thema:

Gedichten

Vertaling:

De Lichtjes

Op een nacht gingen we op zoek naar de Lichtjes

aan de kant van een verlaten snelweg, geen ziel behalve wij vier

op een of ander Nee Tournee

net als anderen hier vroeger en later beland

bij wijze van geschenk, in een tussentijd van woorden gedropt

luisterend naar de kosmische geluiden in de nacht

En aan de horizon zagen we de Lichtjes, even akelig

zwevend, speciaal voor ons en sidderend, ze lichtten helder

op en verdwenen toen, verschenen opnieuw, volgden

de bochten, beseften we, van de verre weg

We wachtten langer in het donker

Er waren vast sterren maar ik kan me er geen herinneren

Toen kwamen er lichtjes van de snelweg langzaam dichterbij

tot op de berm, dichter en dichter, de lampen

van de Luciferum hielden halt

verblindden ons, een agent stapte uit

vroeg wat we hier deden

op deze verlaten plek, alleen

op de snelweg in het midden van de nacht,

hij doorzocht onze auto, wandelde op en neer,

bestudeerde onze gezichten met een minuscule zaklamp,

een stem uit de controlekamer riep hem abrupt

door zijn radio, gaf ons een moment respijt,

de smeris sprak een paar woorden met een lage stem

keerde toen terug naar ons met een laatste vraag,

“Iedereen hier Amerikaan?”

En we logen en zeiden “Ja”

En hij knikte en keerde om, droeg ons op

niets te mispeuteren voor we

het leer vastgrepen, en reed weg

Ondertussen in mijn hoofd voelde ik

de ogen van de revolverheld op me gericht, de strenge

koude blik die hij me toewierp

vanop de barkruk naast me

en waarmee hij me wilde waarschuwen: “Dit

is een woestijn vol klote

agenten die je willen kloten.”

 

 

Cirkel

Twee vlekjes in een strook prairie

gras lang door een objectieve lens

grazende kamelen, vrij in de wind

Ze spreken in stilte met elkaar

over de oude tijd, ingelijfd door het Amerikaanse

leger, toen ze zeulden voor landmeetexpedities,

grenzen bewaakten opdat het lot zich kon voltrekken,

oefenden voor operaties tegen

Apaches of Mormonen, zout en post

vervoerden voor de troepen van de Confederatie,

te lijden hadden onder ziekte, zweepslagen, mishandeling

hoe ze aanbelandden in deze nieuwe wereld

met hun vreemde geur en vormloze hoofd,

en namen opgeplakt kregen als “edele en nuttige woestelingen,”

de experimenten en tests duurden ongeveer

een decennium, tot het Oorlogsministerie

besloot dat ze niet inzetbaar waren, en toen kon

het volgende hoofdstuk beginnen: de veiling als schouwspel

De ene wrijft zijn genereuze lippen tegen de nek

van de andere, terwijl ze overgeleverde verhalen vertellen

over circussen en races, opzadelen voor goudzoekers,

over losgelaten worden om de vreemde,

lege grond te verkennen, alleen, hun stille woorden springen

verder terug, naar donkere overtochten,

de loeiende golven, een sterfgeval, drie geboortes

aan boord, welk leven er door hen zou

leven, in hun Levantse geboortelanden,

of Alexandrië, of Kusadasi, als lastdieren,

worstelspektakel, ritjes voor de kindjes, terwijl nu,

hier, half-wild op de ranch, paren of niet

te paren, een buigt zijn hoofd naar beneden,

en trekt een streep met een voorpoot

Ze spreken in stilte met elkaar

grazende kamelen, vrij in de wind

gras lang door een objectieve lens

twee vlekjes in een strook prairie

 

 

Grot

Mijn toegang tot de grot was via Ellora

anderen kennen haar als Aladra, of Alura,

de vlakke heuvel geeft aan

dat er geen menselijke activiteit is binnen

buiten de tuinen met een weelderige groei

en water in overvloed, de watervallen

storten zich naar beneden als een gereïncarneerde god

die dansend langs kristaldraden afdaalt

langs de blauwe kant van de klip

gezichten vergeten gezichten versteend

jij die de mandalastromen maakte

in een wakkere droom, de zalen op drie niveaus

van duister naar licht, schrijnen

springen er uit de muren, bodhisattvas

beeldhouwde, twee eeuwen lang, eeuwen

daarvoor maakten je handen de mudra’s in steen,

visualiseerde je de pradakshinageschiedenis

de pilaren en pilasters, de rituele cisternen,

opengeslagen boek op een lotus, schetsen van vormen

die knopen ontwarren, een enkele tree

vervolmaakt het ontwerp, ik had voor

het ongetoetste leven gekozen en gefaald, mijn falen

achtervolgde me hier, deze plaats met de naam naar

jouw verering, je namen verborgen in de tekens

drie-knoppige stam, opgeheven diamanten bliksemschicht

slinger en lied, in mijn ommegang werd ik naar

de allerhoogste articulatie getrokken, fijn stof

gevangen in het zonlicht, in de blik

van de sluipende leeuwen, tegen de donkerste

plooien, het wenkende gebaar van de Volmaakte

omwille van jouw heroïsche daden vroeg niet om herdenking

in het beeld de stilte, ik werd

naar de deuropening getrokken waar Janguli zit in koninklijke rust

ik voerde het heilige gebaar uit

zoals het was overgedragen door mijn figuur

mijn voeten zwart van de aarde

en in haar kennisneming zuiverde ze

het vergif dat in mij opwelde.

Over de auteur:

Jeffrey Yang is dichter en vertaler. In 2008 publiceerde hij bij Graywolf Press The Aquarium, dat door The New York Times werd omschreven als een duizelingwekkend slim debuut gemaakt door een bezeten dichter. Vanishing Line (2011), zijn tweede bundel, verkent de bewegingen van het verdwijnen in een lyrische collage. Hij vertaalde onder andere Liu Xiaobo’s June Fourth Elegies (Graywolf, 2012) en Su Shi’s East Slope (Ugly Duckling Presse, 2008). Recent stelde hij de bloemlezing The Sea is a Continual Miracle: Sea Poems and Other Writings by Walt Whitman samen (UPNE, 2017). Yang werkt als redacteur bij de uitgeverij New Directions en de New York Review Books.

Over de vertaler:

Sarah Posman promoveerde in 2010 aan de Universiteit Gent met een verhandeling over Gertrude Stein. Ze is redactielid van nY, schrijft recensies en maakt vertalingen. In 2016 verscheen bij Vantilt Dichters van het nieuwe millennium, dat ze samenstelde met Jeroen Dera en Kila van der Starre, en bij Stanza Denken dat ik denk dat ik denk, waarvoor ze met Samuel Vriezen en Ton van ’t Hof gedichten van Charles Bernstein vertaalde.