thema:

Gemeten maten

Vertaling: ,

Eerste tekstlezing: tijdens een fietstocht door de Cotswolds komt het op je pad. Voorjaar ’63. Eenentwintig jaar oud, derdejaars in het buitenland, aan de universiteit van York, na een voorjaarstrimester dat zinderde van nieuw leven door Chaucer, Milton, Byron en Swinburne. (Swinburne, weet je nog?) Jaar nummer één in een leven dat sinds kort gewijd is aan woorden. Uiteraard was je vader kapot toen je een poosje geleden omzwaaide. Hij had lang gehoopt dat je je zou blijven uitsloven voor de op Kennedy geïnspireerde droom van vrijwilligerswerk. Jij, die een eersteklas welzijnswerker had kunnen worden. Jij, die goede dingen had kunnen doen voor de soort, of althans voor de oude buurt. Maar van nu af aan zal het leven voor jou uit boeken bestaan. Niets heeft ooit meer voorbestemd gevoeld.

Het trimester is voorbij, en het is tijd om elke vierkante kilometer van dit eiland te zien. Broekveren, een reisgids, een transistorradio en regen die zich vastklampt aan je huid. In dalen glijden dorpjes langs aan weggetjes net zo kronkelig als de zinnen van Henry James. Het boek duikt op bij een uitdragerij in een oude Saksische marktplaats waarvan je later bijna zeker weet dat er een m in de naam zit. Tussen de verroeste buggies en antieke radio’s vind je oude kooktijdschriften, boeken voor vissers over het maken van kunstvliegen, over fotografie, spionageromans uit eind jaren vijftig met versleten kartonnen kaften zo zacht als vilt.

Je oog valt er meteen op: Gemeten maten, door een zekere Elton Wentworth. Het is een buitenbeentje in de winkel. Een dik boekwerk met onregelmatig afgesneden bladzijden in een luxeband met stempelversiering. Het stofomslag is verdwenen, maar het voorwerk gaat ervan uit dat je alles al weet over Wentworth. Geboren in 1888, schrijver van twaalf eerdere boeken en winnaar van te veel prijzen om op te noemen.

De eerste regel luidt: ‘Ongewoon laat dat jaar, twee weken nadat de oeverzwaluwen waren teruggekeerd naar de grindgroeves bij de South Downs, begon het ineens nog te sneeuwen.’ De volgende paar alinea’s schetsen een stad in moeilijkheden, Wotton-on-Wold, die sterk lijkt op de stad waar je bent, die met een m in de naam. Op bladzij 3 onthult de schrijver het jaar, 1913. Op de laatste bladzij vindt een groep uit het dorp bij een zoekactie op de bodem van genoemde grindgroeves het lichaam van een jonge kapitein die een amputatie heeft ondergaan en gelegerd is geweest bij de Somme. Er zijn niet meer dan zeven jaar verstreken, maar de zinderende beginaccenten zijn duistere fragmenten uit een andere wereld geworden.

Het boek lijkt een veelomvattend portret te geven van het rurale Engeland voor en na de Eerste Wereldoorlog. Je zoekt op de titelpagina: copyright 1948. Behalve twee vette uitroeptekens aan het eind van hoofdstuk 1 zijn de bladzijden onbezoedeld, misschien ongelezen.

Rechts bovenaan op de binnenkant van de voorkaft staat met potlood een prijs: 10/6 d. Absurd. Je krijgt zeven pond per week voor levensonderhoud. Een driegangendiner bij de Chinees aan Station Road kost vier shilling en tussen de middag eet je voor de helft in de kantine. Een LP komt op amper een pond, en zelfs een telefoontje van twee minuten naar de VS is goedkoper dan het boek van Wentworth. Een halve guinea voor een tweedehandsroman waar je nooit van hebt gehoord? Diefstal. Maar iets in dat begin vind je zo vreemd dat je geen weerstand kunt bieden. En per slot van rekening heb je je leven toch aan de literatuur gewijd? Je vliegt door het begin van hoofdstuk 2, waarin Trevor, een spichtige boerenzoon met de ziekte van Addison, zijn ouders verbaasd doet staan omdat hij per se naar de universiteit wil. Je moet echt weten hoe dit begin zo’n macaber eind kan krijgen.

De eigenaar van de winkel is een oude man met een haakneus en een grijze haargrens als een monnikskap die van zijn hoofd glijdt. Het is beneden je stand om met hem te marchanderen, maar je bent wanhopig.

Hoeveel bied je de uitdrager voor zijn tweedehandsboek?

Je bent, overigens, een vrouw. Veel mensen vinden dat je niet alleen aan het fietsen zou moeten zijn, al is het in de Cotswolds. Kijk maar op bladzijde 214 tot 223 van het epos van Wentworth.

