thema:

Gedichten uit ‘Finisterra’

Vertaling:

en nu is het panopticon een ruïne

het geeft niet want ik kan me het landschap inbeelden zoals ik wil
als een woestijn dan wordt het een tell
als er vegetatie is, vestigt de blauwe regen zich op het gebouw
als het op Antarctica is, wordt het een hallucinatie van ijs

sommige mensen (arbeidsters, gekken, scholieren, dichters) wonen er nog;
ze weten niet dat niemand hen meer bewaakt

dat de heersende systemen zich in tijden van overvloed niet meer
om hun bevolking bekommeren,
zelfs niet hoe die te voeden

het heeft te maken met wat jij zei: ‘het kapitaal is ongeletterd’

ik moet hier weg:

uit de biologie stappen, in mijn lichaam blijven

 

 

de stem was paniek
en verlangde naar, drong aan op een onderkomen in het gedicht

maar niet alles kan worden getransporteerd (de stem natuurlijk niet)

wel de geest die in de dichter binnendringt, tussen de stijve boomheide

en omdat het regent moeten de bewoners van het gedicht hun paraplu’s openklappen / /
wat erin zit halen ze eruit en zoeken er buiten beschutting voor

[alleen omdat jij een blik op de tekst werpt kan ik met oplossingen beginnen]

dit is wat Heer Vriendelijk gedaan krijgt, ervoor zorgen dat vervreemde wezens zich aan de wereld presenteren en, tot zijn grote spijt, nog wel als vrije mensen

maar alleen de stem vult de drie verhalen
de stem die geen beschutting vindt bij het schrijven

en dus is een dichter een oud wezen.

In plaats van de wereld in het gedicht binnenlaten
het schrijven eruit gooien, als een lichte, doorzichtige lava, mousseline

zo veel hemel
zo veel lente

zie je, dit is een politieke daad: bij iedereen die gehoorzaamt de wil omdraaien

wat ontbreekt is de context.

En wat te zeggen van de pijlers! nu het papier geen steun meer biedt en alleen een muur nog denkbaar is en de projectie van digitale letters (vast en zeker in een museum en op de borden langs de snelweg) of diezelfde zinnen als lichtgevende linten om de lichamen van de weggebruikers die een gesprek voeren over de vlucht van de vogels of de krullen van de gieren die door hun schutkleur eenworden met de bomen wanneer ze hun vleugels spreiden als een nest

de theorie is dat ethische geweld van het onaanraakbare

en dan is er nog het probleem van de Ik, hoeveel? en van de situaties

ik heb mijn paniek liever wanneer ik boekhandels binnenstap en jou buitensluit, jij die mij overal alleen achterlaat, zonder een cent, of in de auto zonder de handrem erop. We bezoeken een stad om ons de gebouwen in andere steden te herinneren

dromen zijn geen theorie, en nu moeten we hier blijven omdat jij niet wakker wilt worden, in dit paleis van privénieuwbouw, waar vele andere mannen en vrouwen in dezelfde situatie verkeren als wij. Vanavond zijn onze moordenaars dronken of zitten opgesloten op het toilet

voor eens en voor altijd niets hermetisch of cryptisch (zo schrijven we nooit) en ik lanceer het nu, samen met al onze prachtige bossen en bremstruiken.

En moet je zien hoe zoet de waarheid wordt wanneer je op blote voeten – gewichtloos? – in de placenta van de berken blijft zitten

**

de synapsen keren terug, de onrustbarende bloei in april

 

 

Finisterra
Ik weet dat het niets zich uitstrekt tot de einder, waar mijn adem knakt. Het niets is mijn mond, via de mond gaan de rillingen van het vlees naar binnen. Iets, iemand trekt mijn mond samen, rekt het niets uit, spreekt het onuitsprekelijke uit, een subject, ik. Iets, iemand, vaardigt een verbod uit.

Mijn positie in de woestijn is de positie van iemand die zich buiten de groep plaatst, buiten de vlag, buiten de placenta die het leven in gemeenschap mogelijk maakt, haar voortplanting. Het is mij niet bekend of andere mensen hetzelfde lot treft als mij. Iets, iemand, vaardigt alle dagen, elke milliseconde het verbod uit.

Welke politiek? De politiek die ontspruit uit het schrijven, uit de polsslag van de taal, uit een subject dat zich niet kan binden en zich onuitsprekelijk uitstrekt (psyche, leven) tot aan de randen van de Aarde, dat zichzelf beschouwt als een geestverschijning te midden van vele andere en zich assembleert met de diverse organen in het gebied, tot aan finisterra, het einde van de wereld waar dromen, ideologieën, winden en doden breken? Welke politiek, buiten de groep, buiten de vlag, waar de adem breekt?

 

________

De gedichten zijn afkomstig uit de bundel Finisterra, die in vertaling van Mariolein Sabarte Belacortu op zondag 26 februari gepresenteerd wordt bij Perdu.

Over de auteur:

Chus Pato (1955) is geboren in ourense in Galicië, het noordwesten van Spanje. Ze is werkzaam als schrijver en daarnaast bekend als politiek activist en onafhankelijkheidsstrijder voor Galicië. ze maakt gebruik van verschillende types van tekst: biografie, essays, theaterfragmenten, interviews, radio. Haar eerste vertaling naar het Nederlands is de bundel Finisterre die in vertaling van Marioleine Sabarte Belacortu verschijnt bij uitgeverij Perdu.

Over de vertaler:

Mariolein Sabarte Belacortu (1944). Sinds 1969 literair vertaalster Spaans – Nederlands. Enkele auteurs uit Spanje: Camilo José Cela, Félix de Azúa en Belén Gopégui en Juan Marsé. Een grote stroom uit Latijns-Amerika, zoals Roberto Arlt, Jorge Luis Borges en Julio Cortázar uit Argentinië, Gabriel García Márquez en Álvaro Mutis uit Colombia, José María Arguedas en Mario Vargas Llosa uit Peru, Juan Carlos Onetti en Felisberto Hernández uit Uruguay, Juan Rulfo, Carlos Fuentes, Carlos Arriaga en Jorge Volpi uit Mexico. Vertaalt al vele jaren poëzie voor Poetry International in Rotterdam, met als hoogtepunt de Argentijn Roberto Juarroz, van wie de bloemlezing Verticale Poëzie is uitgekomen bij uitgeverij Wagner en Van Santen.