thema:

IK WIL JEROEN METTES AAN HET WERK ZIEN (MAAR HET LUKT MIJ NIET) I

N30 werkt

Was de wereld van onze kennis van de wereld nog maar zoals hij nooit geweest is: ordelijk, hiërarchisch. Vandaag de dag loopt het de spuigaten uit: sociale media en andere internetbronnen, ook tv, krant, boek en medemens storten zonder ophouden informatie in oog en oor. Interpreteren, filteren, een betrouwbare ordening aanbrengen, dat wordt aan de ontvanger overgelaten. Die is er van de weeromstuit steengoed in geworden, een meester in inschatten, doorhebben, als nieuw ervaren, vaststellen wat er ontbreekt, even nazoeken, de aandacht richten en loslaten. Zelden wordt ingezien en erkend dat deze behendigheid in informatief freerunning, los van wat zij opbrengt aan kennis en inzicht, op zichzelf een bron van intellectueel genot is.

Door de schone letteren wordt de snelle, slimme, streetwise lezer niet bediend, de traditionele roman met zijn doorwrochte trage informatieopbouw doet hem gapen van verveling. Als het op de achterflap al niet te lezen was, snapt hij na twee bladzijden dat hier een coming-of-age-verhaal-met-drugs-en-existentiële-leegte aankomt, of een familie-etentje-met-een-vreselijk-geheim. Na drie alinea’s heeft hij een helder beeld van de schrijfstijl en dan móet hij nog tweehonderd bladzijden. Vier uur zitten lezen voor drie, vier mooie zinnen, een aparte gedachte of een onverwachte wending? Ja, gekke henkie! Beter even achterin kijken: het loopt ongeveer af zoals hij dacht. Uit is het boek. Proza lezen is voor de informatieavonturier parkour op een paradeplein, met geen vuilnisbak of trottoirband in zicht. Gedichten leveren een minder saaie omgeving, maar hebben gewoonlijk een ander bezwaar: in een paar regels krijg je de ruimte niet. De achtertuin van tante is te klein voor cat leap of corkscrew, die kost het mens haar hangplant.
Het gedicht N30 van Jeroen Mettes evenwel is mij, informatiesporter, op het lijf geschreven. Er gebeurt op taal- en informatiegebied evenveel in als in ‘gewone’ poëzie, maar de opzet is zo ruim als een roman, met meer dan tweehonderd bladzijden als proza gezet. N30 is geen ‘moeilijke’ tekst, die, zoals hermetischer poëzie, het signaal lijkt te geven: ‘Lees mij driemaal grondig over voor je mag beginnen te hopen te snappen waarover ik ga.’1 Het gigantische gedicht leest makkelijk weg, nergens krijg ik het gevoel dat de tekst de leessnelheid wil hinderen, integendeel! Ik herken talloze zinnen uit de wereld om me heen, haast alle woorden, herken registers, toontjes, de kleine afwijkingen in die toontjes; het ritme is, ik weet geen beter woord, lekker. Voor ik het weet ben ik bladzijden verderop; dat gebeurt me als poëzielezer niet vaak! Wanneer er wordt aangebeld en ik een half uur later vergeten ben waar ik gebleven ben, dan is er geen man overboord: ik sla het boek op een willekeurige plaats open en heb alweer plezier, het plezier in mijn eigen behendigheid in parkour lezen. In een nawoord bij N30 zet Mettes kort uiteen wat hij aan het doen is geweest en geeft daarmee een leesaanwijzing. ‘Waar een zin is, is altijd een wereld. (Dat geldt niet per se voor op zichzelf staande woorden.) En waar zinnen met elkaar botsen vindt zoiets plaats als een tekstuele burgeroorlog.’ Burgeroorlog klinkt zwaarwichtig, ik voel het als spelen, met zinnen botsautootje spelen: de schokken en de vonken die dat geeft zijn de kick van de lezer. Zomaar een passage als voorbeeld, hoofdstuk 23, blz. 133:

Wij zijn het ruimhartigst van Europa.
Dat is oorlog.Het Rode Kruis verzamelt de lijken en begraaft ze.

Want wij hebben hier geen blijvende stad, maar zoeken een toekomende.

We vermaken ons prima.
En de dag begint met een zonsopkomst (deze vernieuwde tederheid vernietigt ieder houvast). Deze planeet / de meest zwevende,/ (…)
En niettemin duidelijk: ‘O!’