Hoeveel zou je voor het boek hebben geboden als je een man was geweest?

Je koopt het boek, sleept het mee op de rest van je fietstocht, zeult het mee terug naar het noorden, maar op de een of andere manier komt het lezen zelf er niet van. Als de zomer afloopt en tegelijkertijd je Engelse idylle, ontdek je geschokt hoeveel essentiële romans je hebt gekocht zonder gelegenheid te vinden ze te lezen.

Nu is het probleem ze allemaal in een koffer te pakken die minder dan twintig kilo weegt. Je zou ze per post naar de VS kunnen sturen, maar dat kost meer dan de boeken zelf. Je neemt je toevlucht tot het aloude systeem van drie stapels:

  1. Altijd houden.
  2. Respijt geven in het vagevuur.
  3. Voorgoed de uiterste duisternis in slingeren.

Op de avond voor de vlucht naar huis heeft Gemeten maten zich een onverzettelijke plaats veroverd in het vagevuur, samen met Malcolm van James Purdy, What Is Poetry? van Wheelock, The Bull from the Sea van Mary Renault, de bestseller Life at the Top van John Braine, en The Centaur van Updike, dat gemengde recensies heeft gekregen. Life at the Top is misschien moeilijk te krijgen in de VS. En wie weet hoe lang Updike nog zal worden gelezen? Malcolm staat daarentegen al op elke syllabus voor studenten in het land. En Renault, een stiekeme favoriet, is het boek dat je echt graag in je handbagage wilt hebben. De nieuwe avonturen van Theseus en Hippolyta, met zonovergoten tempels, aardbevingen en een mengcultuur van mensen en goden: waar kun je acht uur lezen in gevangenschap beter mee vullen? Maar er passen niet meer dan vier extra boeken in je tas.

Kies welke twee boeken voorgoed worden gedumpt.

Wentworth haalt de selectie, al was het alleen maar als herinnering aan die magische fietstocht. Raar genoeg vind je tijdens het grasduinen in de boekwinkel van de Oceanic Terminal op Heathrow een herdruk van een van zijn vroegere romans, over mijnwerkers in Wales. Het is een Penguin, met de oranje rug die synoniem is met geweldige boeken. Achterop staat een citaat van Winston Churchill, die Wentworth omschrijft als ‘De Balzac van dit eiland […] ons hooggeprezen, veel geïmiteerde nationale erfgoed,’ en een van dame Edith Sitwell, die hem kwalificeert als ‘de prominentste levende schrijver van de sociale roman in Engeland.’

Dat ‘nationaal erfgoed’ maakt van Wentworth zoiets als een log stenen landhuis dat door verarmde aristocraten om belastingtechnische redenen wordt weggeschonken. En ‘prominentste’ voelt een beetje gedateerd tegen de achtergrond van jarenzestigverschijnselen als Mods, Rockers, de Angry Young Men en Beyond the Fringe.

Maar toch: twee onsterfelijke literaire leeuwen hebben deze man de hemel in geprezen. Wat een ongelooflijke koop, die eerste druk voor acht shilling. De kalende uitdrager wist niet wat hij verkocht. Een eind boven de Atlantische oceaan, bij de nadering van Groenland, begint plotseling de wroeging te knagen. Wat is het nut van alle beschaving op de wereld als je die gebruikt om onwetenden voor de mal te houden?

Hoeveel had je de winkelier eigenlijk moeten betalen? Ga indien nodig boven de door hem voorgestelde prijs.

Terug in de VS zoek je Elton Wentworth op. Hij is niet de prominentste levende wat dan ook van Engeland. Hij is overleden rond de tijd dat je besefte dat je eerder met een  plateau voor je buik sigaretten zou verkopen dan in het sociaal werk gaan. Behalve schapen in de Cotswolds en kolen in Wales deed hij ook vissers in Lincolnshire en drie generaties fabrieksarbeiders in Birmingham. Hij was niet de Balzac van Engeland; hij was de James Michener van de Midlands.

Je leest de eerste honderd bladzijden van Gemeten maten, en hakt je daarbij een weg door een struikgewas van dialect. Het proza kan op een meedogenloze manier fraai zijn. Maar het semester begint, je wordt verliefd, je wordt ontmaagd, je ziet Kennedy sterven en de Beatles binnenstormen, gaat uit je dak bij het luisteren naar Coltrane, en je ontdekt Heller, Ellison, Ferlinghetti en Bellow, een manier van schrijven die over de bladzij stroomt in enorme heldere banen waarvan je niet wist dat het Engels zich ervoor leende. Dus de Eerste Wereldoorlog was een beroerde toestand. Is dat niet een beetje oud nieuws? En welke bedoeling had Wentworth toen hij drie jaar na Dachau een boek uitbracht dat was verpakt in begin twintigste-eeuwse nostalgie?

