thema:

GRAFSCHRIFT VOOR EEN MOORDENAAR

Edogawa Ranpo’s Het vreemde verhaal van Panorama-Eiland

 

‘De dood,’ schreef Ray Bradbury, ‘is een eenzame bedoening’. Slechts één bedoening, zo zou de realist kunnen argumenteren, is eenzamer: het leven. De uitkomst van die toestand is genoegzaam bekend en zo valt er iets te zeggen voor nihilisme, hedonisme, idealisme of, fanatisme uitgezonderd, eender welk ander -isme. Of ook voor de keuze van Ivan Gontsjarovs voorbeeldlethargicus uit de wereldliteratuur, Ilja Oblomov. Waarom, immers, zou men nog uit zijn bed komen als niets, in de kern, voldoende de moeite van het bereiken waard lijkt, niets in het diepste innerlijk uiteindelijk aanspoort tot beweging?

Het fantoom van de ambitie is een geniepige metgezel. Hij is drogreden en verslaving. Illusie die het meelijwekkend onnozele kind al wordt ingetrechterd middels een ingenieus systeem van legale leugenarij gecultiveerd door de misleider en, uiteindelijk, de misleide. Die op zijn beurt, een eenzame bedoening lang, verlichting zal zoeken in andere luchtspiegelingen. Opiaten, kunst, rokkenjagen, kennis, macht, het verzamelen van peper-en-zoutstelletjes, het aanhangen van een voetbalclub. Of, twee vliegen in één doodklap, werk.

 

Soms kiest de misleide sterveling, in een nieuwe vlaag van verstandsverbijstering, voor dat verondersteld antisociale andere uiterste: de misdaad. Die onttrekt mooi aan de ganzenpas en de sleur en levert, mits goed uitgevoerd, nog wat op ook. Op de wereldbevolking becijferd is de misdaad kwantitatief niettemin een ietwat ondergeschoven kindje: het merendeel van de mensen, zou men kunnen stellen, is van een zekere rechtschapenheid. Die wordt doorgaans niet zozeer uit ethische overtuiging, als wel uit passiviteit en ideeënarmoede geboren. Bedaard grazend naar zijn zonsonder volgt het schaap het schaap, het schaap het schaap, het schaap – ad infinitum.

Is groots dromen al weinigen gegeven, groots leven, zo leert de geschiedschrijving, doet slechts de enkeling. Dus vond de mens de fictie uit.

Ziedaar Hirosuke Hitomi, de Japanse hoofdfiguur in Edogawa Ranpo’s novelle Panoramato kidan/Het vreemde verhaal van Panorama-Eiland uit 1926. Misdadiger van een niet te weerleggen gesjochten grootsheid, op jacht naar zijn wel bijzonder particuliere Utopia. Met een meertraps coup de théatre neemt de sjofele, uitvreterige opdrachtschrijver Hirosuke de identiteit over van vroegere studiegenoot Genzaburô Komoda. Vers begraven telg uit een puissant rijke industriëlenfamilie en bij levenstijd niets minder dan Hirosukes fysieke evenbeeld. Hirosuke, vaak versleten voor Genzaburô’s tweelingbroer, ensceneert zijn eigen zelfmoord door verdrinking, diept de overleden epilepticus uit het graf op en herbegraaft het lijk in de aanpalende familievoorvaderentombe. Dan maakt hij, op sluwe wijze en tactisch zwijgend, zijn grootse entree bij de stomverbaasde Komoda-clan en, onvermijdelijk, bij Genzaburô’s ontzette weduwe Kiyoko. Maar de dood, zo ondervindt de gestorven Doppelgänger per trein onderweg naar zijn criminele Gesamtkunstwerk, is een eenzame bedoening. Om van het leven na de dood nog maar te zwijgen.

