thema:

Het masker

Vertaling:

Onder de raadsels die een kort leven aan ieder van ons voorlegt, is er wellicht geen zo verwarrend en betekenisvol als dat aangaande de aanwezigheid van maskers. In het onbegrijpelijke universum is er niets menselijks behalve de naakte gezichten die de enige open ramen zijn in een chaos van vreemde of vijandige verschijningen. De mens verlaat de ondraaglijke eenzaamheid pas wanneer in de alomvattende leegte het gezicht van een van zijn gelijken opduikt. Maar het masker voert hem terug naar een vreeswekkender eenzaamheid: de aanwezigheid ervan betekent immers dat zelfs datgene wat ons gewoonlijk geruststelt ineens vervuld is geraakt van een duistere wil om angst te zaaien; als datgene wat menselijk is een masker draagt, zijn nog slechts de dierlijkheid en de dood aanwezig.
De maskerade kan teruggebracht worden tot een komedie die mensen voor elkaar opvoeren. Dit betekent dat reflectie en gewoonte ‘de nachtelijke angst’ temperen die oorspronkelijk zo eigen was aan maskers. Dit temperen is echter nooit zo sterk dat de vroegere angst niet meer voorstelbaar zou zijn. Voor ieder van ons geldt dat de angstaanjagende betekenis van het masker nog steeds, in een kinderlijke vorm, voortleeft in een duister gebied van het bewustzijn. Van nature zwakt die betekenis af naarmate de ontwikkeling van het begripsvermogen de wereld vermenselijkt door de vormen ervan voorspelbaar te maken. Maar de sombere chaos die de achtergrond van kinderlijke voorstellingen vormt verdient – als voorstellingswijze – niet meer minachting dan het beschaafde universum uit de boeken. Wel, het masker bezit nog steeds de kracht om op de drempel van die heldere en geruststellende wereld van de verveling te verschijnen als een duistere incarnatie van de chaos.
Als ik er nu toe besluit mij het masker voor te stellen, terwijl ik me laat gaan in mijn kinderlijke naïviteit – iets wat ik zonder te veinzen doe, ingespannen en geholpen door een verregaande opwinding – zal ik in die aanwezigheid veel meer dan louter de vijandigheid van de chaos moeten herkennen. Want HET MASKER IS DE VLEESGEWORDEN CHAOS. Het bevindt zich als een gelijke tegenover me en die gelijke, die mij met een doorborende blik aankijkt, heeft het gelaat aangenomen van mijn eigen dood: door deze aanwezigheid is de chaos niet langer een natuur die de mens vreemd is, maar het is de mens zelf die met zijn pijn en met zijn vreugde de vernietiging van de mens voedt; het is de mens uitgeleverd aan de greep van de chaos die zijn vernietiging en verrotting is; het is de mens bezeten door een demon die de intentie van de natuur belichaamt hem te laten sterven en verrotten. Wat voortdurend van aangezicht tot aangezicht wordt gecommuniceerd is voor het menselijk bestaan even waardevol, even geruststellend als het licht. Wanneer de communicatie verbroken wordt als gevolg van een plotse beslissing, wanneer het masker het gezicht teruggeeft aan de nacht, is de mens nog slechts de vijandige natuur voor de mens en wordt de vijandige natuur volledig gevoed door de heimelijke hartstocht van de gemaskerde mens.
Geen enkele andere voorstellingswijze is dermate tegengesteld aan die van de wetenschap. De wetenschap maakt van iedere mogelijke verschijning een realiteit die conform is aan de menselijke rede. Het masker zorgt even resoluut voor de verwarring van de wereld en de levende mens, maar het maakt de menselijke aanwezigheid in de wereld tot de uitdrukking van een woeste natuur terwijl het de sferen van hemel en aarde bezielt met een leven vol lijden en gelukzalige wreedheid. In wezen vergoddelijkt het masker de wereld veeleer dan het haar vermenselijkt. De aanwezigheid die het introduceert is namelijk niet meer de aanwezigheid van de verlichte geest: wanneer het opduikt manifesteert zich een goddelijke kracht uit de diepten van de natuurlijke dierlijkheid. Normen en regels, de wetten van het sociale leven of van de natuur zijn net zomin bindend voor het masker als voor de godheid. Het geweld, de dierlijkheid en de ‘asocialiteit’ van die heilige figuren zijn even duidelijk gemarkeerd als de goedheid en de intellectuele en sociale aard van een solidaire God van rede en moraal. Maar de vernietiging van de menselijke normaliteit – die zo geheel eigen is aan de goddelijke natuur – wordt onthuld in het dier en in het masker; zij wordt verhuld in het eerbiedwaardige beeld dat van Pascals minachting de naam ‘God van de filosofen’ kreeg.