In het voorjaar studeer je af en pak je juist je wereldlijke bezittingen weer in op het moment dat de uss Maddox in de Golf van Tonkin op drie patrouillevaartuigen schiet, waarmee Johnson een oorlog kan uitbreiden in een land dat tot voor kort wat jou betreft evenzeer tot het terrein van de fantasie behoorde als de South Downs van Wentworth.

Gaat het boek naar de Kringloop, het Leger des heils of de stapel voor een kwartje bij de verkoop op het grasveld na je afstuderen?

Je overleeft twee jaar postdoctorale colleges, de Algemene kennistest (waarbij je de vraag over Tobias Smollett verknalt), een huwelijk met een Faulknerjongen en een doodvermoeiend, vierhonderd boeken omvattend specialistisch examen over ‘Het Elektracomplex in het naoorlogs Amerikaans proza,’ een onderwerp waaraan je lang voordat de commissie een eerste vraag op je kan afvuren, een hekel begint te krijgen. In de tussentijd is er Biafra, Black Power, Viëtnamdemonstraties, My Lai, de moorden op Martin Luther King en Robert Kennedy, rellen in Chicago, straatoorlog en stadscentra die volgens een jaarlijks zomerritueel in brand stonden. Drugs zijn overal, laten mensen God zien of hun gezin uitmoorden. Boeken worden surrealistisch, psychedelisch en soms vraag je je af of ze de puinhoop veroorzaken of er juist van profiteren.

Het proefschrift – dat flodderige monster van je – wordt een vier jaar durend excuus om alles te lezen behalve de schrijvers over wie je gaat schrijven. Op een hete donderdag in juni, vroeg in het nieuwe decennium, precies rond de tijd dat vijf mannen inbreken in het hoofdbureau van de Democratische Partij in Washington, loop jij te patrouilleren voor je eigen boekenplanken, als een hoopvolle bieder op een openbare verkoop van een huis. Het is een schok om die luxeband tegen te komen, waarvan je je duidelijk herinnert dat je hem lang geleden hebt afgeschreven. De Cotswolds: hardvochtige grap. Restant van het Elgariaanse imperialisme.

Je pakt het van de plank en bladert. Je stopt om eten klaar te maken voor je man, die invalide is als het over hoogmoderne zaken gaat en niet voor zichzelf kan koken. Maar je bent terug bij Wentworth tot 4 uur in de ochtend, als je eindigt op de bodem van de grindgroeve in de South Downs, waarbij je keel voelt alsof je er uitstrijkjes hebt gemaakt met een pijpenrager. Je weet niet wat meer pijn doet, de kolkende morele turbulentie van het boek of de late ontdekking dat alles wat je erover dacht op misvattingen berustte. Je had het hele zaakje fout: register, stemming, ironie, dubbelzinnigheid, subtiliteit van de karakters, spanningsboog, zelfs elementaire feiten over de plot. Je kunt niet lezen. Alsof je er op je dertigste achter komt dat je bent geadopteerd.

Je weet nog niet zeker of het grote literatuur is. Maar het boek heeft je onder water getrokken, je daar bijna dertien uur vastgehouden en twee dagen later ben je nog steeds buiten adem. Dat ene, door de geschiedenis getroffen dorpje is een wereld op zich, met massa, gewicht en een vreemde, bochtige syntactische wirwar die nergens anders voor staat dan zichzelf. De portretten, met name dat van Sarah, de moeder van de ten dode opgeschreven kapitein Trevor en in het verborgene de vrouw van Francis Beck, met zijn littekens uit idealisme – lijken zo duidelijk gejat van microscopische observatie dat het misleidend is om ze fictie te noemen. Dit verhaal is niet jouw leven. Het is niet jouw tijd of jouw plaats. Het is alleen maar een flard van een kapotgescheurd dagboek die komt bovendrijven uit een verzengd verleden. Wat heeft deze roman van je nodig?

Geef het boek een eindcijfer:

         Gezakt
         Net geslaagd
         Geslaagd
         Geslaagd met lof
         Hoogste onderscheiding

Je laat je man het lezen. Je haalt de truc van Lysistrata uit totdat hij het doet. Dat is een vergissing, want hij leest het veel te snel. ‘Heel goed gedaan,’ meldt hij, uitziend naar zijn suikerklontje. ‘Vakkundig. Eersteklas sociaal realisme. Waarom hebben niet meer mensen over deze kerel geschreven?’

Het is niet vakkundig. Het is geen sociaal realisme. Je leest het nog een keer, neemt er ditmaal een week voor. Nu wordt het boek verwarrender. Meer een vreemde allegorie. Je komt er niet helemaal achter wat je dwarszit. Een verwachting tegen beter weten in, zoiets. Je ligt wakker in een hete nacht in augustus en vraagt je af hoe iets een poosje goed, echt en waar zou kunnen zijn, en daarna irrelevant – of erger – kan worden gemaakt door latere gebeurtenissen.

