thema:

Eeuwig ijs, vergaarde aardkern

Vertaling:

***

de gletsjers duwen alles rond, brengen wanorde in geologische

getuigen, laten schaafwonden achter in rotsgesteente.

helikopterlandingsplaats van de universiteit toont het signaal van haar pulseren, in de geschiedenis,

waarnaar ik afzak, dawsons vlinders op mijn beide ogen,

dawsons vlinders op mijn mond.

in de noordoostelijk vallende plooiingen rond het meer van bonneville hebben zich van oudsher

twee elkaar vijandig gezinde universiteiten gevestigd waarvan de constellatie

zich met het ijsschild vervormde.

zoals het toeval het wil, heeft soms de ene, soms de andere de overhand. op een

van die dagen stiefelde dawson de zuidkant van de lone peak op,

en toen hij de hoogte gepasseerd was ontdekte hij een nieuwe boring

boven zijn eigen project dat

sinds het glaciaal van nebraska groot wetenschappelijk nut bewees en hem zelf een aanzienlijk inkomen

bezorgde.

de ijsboorkern is een fraai en raadselachtig artefact.

het woord van de oprichting van de ene ūni valt met het woord van de oprichting der natuurverschijnselen

samen, en het woord van de tegenoprichting van de andere

ūni valt met het woord van de tegenoprichting der natuurverschijnselen

samen. gedurende lange tijden haast doorzichtig tekent zich de periode van de oprichtingen

in essentie als onbevroren blijvende

laag af die stinkend loof en trillende muffe vlinders bevat. het grote geheim

dat eeuwig ijs bevat,

is de opbrengst van de boorkern. toen hij bij binnenkomst

de universiteitstattoo in mijn nek zag, moest dawson slikken,

en deed flink zijn best zijn overhemd onopvallend dicht te knopen, terwijl zijn pols hevig tegen zijn slapen

klopte. de natuurwet achter de

verschijnselen aan welks onderzoek al mijn jaren gewijd waren,

ben jij.

 

 

***
(1)

het liggen van elk bodenmeer in het dal, een speciale cover beschermt het

tegen het terugvallen van een druppel in de wolk

die zich in het water spiegelt.

begraven wil niet zeggen, iets met een speciaal aardnabij luchtkussen afdekken als het

afkoelt, maar

iets opslaan in de dop van de aardnoot,

uit de binnenmantel een handjevol aarde pakken dat vlak onder de grasmat

een laatste rustplaats

vindt.

de mol ter aarde bestellen, door hem te laten liggen,

de schuilplaats,

oneindig zorgzaam in oliedoek gewikkeld, de industriële spinnerij

waar ik bij het inwikkelen de seriële klossen

aantref.

de blikken van boven ontgaat wat op het gras onder bomen ligt die elk jaar

weer uitlopen.

vanaf de gassluis lijkt me toegespeeld op de tekst van de afgescheurde, oude, aan elkaar

geknoopte, maar ook in elkaar vervilte stukken twijn

in verschillende soorten

en kleuren.

het ABC-wapen in de gesproken taal beschadigt weliswaar

het gepantserde holle voorwerp, maar het belast

de zwenkbare containers

van de bebouwde kom nauwelijks. de dar, in het herfststelsel

van zijn volk,

en de vergaarde aardkern, vinden in de lege en stukke zakken

naast de grasmat een laatste rust.

want we leven,

leven al in het eon van een hubble telescoop die de notie begraven verzinnebeeldt, zien

de vrucht van de aardnoot

zorgzaam in oliedoek gewikkeld,

spruit en getuige van oneindige onschuld.