De overeenstemming van de open gezichten communiceert de geruststellende stabiliteit van de orde die op het lichtende aardoppervlak is ingesteld onder de mensen. Maar wanneer het gezicht zich sluit en bedekt wordt met een masker, zijn er geen stabiliteit en grond meer. Het masker communiceert de onzekerheid en de dreiging van plotselinge veranderingen, al even onvoorspelbaar en onverdraaglijk als de dood. Het binnendringen van het masker bevrijdt wat geketend was om orde en stabiliteit te handhaven. Indien we ons die dodelijke tegenstelling tussen dag en nacht nauwgezet willen voorstellen, moeten we de kenniselementen beschouwen die de wetenschap voor ogen staan. Het gaat steeds om resultaten die voorspeld en eindeloos herhaald kunnen worden: zodoende krijgen ze het karakter van een substantie en zijn ze niet meer afhankelijk van de tijd. Het is altijd mogelijk om de val van een lichaam te laten herbeginnen of de versnelling ervan te voorspellen. Daarentegen is het onmogelijk om een verandering als de dood die zich voor eens en voor altijd voltrekt, buiten de tijd te situeren. De val van lichamen heeft het karakter van de eeuwigheid, of kan op z’n minst voorwenden dat te hebben; de dood van zo’n lichaam toont daarentegen het karakter van de tijd, waarvan ieder nieuw ogenblik het voorafgaande terug in het niets stort. De tijd vernietigt niet de val van de lichamen die hem vreemd blijft; maar hij vernietigt de sterfelijke wezens die in zijn greep verkeren. Het open en ‘communicatieve’ gezicht, echter, draagt van de ene mens op de andere het besef over dat het menselijk bestaan in de sociale orde even substantieel, even waar is als de eeuwige val van de solide lichamen: het is bijgevolg het gezicht van de homo sapiens die voldoende wetenschappelijke kennis bezit. Maar een masker volstaat om die homo sapiens terug te storten in een wereld waar hij niets van afweet, aangezien deze de aard van de tijd heeft met zijn bruuske en onvoorspelbare veranderingen. De tijd zet de eeuwige grijsaard ertoe aan de chaos te betreden waar hij steeds weer als herboren uit de nacht tevoorschijn komt. Hij incarneert zich in de jonge mens die bemint en een masker draagt. Het woest stromende leven toont de homo sapiens als een banaliteit uit de schoolboekjes: alleen de homo tragicus heerst in het kabaal van de vernietiging en de dodelijke verwoesting van een geschiedenis waarvan niemand iets weet, omdat enkel het verleden ervan kenbaar is dat voor altijd begraven ligt, voor altijd vruchteloos blijft.
In zoverre het leven bewustzijn is, is het meer vraag dan antwoord. Wat is de natuur? De wereld? En wat is de tijd waardoor ze worden voortgedreven met onstuitbare spoed? En wat is hij dan zelf, die mens die door zijn eigen leven wordt ondervraagd? De antwoorden die de opeenvolgende eeuwen gaven en construeerden, hebben zich opgestapeld. Deze vergeefse arbeid heeft ervoor gezorgd dat de vroegere vorm van het raadsel allang verdwenen is, terwijl het raadsel zelf nog steeds voortleeft en zijn dronkemanstred heeft behouden: de beladen onbeschaamdheid van het masker heeft plaatsgemaakt voor rustig scepticisme. Deze afgezwakte leegte volgt dus op de incarnatie van de woeste dronkenschap waarin het tragische lot van de mens werd voltrokken. De kinderlijke voorstellingen maakten iedere nachtelijke vorm tot een schrikbarende spiegel voor het onoplosbare raadsel dat het sterfelijke wezen voor zichzelf is: maar de wijsheid neemt de illusoire spelletjes van de nacht weg om ze vervolgens te vervangen door de conventies van de dag met het lichtende gezicht. Gelukkig is alleen hij die, in de volle zon, die intieme plek van volslagen duisternis hervindt vanwaar opnieuw een grote storm opsteekt. Gelukkig is hij die er, in zijn afkeer van lege en voldane gezichten, toe komt zichzelf met het masker te bedekken: hij zal als eerste de onstuimige dronkenschap hervinden van al wat zich dood danst op de stroomversnelling van de tijd. Hij zal merken dat de antwoorden – zoals de afgekloven botten die naar honden worden gegooid – slechts formules waren waarmee de vredige slavernij van het werk werd gehandhaafd. Zijn vreugde zal dan herboren worden uit de nachtelijke angsten van zijn kindertijd, want de behoefte aan een nacht om in weg te zinken zal hem even stomdronken maken als het verlangen naar naaktheid.
 
 
Georges Bataille. ‘Le masque’. Oeuvres complètes II. Paris: Gallimard, 1981. pp. 403-406.
 
 

Over de auteur:

Over de vertaler:

Piet Devos (1983) heeft zicch gespecialiseerd in de vertaling van Frans- en Spaanstalige avant-gardeteksten. In 2013 is hij aan de Rijksuniversiteit Groningen gepromoveerd op het werk van Vicente Huidobro en de Franse surrealist Benjamin Péret. Zijn onderzoek richt zich vooral op de rol van de zintuiglijke waarneming in literatuur. Zie voor meer informatie: www.pietdevos.be