Je ben erg goeie maatjes geworden met je scriptieadviseur. Je vrijt zelfs met hem, als je het je goed herinnert. Jullie liggen samen ergens in een echt bed, in het donker, je hebt geen idee meer hoe je die luxe voor elkaar kreeg. Misschien had het iets te maken met de opec, de oliecrisis: lampen uitdoen als ze niet worden gebruikt. Jullie spelen dat oude, populaire spelletje: van welke klassieker zou je nooit tegenover iemand anders dan je minnaar in het donker durven toegeven dat je hem niet hebt gelezen? Jij komt met Silas Lapham, hij jaagt de inzet de hoogte in met Billy Budd en jij probeert te troeven met The Sound and the Fury, dat hij compleet wegvaagt met Huck Finn. Je vraagt hem of hij ooit een Wentworth heeft gelezen. Hij grinnikt alleen maar, denkt dat het een ander spelletje is.

Het boek wordt een obsessie. Je leest alle kritieken. De meeste daarvan diskwalificeren zichzelf met gepaste zorgvuldigheid: Trevor Beck en Eriksons theorie van de psychosociale ontwikkeling; Wol, meerwaarde en klassenonrust in het Wotton-on-Wold van Wentworth. Geen artikel bevat een inzicht dat sterk genoeg is om te verklaren waarom je dat zou moeten lezen en niet zozeer het boek opnieuw.

Je komt allerlei dingen over Elton Wentworth te weten, een deel ervan tegen je zin. Op de zwarte lijst voor pacifistische activiteiten toen het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog tot een noodwet dwong. Tussen de oorlogen in naar Rusland gegaan en na terugkomst juichend over de verlichte sociale staat. Tot München een vooraanstaand vredesapostel. Maar na september 1939 werd hij een Britse superpatriot en persoonlijk propagandist voor Churchill, wat het citaat van laatstgenoemde op de achterflap helpt verklaren. Na de oorlog vocht hij met hand en tand tegen de dekolonisatie in een serie interviews met tientallen autochtonen op drie continenten, die stuk voor stuk verklaarden dat het Britse Imperium het beste was dat de koloniale onderdanen ooit had kunnen overkomen. Op eenentachtigjarige leeftijd werd hij drie maanden gevangengezet vanwege het deelnemen aan gewelddadige demonstraties tegen kernwapens.

Kortom, de schrijver van dat autonome, milde, onpartijdige boek zonder boeven en met nog minder helden, waarin elke morele houding aannemelijk maar aanvechtbaar was, was zelf een hopeloze, volwaardige, recidivistische echte gelover.

Geef cijfers voor het openbare optreden van Elton Wentworth. Afzonderlijke cijfers voor vorm, stijl en intentie.

In een van de biografieën van Wentworth kom je een foto tegen van een briefje aan Wentworth van Sir Winston zelf. De handtekening op die brief heeft vaag iets weg van de inktkrabbel waaraan je nooit aandacht hebt besteed op de binnenkant van de kaft van jouw exemplaar, onder de met potlood genoteerde prijs, die je nu met schaamte vervult. De handtekening op het afgebeelde briefje luidt ‘Winnie’. De mismoedige, onduidelijke kronkel in jouw exemplaar ziet er meer uit als ‘Hump-hump Clunluch’.

Je bent uiteraard niet goed snik. Van al dat onderzoekingswerk ga je hallucineren. Er bestaat op geen enkele geloofwaardige aarde een manier waarop een boek dat toebehoort aan een van de beroemdste personen van de eeuw, uiteindelijk bij een uitdragerij in de Cotswolds kon belanden. Winston Churchill, winnaar van de Nobelprijs voor literatuur, zou niet zo gauw zijn naam in zijn boeken schrijven. De eerlijke vinder zij verzocht dit terug te bezorgen p/a Lagerhuis, Londen.

Je probeert de met potlood vermelde prijs uit te gummen, om de handtekening beter te kunnen zien. Met als enige resultaat dat het een vlek wordt. Je zoekt naar elke vastgelegde handtekening van Churchill in de universiteitsbibliotheek. Er is een gelijkenis. Het boek geeft je geen ander houvast, behalve de twee vette uitroeptekens aan het eind van het eerste hoofdstuk. Het rechter daarvan heeft onmiskenbaar iets Churchillachtigs.