 

 

(2)

ik loop, in een diep over mijn fronsende voorhoofd getrokken oliepak, langs de fulda.

de invalshoek van de regen wordt almaar lager, binnenkort

wordt de aarde geheel gemist.

ik schud mijn hoofd en zet mijn vuisten in mijn heupen. hoe meer

ik over het verhaal nadenk,

des te meer zegt het gevoel in mijn gemoed me

dat odradek de aarde is,

een mantel van razend water boven ’t geheel en al droge zaad

van de aardnoot, een waterkluwen.

op de grond hurkend met natte plukken katoen

draaien mijn pottenbakkende handen met de schijf mee

stuxnet,

stuxnet van de aarde,

alsof ze hem hebben versneld tot 1410, om kort erna weer af te nemen naar een paar

honderd.

hoe groter het draaiende ding, des te verder verwijdert de buitenste lijn zich

waarachter draden en verse

klei zich vermengen.

in de gassluis stapels van pas verwijderde bekistingsplanken, langs twee

half gevulde vuilnisbakken

gaat ’t,

die draaien brandend, naast twee aardnoten die ronddraaien

op splinternieuwe estrik.

ik betreed de grot waarin een licht tentje staat. in mijn slaapzak

ligt breeduit de hermelijn sojourner truth,

dochter van de pathfinder.

in de afgewreven vezels die je in elke spinnerij ter wereld op de grond aantreft,

in de tekst van de afgescheurde, oude, aan elkaar geknoopte, maar ook

in elkaar vervilte stukken twijn

in verschillende soorten

en kleuren speelt

de hermelijn die ik deel met het dier dat op de binnenkant

van zijn huid vertoeft doordat ik het in mijn armen

wieg.

 

 

***

het met onverpakt vlees werkende personeel heeft, omhuld door licht en kleur,

het beige praliné in eerste aanleg te wassen. het proces van het winnen

van collageen gaat, als

door zich opblazend zeildoek, door een veelheid van zwijnen in beige praliné.

heer van alle stromen van fijngemaakte huid,

als revolutionaire capitonnering benoem je, darth, je opdracht op de lippen,

fucking lippen onder het wapen van het filtrum,

terwijl het dier in de wei niet met purper of saffraan is ingekleurd.

inversie A,

draag het schematisme van een gezicht, als conditie van verfraaiing,

op de een of andere manier in de vervlochten wortels van de alkanna,

die zich aan ons, met schuchtere blauwe bloem, in de vlaktes van de levant vertoont,

transporteer hem naar het hellicht rotsgesteente voor roussillon, diep

in de lagen van meerkleurig oker.

daar overal moet het schematisme van een gezicht zijn.

daarmee toon je aan wat is, als make-up, opbouw en ordening, van verfraaiing.

inversie B,

de hier te presenteren dierproef wordt vervangen door de herhaalde proef

van de weergave van een plant,

van een lichtgroene, niet bloeiende, roos tegen de wand van een english landhuis.

ik draag een beschermmasker van amber, een rombus.

ik heb maar zelden zo heftig gehuild.

inversie Γ,

het afvalproduct van menselijke oorsprong,

collageen van onze huid, is

naar de voorwaarde van zijn eigen bestaan als verfraaiing te dragen, de vervlochten

wortels van de alkanna, hellicht rotsgesteente

voor roussillon.

het met onverpakt vlees werkende personeel wast beige praliné, de kleur

en het licht.

onder de huid gaan, betekent, onder de huid bewegen, in het bindweefsel

van het talige kunstwerk.

Over de auteur:

Daniel Falb (1977), dichter, woont en werkt in Berlijn. Recente publicaties: 'Helm van Phlox', 2011, 'bancor', 2009 en 'die räumung dieser parks', 2003. Falb won in 2009 de 'Literaturpreis Prenzlauer Berg' en in 2005 ontving hij de debuut prijs voor poezie van 'des Literarischen Colloquiums Berlin'.

Over de vertaler:

Ton Naaijkens (1953) is vertaler, essayist, redacteur van de tijdschriften Filter en Terras en hoogleraar Duitse literatuur en vertalen aan de Universiteit Utrecht. Hij vertaalde werk van Robert Musil, Paul Celan en Ernst Meister. In 2016 verscheen zijn vertaling van de bundel Chicxulub Paem van Daniel Falb.