 

‘Hij had geen enkele vriend of menselijke band in deze reusachtige, weidse wereld. Hij was een vreemdsoortig wezen dat niet eens een naam had. De passagiers rondom hem, de omgeving die hij vanuit het raam zag passeren, de meest alledaagse boom, het kleinste huis, niets was nog zoals voorheen, maar leek tot een andere wereld te behoren. Enerzijds was het bijzonder verfrissend, een gevoel opnieuw te zijn geboren. Maar anderzijds kon hij het niet helpen dat hij een diepe, onbeschrijflijke droefheid voelde die hem tot tranen bewoog toen hij zich realiseerde dat hij nu moederziel alleen was in de wereld en hij een gigantisch project moest uitvoeren dat zijn capaciteiten te boven ging.’
Het zijn brede schouders die de wederopstanding kunnen dragen. Waarom dan die hachelijke onderneming, die koorddans zonder vangnet? Wel, men zou Hirosuke Hitomi, in arte Genzaburô Komoda, utopomaan kunnen noemen. Behept met een naar het ziekelijke doorgeslagen verlangen naar die volmaakte eigen wereld. De verder geheel ambitievrije verslinder van utopische literatuur die tot Plato teruggaat, echter, deelt het lot van velen: hij is luchtkastelenarchitect zonder een yen. Aldus rijpt het onzalige idee om voor het oog van wet en wereld te sterven en als die ander uit de dood terug te keren.

En, boud plan of niet, na behoedzame assimilatie binnen dat welgestelde entrepreneursmilieu realiseert Hirosuke gaandeweg met het slapende familiekapitaal zijn fata morgana. Op het afgelegen, in onbruik geraakte eiland Okinoshima laat hij gedurende een periode van jaren een uitgestrekt domein van separate wonderwerelden construeren dat in magnitude en fantastische visie zijn weerga niet kent. Panorama-Eiland zal de folly der follies zijn.

En zo begint de allereenvoudigst opgezette en in een ouderwetse, bijna jeugdig naïeve feuilletonstijl met ‘Beste lezer…’-verteller geschreven ontdekkingsreis naar de verbeelding. Een reis die samenvalt met een dwaling door de o zo vruchtbare krochten van de waanzin. Met zijn geesteskind Hirosuke Hitomi danst Edogawa Ranpo, tijdens de eerste helft van het Shôwa-tijdperk Japans meest vermaarde auteur van mysteryverhalen, fantastiek, erohorror en aanverwante curiosa, een psychotische wals.

 

Schoonheid is er in Ranpo’s spookhuisuniversum, het valt niet te loochenen. Schoonheid van de verwrongen, besmette soort, al bij haar verschijning rottend van binnenuit. Obsessie alom in dit twintigste-eeuwse, voor de westerse wereld nog grotendeels te ontsluiten oeuvre der 1001 buitenissigheden en perfiditeiten. Een centraal oeuvre, niettemin, in het typisch Japanse literaire genre van de ero-guro: de erotisch groteske. Niet verwonderlijk bij de belezen en apolitieke escapist Tarô Hirai (1894-1965), die een schrijverspseudoniem koos dat de Japans-fonetische weergave is van zijn westerse voorbeeld Edgar Allan Poe.

In kanji echter zijn de losse componenten van de naam te lezen als ‘Hij die langs de Edo wandelt’. En precies daar treffen Hirosuke Hitomi en Edogawa Ranpo elkaar. In die aloude vliedende wereld van het eeuwige straattheater in de panoramische zin des woords, aan die esplanade van de Interbellumjaren waarin Japan een quantumsprong maakt op het gebied van volksvertier, optische technieken en populaire cultuur.

Zijn leven lang was Ranpo gebiologeerd door lenzen, toverlantaarns, projectiemethodes, trompe-l’oeil, spiegels en prisma’s, cinematografische trucage, micro- en telescopen en wat dies meer zij. Door de wetenschappelijke weergave, dan wel de artistieke interpretatie via welk medium dan ook, van de realiteit. Of van dat wat de a priori visueel beperkte mens als zodanig denkt waar te nemen.

De ervaring uit zijn jeugd die hem het bevreemdende, angstaanjagende van optische vertekening openbaarde, beschreef de auteur in het korte essay Renzu shikôshô / Een passie voor lenzen (1937). Terwijl hij in zijn jongenskamer speelt met een loupe van zijn vader, indertijd een patentadvocaat die vaak ingenieuze mechanieken moet inspecteren, krijgt Ranpo junior de schrik van zijn leven.