Je zou met het boek naar een taxateur moeten gaan, maar je wordt paranoïed. Dit is precies het soort scenario waarin naïevelingen worden afgezet. Op je volgende reis naar de stad laat je het zien aan een antiquaar van wie je vaak boeken hebt gekocht. Met een dunne, beschroomde glimlach luistert hij naar je theorie. Hij zegt dat die handtekening op zich, zonder verdere marginalia, de waarde van het boek zelfs niet tot grote hoogte zou opstuwen als je hem zou kunnen laten waarmerken – wat bovendien een aanzienlijke hoeveelheid bloed, inspanning, tranen en zweet kon kosten. Gezien de twijfelachtige aard van de krabbel wil je het geld voor de taxatie misschien in je zak houden. Maar hij is bereid je vijftig dollar voor het boek te geven, voor een goede klant. Met vijftig dollar zou je twee jaar lang tweedehandsromans kunnen kopen.

Deal of geen deal?

Je houdt het boek, om redenen die de rede niet begrijpt. Maar tweeënhalve maand later ga je sowieso onderuit in de literatuur. Je loopt achter in het postdoctorale programma, en nog steeds geen dissertatie in zicht. Je man zegt geen kinderen tot je studie af is, maar je studie komt niet af. Je maakt je niet eens zorgen om je proefschrift. Psychoanalytisch lezen riekt naar… zes jaar geleden, en van dat nieuwe, poststructurele gedoe krijg je de kriebels.

Het gaat helemaal mis. Het huis verloedert. Wekenlang bijt je je vast in de hoorzittingen voor Watergate. Dat hele geschifte circus is een soort Dickensverhaal in afleveringen. Je praat tegen het scherm, juichend en sissend. Je gaat zelfs iets voelen voor Sam Ervin.

Je krijgt een assistentenbaantje op een universiteit in de buurt, kennismakingen en overzichten. Maar proberen enthousiasme op te wekken voor Wharton en Cather is een hels karwei. Tegenwoordig is het alleen Pynchon en Barthelme, Coover, Gaddis en Gass wat de klok slaat. De canon vervliegt in rook. Op een laat moment besef je dat je bent ingelijfd als dienaar van het Gezag maar met een slecht geweten, een kapo van het geprivilegiëerde heteronormatieve blanke paternalisme, maar het is te laat voor een reorganisatie. Omstreeks de val van Saigon voel je je op de huid gezeten door die films met mensen die op het dak van de ambassade het landingsgestel van de ontsnappende helikopters vastgrijpen, en knijp je ertussenuit richting rechtenfaculteit. De enige praktische keuze. En impliceren rechten en lezen in wezen niet eenzelfde eeuwige verbale dialoog?

Onder de druk van het eerste jaar loopt het huwelijk op de klippen. Lezen voor je plezier doe je de volgende twee jaar alleen in de Handelingen van het Congres. Je krijgt een goede baan, bij een decent nichekantoor, waar je je specialiseert in intellectueel eigendom. Geen van je tientallen intelligente, belezen collega’s heeft ooit gehoord van Wotton-on-Wold.

Je trouwt nogmaals, dit keer echt, nu met een grote fan van controleprocedures die bedrijfsconflicten doet. Op het laatste moment krijg je kinderen. Drie: één lezer en twee kijkers, die hun abc leren van paarse en groene televisiepoppen. Niets zal de hersenschors ooit sneller laten oplichten dan kathodestralen. Maar bij je lezende dochter vindt de hele vreselijke darmenwringende verleiding van meet af aan plaats. Stadseendjes, Max en de Maximonsters, Paula en het paarse krijtje: roept u maar. Je dochter, met wezenloze blik en weggeroofd lichaam, psalmodieert: ‘Lezen, mammie, lezen,’ alsof ze nog voor het eerste werkwoord al in Peter Pans Nimmerland is. En jij, de gevallen Wendy, verzwakt door het eeuwige herhalen van alles, hoort Peter naar je snauwen omdat je schuldig, groot en oud bent geworden, terwijl iets in je roept: ‘Vrouw, vrouw, laat me gaan.’

Er gaan een paar jaar voorbij, en nog steeds leest je dochter als een bezetene. Uiteindelijk zul je haar verliezen aan de stijgende vloed van de film: het groeiende videoarchief dat hele nieuwe republieken van visuele democratie biedt. Wie weet hoe lang de bladzij haar aandacht nog vast zal houden? Jaag je haar de goeie boeken binnen zolang het kan? Als je alles goed plant zal het hele in elkaar zakkende Wotton-on-Woldpodium van begin negentienhonderd misschien de indruk op haar maken van een soort hyper-Narnia.

Wanneer zou je Jane met Wentworth opzadelen?

  1. Nooit te vroeg.
  2. Nooit te laat.
  3. Nooit ofte nimmer.

 

Je kinderen worden de helden van hun eigen intriges, afgezaagde vertellingen in onherkenbare nieuwe boekomslagen. Terwijl de jaren tachtig verstrijken besteed je je energie elders aan, aan het opbouwen van strijdfondsen voor het universitair onderwijs, aan het streven naar medevennootschap, aan het helpen van bedrijven die het auteursrecht van gewone Engelse woorden willen deponeren. Je leest nog steeds voor je plezier: van alles en nog wat. De honger blijft, maar net als met seks moet de aankleding steeds zorgvuldiger worden afgewerkt om dezelfde hartstocht op te wekken. Je zit ergens gevangen tussen lezen voor herkenning en lezen voor vervreemding.

