thema:

Everything is real

Het imaginaire eiland van Charles Avery

The Island is alleen toegankelijk via de haven van hoofdstad Onomatopoeia. Vroeger diende de stad als vertrekpunt voor pioniers en kolonisten. In de loop der tijd groeide de plaats uit tot een bruisende metropool, om uiteindelijk te verworden tot een mistroostig toonbeeld van vergane glorie inclusief hangjongeren, immigranten en massale toeristenattracties als The Plane of The Gods.

Sinds 2004 heeft de Schotse kunstenaar Charles Avery (1973) zich toegelegd op het epische project The Island: de gedetailleerde vormgeving van een imaginair eiland in tekeningen, sculpturen en teksten. Het eiland kent een geschiedenis, een topografie, taal en cultuur; het heeft pleinen, monumenten, musea en restaurants; er wonen mensen, dieren en allerlei schepsels daar tussenin. Avery baseerde zijn schepping op het Schotse eiland Mull, waar hij opgroeide en jarenlang woonde, gefascineerd door de bossen rondom Lochdon: “I had to walk past a forest every day on my way home, and the noises that came out of there were terrifying. To me it sounded like a lion killing a gazelle.” Ook op The Island is een groot bos te vinden, The Eternal Forest, vanwaar terugkeer naar verluidt onmogelijk is. In dat bos zou de Noumenon leven, een wild beest dat niet met de zintuigen is waar te nemen, maar waarop eilandbewoners onvermoeibaar blijven jagen.

We leren Avery’s wereld fragmentarisch kennen via zijn doorgaans grote tekeningen van het dagelijkse eilandleven. De eilanders vissen naar paling op zee, slenteren over de markt of zitten in de pub. Avery’s tekenstijl varieert van hyperrealistisch tot achteloos schetsmatig, en doet in combinatie met het spaarzame kleurgebruik denken aan zwierige modeschetsen of de nostalgische illustraties uit The New Yorker. Er ontstaat een samenhang tussen de vele tekeningen door de herhaling van bepaalde gebruiksvoorwerpen, kledingstukken, affiches en leuzen. Ook de gezichten van de inwoners lijken beperkt tot enkele varianten. Sommige beeldelementen worden bovendien driedimensionaal uitgevoerd: glibberige palingen van glas in emmers water, driepotige cafétafels, weckpotten met ingemaakte eieren, stippenbehang – zelfs de hybride wezens die het eiland mede bevolken, zoals de ‘rideables’ en ‘Alephs’, worden levensgroot samen met de tekeningen tentoongesteld.

Al deze ‘Beings’ hebben een specifieke functie op The Island en personifiëren filosofische principes en ideeën. Zo representeert elke jager een “circumspect loner, an eternally hopeful and eternally hopeless individual” die behoort tot de “close order of individuals who uphold the existence of an elusive beast called the Noumenon, even if they believe it cannot be caught.” De Noumenon verwijst op zijn beurt naar het gelijknamige Kantiaanse concept van het onkenbare, dat alleen bestaat bij de gratie van geloof en verbeelding. De eilandbevolking wordt grofweg verdeeld in twee uitersten: ‘Postitivists’ die de jagers beschouwen als helden en ‘Rationalists’ die de jagers bespotten. Andere terugkerende personages zijn onder meer het verleidelijke maar onvermurwbare vrouwfiguur Miss Miss en de oude jager Only McFew. Hij is degene die ons rondleidt over het eiland, schommelend tussen de rollen van bezoeker, ontdekkingsreiziger, getuige, protagonist, verteller en auteur.

Bovenstaande categorisaties zijn af te leiden uit de twee boeken die Avery schreef over The Island. Hierin wijdt hij uit over de geschiedenis en ontwikkeling van het eiland en over de organismen en gebruiken aldaar. De boeken lezen als persoonlijke memoires van het personage Only McFew. In The Islanders – an introduction (2005) is te lezen hoe McFew het eiland aanvankelijk bezoekt met een koloniale mentaliteit: “I first came to the Island at the end of the great kelp rush, although I was not aware of that at the time. On the contrary, I had sought out this strange land with a view to being its discoverer.” Eenmaal aangekomen wordt hij verliefd op Miss Miss, die hem laat kennismaken met de schoonheid van het gebied. Hij blijft, om de Noumenon te vinden en Miss Miss’ hart te winnen – wat allebei niet zal slagen. In dit boek worden ook de geconserveerde ‘Henderson’s eggs’ toegelicht, die in veel van Avery’s werken te zien zijn. Het blijkt een gevaarlijke lokale delicatesse waarvan niemand meer dan drie stuks kan eten zonder reddeloos verslaafd te raken.

Avery’s tweede boek, Onomatopoeia: The Port (2010), gaat als een déja vu van start met exact dezelfde zin als het eerste boek. In dit vervolg wordt langzaam duidelijk dat onze eilandgids Only McFew misschien niet de meest betrouwbare verteller is. Zijn subjectieve bespiegelingen en streams of consciousness worden steeds onsamenhangender. Net als in zijn tekeningen hanteert Avery hier een non-lineair narratief; hij biedt slechts flarden van een verhaal in willekeurige volgordes. De steeds wazigere McFew begint zijn gedachten op te schrijven, in de hoop er grip op te krijgen. Hij vraagt zich tenslotte af: “ (…) if beyond the shops and bars and lights of Onomatopy, beyond the Plane of the Gods, where the defunct machines and litter are strewn, underneath the mountains and the flowers and the dust and the bones of the hunters, there is an island at all?”