Pancakemix; scharreleieren.
Ik download mp3’s van ’n kutband waarvan ik de naam op ’t T-shirt van een aantrekkelijk meisje heb zien staan. Wat je je goed moet realiseren is dat, als je een woord in de mond neemt, je niet een of ander stuk gereedschap hebt opgenomen dat, als het zijn werk gedaan heeft, argeloos in een hoek kan worden gesmeten, maar dat je je geëngageerd hebt met een manier van denken die van ver komt en tot ver voorbij jou reikt. Loser.
‘Hier’ zeggen we en we bedoelen de zinnen rond ons lichaam: ‘hier’ is (het woord) tot waar we (onmiddelijk) begrijpen. Je bent nog nooit zo. Net een.

Ik noteer wat van mijn reacties: ‘Wij zijn het ruimhartigst van Europa.’
Een ‘typisch Nederlandse’ zin uit de krant of van de TV: de bevolking of onze regering hebben weer eens meer het meeste geld naar een rampgebied gestuurd. Omdat er niet ‘geven’ staat maar ‘zijn’ komt volksaard in beeld.
‘Het Rode Kruis verzamelt de lijken en begraaft ze.’
Dit zal wel na een aard- of zeebeving zijn. Er is een duidelijk verband met vorige alinea: ‘Wij’ hebben blijkbaar ingezameld voor de tsunami. Maar deze tweede zin heeft een andere informatieve waarde. Er wordt alleen maar een gebeurtenis (of een handelswijze) in beschreven, niet tevens op de borst geklopt.
‘Want wij hebben hier geen blijvende stad, maar wij zoeken de toekomende.’
Vanwege het cursief blijkbaar een citaat, vermoedelijk uit het Nieuwe Testament. (Ik zoek het na. Klopt! Paulus. Brief aan de Hebreeën 13, vers 14.) Er is een verband met het ‘ruimhartig’ uit het vorige blokje: wij moeten christelijke deugd beoefenen; wat we hier op aarde bezitten lazert niet, we zijn immers bezig voor later, voor de Hemel, het Nieuwe Jeruzalem… Tegelijk slaat de zin een beetje op de rampslachtoffers, die door aardbeving en tsunami hun woonplaats zijn kwijtgeraakt.
‘We vermaken ons prima.’ Spreektaal: kan achterop een ansichtkaart staan, maar ook aan de telefoon gezegd worden door de dochter op zomerkamp. Ik kan de zin sarcastisch interpreteren als ik hem combineer met de voorafgaande: wij Nederlanders vermaken ons prima, terwijl, of zelfs omdat, het Rode Kruis elders van ons geld lijken verzamelt.
‘En de dag begint met een zonsopkomst (deze vernieuwde tederheid vernietigt ieder houvast).’ Schrijftaal. ‘En…’ laat weten dat er een bewering aan vooraf gaat. De tussen haakjes geplaatste passage over tederheid suggereert, vooral omdat hij niet met een hoofdletter begint, dat hier iets niet definitiefs wordt gezegd, alsof er uit een aantekeningenschrift is overgeschreven. Zou ‘vernietigen van houvast’ een soort negatieve, pesterige leesaanwijzing zijn? Vrees niet, heer Mettes, ik ben alle houvast allang kwijt!
Wat ‘tederheid’ met ‘zonsopkomst’ te maken heeft ontgaat me.
Volgende zin, zelfde alinea:
‘Deze planeet / de meest zwevende, / (…)’
Eveneens uit een aantekenschrift of elektronische kladfile. De slash-tekens en de stippen tussen haken doen vermoeden dat het uit een langere gepubliceerde tekst overgeschreven is, maar mijn geheugen geeft geen clue, Google evenmin.
Nieuwe alinea, nieuwe zin:
‘En niettemin duidelijk: ‘O!’ Ook dit moet een zin zijn die uit een groter geheel komt, de situatie is onbekend. Het kan uit een vertelling komen over een moeder die op haar sterfbed haar doodgewaande zoon herkent, maar ook minder dramatische taferelen zijn voorstelbaar.
Witregel:
‘Pancakemix; scharreleieren.’ Ingrediënten, boodschappenlijstje, onderdeel van een recept. De kok wil het gezien de mix zichzelf niet te moeilijk maken en is vaag milieubewust. Vanwege de witregel ben ik minder geneigd om een verband met het duidelijke ‘O’ en de planeet van zoëven te leggen.
‘Ik download mp3s van ’n kutband waarvan ik de naam op ’t T-shirt van ’n aantrekkelijk meisje heb zien staan.’
Duffe nerd heeft misschien een dwaas plan om in contact te komen met dat meisje. ‘Wat je je goed moet realiseren is dat, als je een woord in de mond neemt, je niet een of ander stuk gereedschap hebt opgenomen dat, als het zijn werk gedaan heeft, argeloos in een hoek kan worden gesmeten, maar dat je je geëngageerd hebt met een manier van denken die van ver komt en tot ver voorbij jou reikt.’
Er komt geen associatie met de vorige zin. Dit is een abstracte vermaning. Raar dat er ‘argeloos’ staat in plaats van ‘achteloos’, een gebruikelijker bijwoord bij ‘in een hoek smijten’. Lastig je voor te stellen wie dat tegen wie kan zeggen. Maar als het iets betekent, moet het afkomstig zijn uit een gesprek tussen intellectuelen. Filosofen?
‘Loser.’ Reactie van een gespreksgenoot op de spreker/schrijver van de vorige zin? Of is de spreker zelf zat van zijn nerdy gezeik, terwijl hij zinloos kutbandmp3s downloadt?
”Hier’ zeggen we en we bedoelen de zinnen rond ons lichaam; ‘hier’ is (het woord) tot waar we (onmiddellijk) begrijpen.’
Vergelijkbare abstractie en thematiek als de voorvoorgaande zin, maar een ander vertoog. Opnieuw aanwijzingen van voorlopigheid, doordat er dingen tussen haakjes staan. Een moeilijk leesbare passage in een manuscript?
‘Je bent nog nooit zo.’
De zin wordt niet afgemaakt. Veel situaties en voltooiingen vliegen als mogelijkheid langs. ‘Je bent nog nooit zo stom geweest, …lang van huis gebleven, …dicht bij de dood geweest.’ ‘Net een.’
Een nog onaffere zin! Hier zijn minstens zoveel situaties voorstelbaar. Het meest voor de hand liggend een onvoltooide vergelijking: ‘Net een eend!’ of zo. Dit is een waarschijnlijker voortzetting dan ‘Net een voldoende!’ of ‘Net een nieuwe band, fiets gestolen…’ Waarom zou
je van ‘Net een.’ een vergelijking willen maken? Omdat het woord ‘net’ waarschijnlijk het meest in dit kader voorkomt: conventie.