Wat je leest zijn hoofdzakelijk recensies. Te weinig tijd om meer te doen dan vluchtig de boeken doorbladeren waarvan je weet dat je ze prachtig zou vinden. Je kunt in elk geval lezen wat de trendsetters zeggen over het najaarsprogramma. En vaak is de voorstelling die je maakt aan de hand van de synopsis sterker dan wat je inderdaad weet door te worstelen.

De recensies hopen zich sneller op dan je erdoorheen kunt bladeren. Wat je eigenlijk nodig hebt is een korte beschrijving van de korte beschrijvingen. Terwijl je pakweg een jaar na de invasie op Grenada, Irangate of iets dergelijks bezig bent de stapel literaire weekbladen door te vliegen voordat je ze weggooit, stuit je op de vermelding dat het al lang uitverkochte Gemeten maten wordt heruitgegeven in een geannoteerde editie in de serie Essential Library – deel van een algemene revival van Wentworth, met wie het, klaagt de recensie, al twintig jaar bergafwaarts gaat. De recensent noemt Maten ‘de eertijds fameuze en nu vergeten Britse Zauberberg.’ Hij stelt dat Wentworths Midlands in oorlogstijd nog steeds evenveel te vertellen heeft als elk ander achtergebleven gebied op aarde. Kun je daar Lesotho, Libanon en de Punjab ook onder vangen?

De waardering met terugwerkende kracht voelt als zo’n beloning voor een levenslange activiteit die je krijgt omdat je zo hoffelijk bent geweest nooit een kik te geven. Het nieuwe omslag voor de uitgave in de Essential Library is oogverblindend; Wentworth ziet eruit als de nieuwe Alice Walker. Je weet niet precies wat een acceptabele tussentijd is tussen ‘veelgeprezen nationaal erfgoed’ en ‘ten onrechte ondergewaardeerd.’ Voor de recensent blijkt de revival de enige universele waarheid over literaire verdiensten: kwaliteit komt op den duur toch wel bovendrijven. Het is de truc om de tijd op precies het juiste moment stil te zetten.

Wie is Elton Wentworth precies? Maak een keuze.

  1. De auteur wiens huidige onderschatting momenteel de minst gerechtvaardigde van zijn generatie is.
  2. De auteur wiens overschatting eertijds de meest gerechtvaardigde van zijn generatie was.
  3. De schrijver die binnenkort de minst onterecht geherwaardeerde van zijn generatie is.

 

Nieuw geannoteerde uitgaven overspoelen de markt. Gaat jouw boot omhoog? Je bezwijkt en betaalt een taxateur tienmaal wat je tien jaar geleden zou hebben betaald om naar je boek te laten kijken. Wat blijkt? Juist toen de nieuwe Wentworthrevival toesloeg is het door Churchill gesigneerde boek voor achthonderd pond bij Sotheby weggegaan. Jouw exemplaar behoorde toe aan een schapenboer in de Cotswold met de naam H.H. Cleanleach. De taxateur biedt je tien dollar korting op zijn honorarium.

De jongens van Informatieverwerking installeren een computerterminal in je kantoor, waarmee een oude droom werkelijkheid wordt: snelle toegang tot samenvattingen van alle artikelen waarvoor je niet meer de tijd vindt ze te lezen. Tussen het bekijken van uittreksels door volg je de kleine opflakkering in de Wentworthstudie. De lui van de lezersreacties ontfermen zich over hem, en dan degenen die zich in de herziening van reputaties verdiepen. Er ontstaat altijd een klein hoogtepunt in het samendrommen rond een schrijver die nog in de toestand van pre-post-uitputting verkeert, vlak voordat het denkbeeld van monografieën er de brui aan geeft.

Een modernist aan New Mexico State bewijst dat Gemeten maten in feite rond 1928 werd geschreven, daarna twintig jaar door Wentworth werd achtergehouden en toen ondanks zijn bezwaren gepubliceerd in een vorm die hij niet wilde. Een universitair hoofddocent aan Barnard bewijst dat de helft van de roman het werk was van de maîtresse die Wentworth geruime tijd had. Een aan Indiana afgestudeerde student bewijst dat het boek vergeven is van historische vergissingen. Geleerden van allerlei kaliber tonen aan hoe Wentworth het product was van een massa afschuwelijke culturele blinde vlekken en eurocentrische overmoed.

Schrijf een korte brief aan niemand over wat je ooit had gedacht dat het boek kon betekenen.