Deze staat van verwarring en vertwijfeling schemert ook door in de recente werken van Avery, die eveneens gericht zijn op het leven in de hoofdstad Onomatopoeia. Avery’s nieuwste tekeningen, sculpturen en objecten waren onlangs te zien in Amsterdam onder de veelbetekenende titel What’s so great about Happiness? De hoofdstedelijke inwoners ogen in eerste instantie vrij doorsnee, met moderne kleding en mobiele telefoons. Hun archetypische gezichten staan echter nog even grimmig. Uitgebluste jongeren staan te roken in een steeg met een pot eieren en fles drank naast zich. Een Afrikaans ogende eilander probeert verse palingen te slijten op de markt. In deze werken lopen het reële en het fantastische door elkaar: in de haven scharrelen merkwaardige hondachtigen tussen de schepen en bonkige dokwerkers door. Een roodharig meisje draagt een canvastas met de tekst ‘Everything is real’, een tekst die vaker terugkomt op kleding en affiches, net als ‘It means, it means.’

Ondanks Avery’s internationale succes is niet iedereen volledig overtuigd van zijn werk. Sommige critici zien weinig originaliteit in zijn ambitieuze project. Het creëren van een geheimzinnige wereld vol bizarre personages – dat is volgens hen bij uitstek het terrein van gelauwerde fantasy schrijvers als J.R.R. Tolkien, C.S. Lewis en J.K. Rowling. Daar valt natuurlijk tegenin te brengen dat Charles Avery zich niet beweegt in de literatuur, maar in de hedendaagse beeldende kunst. Ook op dat gebied is Avery’s insteek echter niet geheel uniek. Zo is er de Britse Paul Noble (1963) die zijn eigen Nobson Town creëerde. Net als Avery vertaalt Noble elementen uit zijn gigantische tekeningen in driedimensionale versies en tekent hij vreemde diercreaturen. Menselijke inwoners ontbreken niettemin. Wel wijzen verschillende details op hun bestaan, zoals metrostations en een openbaar toilet. Nobles werk is fantasierijk, maar beduidend zakelijker van aard dan dat van Avery. Waar Avery ons onderdompelt in alledaagse taferelen, ogen Nobles tekeningen koel en architectonisch.

Een vergelijkbaar voorbeeld is de onafhankelijke republiek Bellona, opgericht door het IJslands-Spaanse kunstenaarsduo Atladottir d’Ors. Zij laten hun bedachte eiland demonstratief leiden door vrouwen, aangezien de Bellonische mannen maanden achtereen uit varen zijn. Bellona heeft onder andere een precies bevolkingsaantal, een eigen vlag, munteenheid en regering, een taal met diverse afgeleide dialecten, een volkslied en feestdagen. Atladottir d’Ors gaat daarmee wellicht specifieker, maar tegelijkertijd minder autonoom te werk dan Avery: Bellona is uiteindelijk vooral een stilistisch project. Een andere kunstenaar die zijn werk baseert op eigen verzinsels is de Schot Andrew Gilbert (1980). In zijn uitbundige ‘historische’ tekeningen en installaties introduceert hij fictieve leiders en goeroes, zoals de Holy Brocoli en Shaka Napoleon, en politieke bewegingen als de Zuid-Afrikaanse Shaka Spear Party en de Ku Klux Afriklan. Bovendien vervult Gilbert regelmatig zelf diverse rollen in niet-bestaande veldslagen en veroveringen. Zijn imaginaire personages missen echter een overkoepelende context als die van Avery’s eiland, en blijven daardoor meer op afstand.

Ondanks de verschillen in werkwijze en effect, vertoont het werk van deze kunstenaars inderdaad bepaalde conceptuele overeenkomsten met dat van Charles Avery. De veronderstelde gelijkenis met beroemde fantasy schrijvers loopt echter al snel spaak. In boeken als The Lord of the Rings of The Chronicles of Narnia worden weliswaar vergelijkbare geheime werelden vol eigenaardige bewoners ontvouwd, maar de critici lijken een cruciaal verschil over het hoofd te zien: deze werelden zijn af. De auteurs hebben alles ingevuld, bepalen wat wij zien en hoe we dat interpreteren. Avery’s werk wekt daarentegen enkel de suggestie van volledigheid, door zijn bijna encyclopedische vertelwijze. Tegelijkertijd laat Avery ons als onwetende eilandtoeristen achter met allerlei vragen. De enige vorm van houvast die hij ons biedt is de jager Only McFew, die vervolgens zelf het spoor bijster raakt en zich uiteindelijk afvraagt of het eiland eigenlijk wel bestaat.

Hoe beter je kijkt, hoe meer je ontwaart, hoe minder je begrijpt. Zoals Avery in zijn kindertijd gefascineerd bleef door het mysterieuze bos op Mull, wordt onze verbeelding steeds opnieuw gevoed door wat we nét niet weten. ‘Het denkbeeldige is dat wat bijna echt wordt,’ schreef de surrealist André Breton al in 1923. Avery doet er ondertussen alles aan om het onderscheid tussen de fysieke en de imaginaire werkelijkheid te vertroebelen. Hij verzekert ons geruststellend en verontrustend tegelijk: ‘Everything is real.’

Over de auteur:

Yasmijn Jarram (1984) is curator, schrijver en redacteur. Eerder leidde ze expositieruimte 21 rozendaal in Enschede (2012-2014) en won ze de Prijs voor de Jonge Kunstkritiek in Brussel (2010). Jarram schrijft regelmatig voor tentoonstellingscatalogi en kunstbladen als Metropolis M, Tubelight en Kunstbeeld.