier, zij het slechts voor een half uurtje, er werd me een snelle rondgang gegund. Er stonden verschillende doeken op ezel, de schilder had meerdere portretten onder handen. Een deed me meteen aan Picasso denken, maar voor ik erover kon beginnen, liep Henning al snel door naar achteren waar de opslag was, die wilde hij graag laten zien, daar was hij trots op. Daar hingen op uitschuifbare rekken, zoals in een museumdepot, veel oudere werken. Er hing ook een schilderij waarop ik gehoopt had, een zwart-wit schilderij van de Schlossplatz in Berlijn. Daarmee mengde Henning zich jaren geleden in de Berlijnse actualiteit: de inmiddels beslechte discussie over afbraak van het Volkspalast, het vroegere parlementsgebouw van de DDR. Op Hennings schilderij is het Palast nog te zien. In realiteit is het verdwenen en op dezelfde plek wordt nu een herinnering aan de Pruisische tijd opgericht in de vorm van een replica van het Stadtschloss. Henning had een ander idee voor de plek gehad. Hij had een voorstel voor een sculptuur op deze veel bediscussieerde plek. Een abstracte vorm, die op een propeller leek met drie bladen, maar onregelmatig van vorm. De sculptuur stak boven de auto’s uit, hij was geplaatst op de parkeerplaats voor het Palast. Henning schilderde de scene in zwart-wit, zodat het leek alsof het een krantenbericht was, een journalistiek bericht, dat zijn werk op de Schlossplatz was geïnstalleerd. Dezelfde propellervorm dook ook in veel van zijn andere schilderijen op, als tatoeage, als stempel, als piercing. Gedurende een aantal jaren was het een soort merkteken dat de schilder gebruikte. Henning noemt het, niet vrij van zelfbehagen, de ‘Hennling’. De vorm bleek vrij te zijn ontleend aan de geknipte acanthusbladeren van Matisse.

Toen we het atelier uitkwamen toonde Henning me nog het kantoor waar een assistente aan het werk was en waar een verzameling catalogi kon worden ingezien. En daarachter waren de weilanden, een klein venster gaf uitzicht op het land achter de verbouwde boerenhof. Dit weiland was ook de locatie voor enkele fotowerken, waaronder het ironische Maler malt Maler, dat tevens op Henning’s website is te zien. Een werk waarin drie keer dezelfde man in ruitjespak in het weiland is te zien, een keer als schilder voor een ezel, een keer als model dat de toeschouwer aankijkt, en een keer als geportretteerde op het doek.

De kunstenaar heeft intussen ook serieuze, in de zin van niet-ironische landschappen geschilderd, traditioneel van opzet. Een serie kleine doekjes waarin hij een zonsondergang boven het dorp Manker had vastgelegd. Een aantal daarvan was op de tentoonstelling Anton Henning in het museum in Gent te zien, in 2007. De kerktoren die ik had horen luiden stond erop afgebeeld. Met impressionistische interesse in waarneming, in het licht dat verschoof, was een serie verschuivende landschappen ontstaan met steeds hetzelfde motief op klein formaat. Verder niets, gewoon schilderkunst die de natuur wil nabootsen in zijn beweeglijkheid, met als motief een dag die gedag zegt. Logisch dat je het wilt schilderen, als je woont waar Henning woont. Het dynamische landschap nodigt uit tot nabootsing of respons. Maar wie alleen deze landschapschilderijtjes zou zien, zou aan Henning vermoedelijk voorbij lopen. Als hij zich zonder distantie in het voetspoor van de traditie waagt, waar ook Ruysdael, Jongkind en Monet hem voorgingen, dan is zijn werk acceptabel, maar zeker niet onderscheidend. Henning heeft de ironie nodig, de twist of brutale erotiek om een schilderij in vlam te zetten. En hij heeft de omgeving nodig, de ruimte rond de schilderijen om zijn context te kunnen definiëren. Ik zag dat later nog eens bevestigd, bij recentere tentoonstellingen in Berlijn, waar niet voor de totaalaanpak was gekozen, maar waar ‘gewoon’ schilderijen aan de muur hingen op een rijtje. Daar kwam het werk niet tot leven. Als werken op zich zijn ze vaak niet sterk genoeg.

Het atelierbezoek had iets van een onbesliste wedstrijd. We praatten veel, er was welwillende interesse over en weer, maar tegelijk was er reserve, voelde ieder de kat in de boom zitten. Het nabeeld zou vermoedelijk pas de doorslag geven, het bezoek op zijn plek zetten en mijn vragen over Henning beantwoorden. Voor ik weer in de auto stapte en we in de tuin nog wat stonden te praten, zag ik op het grasveld een geelgroen gestreepte tuinslang op de grond liggen, grotendeels opgerold, alleen het mondstuk stak eruit. Mijn blik gleed weg, Henning zei iets maar ik hoorde hem niet meer. Achter hem zag ik de tuinslang in beweging komen en zich uitrollen en de schilder en ook mij vangen in een slingerend ornament dat alles aan elkaar reeg. Niets ontsnapte hier aan de kunst.

Over de auteur:

Jurriaan Benschop werkt als essayist, kunstcriticus en tentoonstellingsmaker in Berlijn. Hij publiceert regelmatig in Artforum International. Recente boekpublicaties: Geist und Form, Ten painters from Berlin (Indiana University, Bloomington, 2014) en Francis Bacon, Het grafische werk (Noordbrabants Museum Den Bosch 2014). Eerder verschenen de boeken Wonen tussen de anderen, een portret van kunststad Berlijn (2009) en De berg van Cézanne (2006).