 

‘…toen ik een vaag, maar monsterlijk groot schepsel opmerkte dat over de houten plafondplanken gleed. Het leek een soort monster. Denkend dat het een hallucinatie was, raakte ik in paniek en vroeg me af of ik mijn verstand aan het verliezen was. Maar toen ik het nader ging bekijken bleek het niets bijzonders. De plek op de tatamimat werd in een cirkel geprojecteerd door de lichtstraal via de opening in de luiken, en door toeval had ik het vergrootglas precies daar horizontaal gehouden waar het licht inviel. Vervolgens werd dat, een paar honderd keer vergroot, op het plafond geprojecteerd.

De vlechten in het oppervlak van de tatami leken zo breed als de planken van het plafond. Ze waren voornamelijk geel, maar bezaten ook een groenige gloed. Ze werden maar al te helder geprojecteerd, zoals de drugsvisioenen van een opiumduivel. Ondanks het feit dat ik wist dat het een lenzenspel was, maakte het me op een vreemde manier van streek. Ik veronderstel dat de meeste mensen het eigenaardig vinden om van zoiets bang te zijn. Maar ik was overweldigd door de realiteit ervan. Zo choquerend was het dat, vanaf die dag, mijn visie op de dingen volledig veranderde. Het was een ommekeer in mijn leven.’

 

Vorm, vervorming, vormeloosheid, vraagteken. Wie gedurende langere tijd naar een zeker object kijkt, met aandacht voor de perfectie of juist de onvolkomenheden ervan, zich afsluitend van al het rondom, raakt de focus, het oorspronkelijke idee van waar hij naar kijkt voorbij. Is de siervaas, het zich ritmisch herhalende behangmotief, de trillende lichtvlek net buiten het blikveld wel die vaas, dat motief, die lichtvlek? Of kantelt sluipend de waarneming, vertroebelt hij tot een reflectie van dat wat de sluimerspoken in het brein de observator willen doen geloven? Is wat is ook werkelijk?

In Ranpo’s klassieke korte verhaal Kagami jigoku / Hel van spiegels (1926) drijft de excentriekeling Tanuma zijn obsessie voor de weerkaatste realiteit door ad absurdum. In een zelfgeconstrueerde globevormige ruimte volledig bekleed met naar binnen gebogen spiegels brengt hij steeds langere tijd door. Oneindig ziet Tanuma zichzelf, terwijl zijn manie onherroepelijk naar gekte afglijdt, in het duizelingwekkende glasmozaïek gereflecteerd, bizar vervormd, gehersenschimd. Narcissus in Utopia. Staar lang in het openhaardvuur, naar de schuimkoppen van de branding: het ongrijpbare blijft fragmenteren, in fantomen uiteenvallen, de geest tergend, omsingelend, overspoelend.

En ziedaar, wederom, Hirosuke Hitomi. Als Genzaburô Komoda de Tweede van Panorama-Eiland de keizer, nar, Dominus van zijn eigen schepping. Speeltuin van het pauperkind met een scheurtje in de psyche. Defect dat gaande de jaren ganzenpassen in een geestdodend maatschappelijk systeem, waar de grijsheid van de middelmaat regeert, gestaag groeide. Tot de demonen, doezelend in die diepste duisternis, zich er uit konden wurmen, klauwen. Woedend hongerend naar voeding, naar destructie en, uiteindelijk, naar het niets waaruit zij zelf voortkomen.

 

‘En wat zul je doen? Je zult een opus naar de natuur maken, een landschapscreatie, een magnifiek kunstwerk zoals niemand het sinds de Oudheid ooit heeft durven realiseren. Je zult een paradijs scheppen, een hemel op aarde!’
Dat dromerstapijt geknoopt uit lapjes ideaalbeelden, echter, heeft één weeffout: zijn schoonheid bestaat slechts in het oog van zijn schepper. Hirosukes tragiek is nu, dat die waarheid zijn blinde vlek is. Fataler nog, hij valt samen met die ene zandkorrel in zijn grandioze, geoliede leugenmachine: Genzaburô Komoda’s weduwe Kiyoko.
Niets anders dan de liefde bespoedigt uiteindelijk de ontmaskering, de val van de vervalser. En in dat, met veel Fingerspitzengefühl voor drama uitgerekte, crescendo van de novelle spat Edogawa Ranpo’s ongebreidelde fantasie als een vuurwerk aan de hemel uiteen.