Door deze associaties hier te noteren geef ik waarschijnlijk een scheef beeld van het leestempo waartoe N30 uitnodigt. Wie het boek zelf ter hand neemt zal merken: de (bij-)gedachten remmen het leesproces niet, ze lichten op als vonken terwijl de lezer voortraast door de tekstruimte van Jeroen Mettes, naar meer, meer, en verderop.

Noten:

1. Dergelijke signalen geven Mettes’ beschouwende geschriften, samen met N30 uitgegeven, wél. Een voorbeeld: ‘Als twee ritmes elkaars handtekening uitvegen is wat overblijft alleen het stille geluid, het gebaar van deze uitwissing. Maar dat is niet niks. Laten we zeggen dat het een teken is, een vreemd teken, omdat het geschreven noch gelezen wordt, maar de onverteerbare rest is van het proces van schrijven-lezen. Het is een teken dat noch uit het verleden noch uit de toekomst komt. De schrijver verwelkomt de lezer niet met dit gebaar, en de lezer zwaait de schrijver niet vaarwel terwijl hij hem verdrinkt in lichtheid. Beiden verdwijnen. Maar dan gebeurt er iets raars. Juist op het moment dat zij volledig in elkaars anonimiteit verdwenen zijn, komen schrijver en lezer weer boven, dit keer even radicaal gescheiden als verleden en toekomst. Het verdwijnpunt van lezer en schrijver is dus niet het punt waar historische horizonten samensmelten, maar integendeel een cesuur – een moment van oneindig korte duur dat voordurend als nu herhaald wordt – die schrijver en lezer, verleden en toekomst, buiten elkaar plaatst zonder hoop op verzoening. We zouden kunnen zeggen dat deze cesuur het heden is van lezen-schrijven: literaire tijd.’ Jeroen Mettes, Weerstandsbeleid, Wereldbibliotheek 2011, blz. 269.

Dit is het eerste deel van het essay van Tonnus Oosterhoff. Hier kunt u naar Deel twee.

Over de auteur:

(1956). Meest recente publicaties: Ware Grootte (2008), Leegte lacht (2011), de roman Op de rok van het universum (2015). Winter 2017 verschijnt Ja Nee.