De Berlijnse Muur valt, en tegelijk het ‘rijk van het kwaad’. De Koude Oorlog loopt ten einde en de geschiedenis ook, voor eventjes. Je stopt met lezen van alles dat meer dan twee maanden oud is.

Van de jaren negentig weet je niet zoveel meer. De Golfoorlog uiteraard. Iets over Somalië en Sarajevo. Overal rook. Een massa gekleurde linten om Amerikaanse bomen. Het bedrijf houdt de belofte van eerstaangewezen vennoot in stand, maar echt gebeuren doet het nooit.

In 1993 komt de filmbewerking van Gemeten maten op de markt, met Daniel Day-Lewis en Emma Thompson in de hoofdrol. Er is een uitgebreide hallucinaire sekwens waarin de ‘trage wandeling’ met de zelfmoord aan de Somme wordt geschilderd (gefilmd in Schotland), met als fraaie tegenhanger de hartstochtelijke seksscene op de hei buiten Wotton-on-Wold (gefilmd in een geluidsstudio in Hollywood). Er verschijnt een filmeditie in paperback, met een glamoureuze filmfoto van de adembenemende hoofdrolspelers voorop.

Geef een beoordeling van de film:

  1. De prijs van een bioscoopkaartje waard.
  2. De moeite waard om op video te zetten, als de tv hem uitzendt.
  3. De moeite waard om af te branden tijdens een feestelijk diner.
  4. De moeite waard om namens alle lezers een principieel proces voor te voeren.

Op je vijfenvijftigste verjaardag – de leeftijd waarop de doodzieke Sarah Beck het lichaam van haar zoon moet identificeren op de bodem van de grindgroeve in de South Downs, ga je bij een leesclub. Je kinderen zijn volwassen, je carrière staat op de automatische piloot, je echtgenoot is buitenshuis paintball aan het spelen en het is tijd om weer te lezen. Boeken zijn terug, in meer smaken dan ooit. Schitterende boeken, gelikte boeken, vernieuwende menggenres, massieve pillen, leesvoer vol fun, huilerige bildungsromans uit het Oeigoer, bijtende familiesages uit Kazachstan. Boeken voor elk gat in de markt en elke bioom: avant-après-post-retro. Terug is ook de allang verouderde kunst van het gemeenschappelijk lezen. Goed, misschien zijn een paar van de leden van je leesclub alleen maar lid voor de hapjes. Maar je was vergeten hoe heerlijk het is om hardop te discussiëren – in het wilde weg te klassineren over liefde en lust, verantwoordelijkheid, hoop en pijn. Samen lezen jullie in de loop van twee jaar de grote nationale selecties. Je medeleden diepen hun oude verborgen ladingen onder uit de kast. Je doet er negen maanden over om jouw verzoek voor te bereiden. Je bent niet zeker van je vrienden. Niet zeker van je vermogen om te herlezen. Niet zeker van wat er precies dezer dagen in dat verraderlijke boek te vinden is.

Ditmaal lees je het langzaam, een hoofdstuk per avond, in de loop van een paar weken. Ditmaal is het boek niet meer dan een groots, loos gebaar dat en toch zegt tegenover de zwakheid van de mens: de weigering van Francis Beck om te geloven dat zijn vrouw ziek is – een laffe streek die bijna heroïsch wordt doordat hij erin volhardt; het verlammende voorgevoel van Alice Wright, waar ze niet naar kan handelen zonder de man te vernietigen die haar wilde vernietigen; het vooraf bedachte teken van Trevor voor Alice, dat zich elk moment van over het graf kan manifesteren.

Twee leden van de leesclub melden dat ze het boek in een vlaag van woede door de kamer hebben gesmeten. Een ander eist haar drie dagen terug. Er komt een scheepslading kritiek: het is overdreven sentimenteel, het is cerebraal, het is omslachtig, het is manipulatief, het is koel, sluw en misantropisch, het mislukt door de verlossing. Hoe zouden we mee moeten leven met deze figuren? Krégen ze allemaal maar een leven.

Daarentegen weten een paar leden van de groep niet wat ze is overkomen. Eén vriend vond de eerste vijftig bladzijden vreselijk maar wilde er aan het eind nog vijftig bij. En de stilste man van de groep is bij zijn terugkeer uit Wotton-on-Wold gehuld in broze verbijstering over zijn eigen bestaan.

De mannelijke minderheid in de groep heeft de gewoonte ingevoerd om elke boek een beoordeling in woorden te geven. Dat van jou krijgt ‘voldoende’.

Welk percentage van jouw plezier is voorgoed uit het boek verdwenen? Delen van procenten zijn toegestaan.

