thema:

El ángel literario

Vertaling:

Fragment van ‘V. Wunderkind’, uit El ángel literario van Eduardo Halfon 

Ik zit na te denken over de problemen waar een schrijver op stuit als hij in een nieuwe taal gaat schrijven, zoals Nabokov in feite gedaan heeft met het Engels. Vraag: kan de beslissing over te stappen op een vreemde taal de wording van een schrijver betekenen?

Joseph Conrad, misschien wel het bekendste voorbeeld van een schrijver die zijn moedertaal opgaf, schreef dat hij altijd het gevoel had dat hij gezien werd als een soort fenomeen, een kwalificatie die je, behalve in het circus, niet als begerenswaardig kunt beschouwen. Conrad gaf toe dat hij zelf zijn vermogen om in het Engels te schrijven als iets eigens zag, iets aangeborens, nooit als het resultaat van een beslissing. Als hij niet in het Engels geschreven had, pochte hij, had hij nooit één woord geschreven.

Een interessanter geval, wist mijn collega (vreselijk woord, volgens Bolaño) en vriend José Luis Perdomo me een paar dagen geleden te vertellen, is dat van Stephen Vizinczey. Hij was vierentwintig toen de Hongaarse opstand werd neergeslagen en hij naar Canada vluchtte. Hij sprak nog geen vijftig woorden Engels. Toen hij besefte dat hij nu een schrijver zonder taal was, ging hij naar de bovenste verdieping van een gebouw in Dorchester Street met de bedoeling zich in de diepte te storten. Om met zijn eigen woorden te spreken: Toen ik vanaf het dak naar beneden keek, doodsbang om te sterven, maar nog banger om mijn rug te breken en de rest van mijn leven in een rolstoel te moeten zitten, besloot ik een Engelse schrijver te worden.

Een nieuwe taal als grondslag van het schrijverschap? Bij Stephen Vizinczey zeker. Van hem, zo schreef Anthony Burgess, kunnen de Engelsen Engels leren schrijven.

 

Terwijl hij op weg naar huis over de plassen op het pad sprong, stelde Vladimir vast dat alles in het park ongelooflijk snel opdroogde. Na de tropische plensbui was de hitte teruggekeerd. Bij iedere windvlaag druppelden restjes regen over hem heen. Al had de kortstondige kloof in de tijd zich weer gesloten, hij hoorde nog steeds het vreemde getrommel van rijmen, strofes en verzen die uit de bomen vielen en rond zijn geest neerspatten Toen hij tijdens zijn spel met combinaties en kakofonieën besefte dat hij een gedicht aan het maken was, huiverde hij.

‘Goedemiddag, Volodya’. Hij was zo druk mogelijke woorden aan het neuriën dat hij niet gezien had dat de schooldirecteur op hem af kwam lopen.

Vladimir gaf hem een hand en voelde dat die van de directeur zoals altijd klam en zweterig was. Glimlachend informeerde de directeur naar zijn vader: Vladimir vond het fijn als mensen naar zijn vader vroegen. Terwijl de directeur met een muizenstemmetje tegen hem stond te praten, zag hij de bos verwelkte bloemen in diens handen. Zijn lange, wapperende stropdas. De zwarte mee-eters die op zijn vlezige, krullende neusvleugels prijkten. Tegelijkertijd dacht hij aan het schooltje in Wyra, aan de afbeeldingen van bebaarde Russische schrijvers die in de klaslokalen hingen; hij voelde het gewicht van Poesjkin in zijn hand, hij proefde de zanderige smaak van de grashalm waar hij op kauwde, herinnerde zich ineens het getik van een schredenteller die hij was kwijtgeraakt, en intussen bleef het gedicht rondzweven in zijn hoofd.

Terwijl hij afscheid nam van de directeur – die hem enthousiast groette met de karakteristieke buiging van een Russische radicaal – , begreep Vladimir dat een dichter het vermogen moet bezitten aan verscheidene dingen tegelijk te denken.

Hij vatte de draad van het gedicht weer op en vervolgde zijn weg. Het leek alsof de woorden die hij aan elkaar had geregen een beetje van hun glans verloren hadden na de onderbreking, even vermoedde hij dat zijn verzen slechts imitatie waren; maar dat kritisch besef verdween weer en het dichterlijke vuur omvatte hem opnieuw als in een stevige omhelzing.

Langzaam brachten de woorden hem in een soort trance. Hij was niet verbaasd toen hij plotseling in de oude leren fauteuil in de studeerkamer van zijn grootvader zat, hij rook de geur van zijn grootvader, hoorde de klanken van een groot orgel, en comfortabel, bijna als bevroren, hing hij in de leunstoel, één arm bungelend boven de figuurtjes in het tapijt, waterlelies in een vijver, en de grammofoon in huis speelde imitaties van zigeunerliederen, het volgende moment zat hij op een gammele steiger aan die vijver, met zijn vingertoppen roerde hij door de bladeren op het water, rond en rond gingen de natte bladeren, zijn natte vingers die ineens weer droog waren raakten de grond vanaf een bank, hij lag op een oude bank in het park, boven zich zag hij de wirwar van takken, de doolhof van takken en bladeren en de zon op zijn gezicht, een dikke tak onder zijn buik, plots lag hij bovenin een boom, half in slaap gesust door het zingen van de krekels, en zwom met zijn armen in de zoele avondlucht. De stilte keerde terug en zijn eerste gedicht, met leestekens en al, was in zijn hoofd al af.

Een uitgebreidere keuze uit V. Wunderkind is binnenkort te lezen in Terras #05

Over de auteur:

Eduardo Halfon (1971), schrijver. Recente publicaties: El boxeador polaco (2008), La pirueta (2010), Mañana nunca lo hablamos (2011), Elocuencias de un tartamudo (2012).

Over de vertaler:

Lisa Thunnissen (1984), vertaler Spaans. Projectmedewerker Expertisecentrum Literair Vertalen. Winnaar Talentbeurs master Literair Vertalen 2011, vertaler voor The Chronicles, Crossing Border festival 2012.