Kiyoko, de ontroostbare, verwarde, verwonderde. Dan Kiyoko de voorzichtig verliefde, vergeefs hunkerende en, onvermijdelijk, de twijfelende, achterdochtige. De malversatie vermoedende. Ook voor de meest prominente figurante in dit theaterstuk is de dood een eenzame bedoening.

Maar voordat hij de keizer van Panorama-Eiland diens tweede, schitterende dood laat ensceneren leeft Ranpo, sensei-illusionist, zich uit in meerdere pagina’s beschrijving van vertekende werkelijkheid. Hirosuke heeft besloten om Kiyoko, de enige bedreiging van zijn soevereiniteit, te vermoorden en neemt zijn angstige wederhelft voor het eerst mee naar zijn luchtspiegelingenland. De laatste etappe naar de afgelegen plek is een geheel uit pantserglas opgetrokken tunnel onder het zeeoppervlak, rondom welke de meest zonderlinge creaturen loom voorbijzweven, op spectrale wijze vergroot, gedeformeerd.

De episode van de maritieme poort naar Panorama-Eiland is een onverholen tijdmachinereis naar die ene middag in Ranpo’s jongenskamer. Hier schrijft de auteur, die zichzelf in het essay Ranpo uchiake banashi / Bekentenissen van Ranpo (1927) niet geheel ten onrechte typeert als zijnde ‘geen bijzonder begaafd stilist’, zich welhaast in een delirium. Alle frissons die hij die dag in zijn jeugd ervoer, laat hij, niet zonder schrijverssadisme, Kiyoko doorleven. Poseidons rijk neemt afschrikwekkende vormen aan voor de beschermd opgegroeide jonge vrouw die, wakend gevangen in een koortsdroom, de krankzinnigheid ziet van de man die haar echtgenoot niet is. Tijdens de navolgende reis door het eiland verlegt Ranpo het perspectief van Hirosuke naar dat van Kiyoko: we zien de gekte van Hirosuke door haar ogen.

 

Al deze panorama’s, lustoorden en idylles, in hun optische illusie vernuftig het perspectief en de ware groottes vertekenend, ademen iets ongezonds. Doorgeschoten irrealiteiten volgen elkaar op. Glooiende ansichtkaartvallei waar ieder bloemblaadje te scherp getekend is, en elke wolk aan het uitspansel dottig perfect. Vervlechting van machines zonder een enkele functie, behalve dan die van industriële esthetiek en raadselachtigheid. Vrouwen, met flora bedekt, dienstdoend als levende koets, of met veren getooid, varend als zwanenbootjes op een meertje uit een westerse sprookjesboekillustratie. Een park vol standbeelden die niets anders zijn dan alabaster beschilderde dienaren, in hun groteske taak bevroren. Een donker pijnbomenwoud, louter gecreëerd om, na een omzwerving, aan het andere einde het speciale effect van een nieuwe illusie te intensiveren. En, pièce de résistance, de listig gecamoufleerde toren midden op dat eiland, zodat God over zijn rijk kan uitkijken en zien dat het naar zijn evenbeeld en volkomen is.
Imperfecte onwerkelijkheden, onwerkelijke perfecties. Als de bladzijden geur en geluid konden verspreiden zou de lezer bedwelmd raken van het excessieve natuurparfumboeket. Weeïg worden van het al te lieflijke gezang van de nimfen. Doldraaien van de twiet-twiet-twietende vogeltjesschare rondom en het shamisen-getokkel.