Van de ene op de andere dag weeft het Wereldwijde web zich strak om je heen. Eerst een nieuwigheidje, dan van onschatbare waarde, dan levenssteun, dan heroïne. Eindelijk de kans om alles terug te vinden dat je ooit bent kwijtgeraakt. Vrienden van de universiteit, uitverkochte rariteiten, voorgoed verdwenen citaten. Je online-uren moeten ergens vandaan komen, en niet van het tv-kijken. Je verliest hele dagen op de achtbaan van de eBayveilingen in realtime. Boeken van Wentworth gaan voor elke prijs weg, van drie nullen tot één dollar negenennegentig. Je redt er een paar, om aan vrienden te geven, op een dag, of wanneer dan ook.

Tot je grote genoegen ontdek je een site waar al ’s werelds schaamteloze recidivistische Wentworthlezers zich vergaren om de pleziertjes waar ze zich voor schamen te posten. Je schrijft je in op een webfeed. Zes maanden later verkeert het gezelschap in een spiraalbeweging naar een burgeroorlog als een reeks berichten tussen valse leden en anonieme avatars in scheldkanonnades ontaardt.

Je ziet bij Amazon de noteringen voor Gemeten maten gestaag dalen, van een hoge, vierenhalve ster, tot een lage, iets onder die van een hakselaar met een mankement. De wijsheid van de massa’s is van plan Wentworth een derde en laatste ondergang te bereiden. Je denkt erover in te loggen op de bekendste hotels verspreid in het land en allerlei personages het boek te laten redden voor een volgende generatie Wentworthlezers, wanneer die het aandurven uit hun schulp te komen.

Hoeveel schuilnamen bedenk je om het boek te beoordelen?

  1. Precies genoeg om het boek op te stuwen naar de beoordeling die het verdient.
  2. Sarah Beck zou nooit een schuilnaam bedenken.

Dan de nieuwe eeuw. Terreur en science-fiction worden de overheersende genres in het leven.

Oorlog wordt eeuwig.

De laatste gedrukte kranten zetten koers naar opheffing.

In vijf jaar worden meer woorden gepost dan in de hele voorafgaande geschiedenis.

Opwarming van de planeet dreigt kusten te overspoelen die worden bewoond door een half miljard mensen.

Het grootste deel van de planeet lijdt aan droogte of geïnfecteerd drinkwater.

Noem het boek dat het leven van nu het beste weergeeft.

Twee maanden voordat je van plan bent te stoppen met werken krijg je te horen dat je een omvangrijke tumor in de longhilus hebt, genesteld in de stam van je longen, waar niemand erbij kan. Precies op dezelfde plaats als bij Sarah Beck, zo je je verbeeldingskracht mag geloven.

Je dochter de lezeres brengt je het boek, om je gezelschap te houden in een ultramodern kankercentrum, in je bed naast een raam met uitzicht op een stenen muur die drie meter verderop over een cementen binnenplaats loopt. Je leest het nog een keer. Niet het hele boek uiteraard – je kon onmogelijk iets helemaal lezen. Maar een paar bladzijden lukt je wel, op zoek naar een schepsel dat je steeds minder voor ogen staat.

Ditmaal gaat het boek over het veranderlijke waanidee van een gedeelde behoefte, het feit dat we gevangen zitten in een medium zo spoorloos als lucht. Het gaat over een meisje dat van toeten noch blazen wist, tijdens een belachelijk voorjaar een fietstocht door de Cotswolds ondernam, boeken aanzag voor het leven en die golvende metaforische heuvels voor de waarheid. Het gaat over een korte flits, opgevangen in een halve alinea onder aan een linkerpagina, die je vervult met iets dat bijna vertrouwd lijkt.

Ongewoon laat in het jaar begint het te sneeuwen. Je ligt in bed, een uur verwijderd van je volgende dosis morfine, je gezwollen wijsvinger als een bladwijzer op een geheime plaats in het boek met de gekraakte rug, het fragment dat je leven voorspelde. Eventjes ben je lucide, en val je samen met elk verhaal.

Geef de wereld cijfers van één tot tien. Zeg wat je graag in het vervolg zou zien gebeuren.

Over de auteur:

Richard Powers (1957). Recente publicaties: Generosity (proza, 2009), The Echo Maker (proza, 2006), The Time of Our Singing (proza, 2003).

Over de vertalers:

Jan Pieter van der Sterre (1951) vertaalt Franse literatuur. Recente vertalingen: Hardlopen van Jean Echenoz, De mooiste van Beaudelaire, De zwangere weduwe van Martin Amis. Voor Raster schreef hij onder meer over Raymond Queneau.

Reintje Ghoos en Jan Pieter van der Sterre vertalen uit het Frans en uit het Engels, meestal als duo. Na Amis, Aciman, Miller en Fountain eerder, werkten zijn aan Ferrari (Prix Goncourt), de Goncourts zelf, Twan Tan en Echenoz.