Alles is weldadig Utopia in het oog van de een, overdadig Hades in het oog van de ander. In een curieuze, bijna negentig jaar vertraagde metaspiegeling leest de eilandtocht van de echtelieden als een vrije val in 21e-eeuwse virtualiteiten. Want in hoeverre verschilt Hirosukes van iedere organische samenhang ontdane collage eigenlijk van de fopspeen der sociale media, van technofeesten waar een plaatjesdraaier voor een muzikant doorgaat, van all-in resorts in verwegwoestijnen? In hoeverre onderscheiden zich zijn marionetten van vlees en bloed welbeschouwd van de computergegenereerde knuffelfiguurtjes in animatiekaskrakers, van anorexische supermodellen, gefotoshopte advertentielandschappen en door plastische chirurgie permanent grimassende zestigplussers? Is er, misschien, een erfelijk oerscheurtje in de collectieve psyche die de monsters van de valse maakbaarheid telkens weer hun ontsnappingsmogelijkheid biedt? Is ego-utopisch zelfbedrog de mens eigen en verschillen slechts, door de tijden heen, de manieren waarop zich dat bedrog manifesteert? Nooit lijkt voor de mens de natuur, het leven zelf voldoende.

Al in 1647 noteerde de Spaanse jezuïet Baltasar Gracián in zijn vilein-aforistische Oráculo manual y arte de prudentia / Handorakel en de kunst van de voorzichtigheid: ‘Er ontstaat geen schoonheid zonder kunstgrepen, en alles wat volkomen is, zou barbaars aandoen zonder de helpende hand van de kunstenaar: hij werkt het slechte bij en vervolmaakt het goede. De natuur laat ons doorgaans in de steek bij het hoogtepunt; dus dienen wij onze toevlucht tot de kunst te nemen.’ Ja en nee. Paradox. Zien wij, zittend in het zomerveld, de bij van bloemkelk tot bloesemtak zijn volmaakte wonder verrichten, komt het, esthetisch sensitief als we in de regel toch zijn, niet in ons op om daaraan iets te willen, laat staan te kunnen veranderen. Het zou van niets minder dan grenzeloze arrogantie getuigen.

 

En toch. In mijn geest is de wereld spannender, prachtiger, grootser, vervullender, dacht de misdaadartiest Hirosuke Hitomi. Dacht de schrijver Edogawa Ranpo tijdens zijn vele kleyneluydenbetrekkingen waarin hij het nooit lang uithield. Tergende ketting van sprankelloze dagen die maar geen einde namen, fantasievermorzelende realiteit waarin kennelijk zijn collegae, ja, de meeste mensen gewoon konden bestaan. En zo schiep de solitaire dromer, ex nihilo, zijn wereld van waanzin. Ranpo’s oeuvre van grillig schaduwspel, zinsbegoocheling en gruwel werd zijn reddingsvest en opiaat. Het Ranporama, een kosmos, een erfenis. Een 360º-illusie, bevolkt met zonderlingen, fantasten en criminelen van de onorthodoxe, fetisjistische soort. Die hoofdrol is niet meer dan logisch: hun geest, tenslotte, is de antithese tot die van de brave kantoorklerk die stilletjes zijn tijd uitzit. In de vrijhaven van de fictie, kortom, is alles mogelijk en geoorloofd. Tot de dood erop volgt.

Uit de vele korte verhalen, de romans, uit Het vreemde verhaal van Panorama-Eiland, spreekt steeds de affectie van Ranpo voor zijn eenzaten, crimineel of niet. Die affectie herinnert aan een controversiële uitspraak van de Italiaanse filmregisseur Dario Argento, in de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw maker van een reeks barokke gialli, horrorthrillers met briljant geënsceneerde grand guignol. Ooit zei Argento, in zijn obsessie voor de esthetiek van de waanzin een late Zuid-Europese Ranpo-geestverwant, in een interview over zijn oeuvre: ‘Ik houd van al mijn moordenaars’. En van gene zijde boog de Japanse schrijver, in een discrete geste van herkenning, voor de Romeinse cineast.

Voor Edogawa Ranpo was misdaad een vorm van psychose, afhankelijk van vergrijp en misdadiger een mildere of ernstigere staat van ontoerekeningsvatbaarheid. Met die zienswijze was hij zijns ondanks een modernist in het conservatieve, eeuwenlang in zichzelf gekeerde Japan. In werkelijke misdaden had de auteur, de facto een volwassen geworden jongetje volledig content in zijn gefabuleerde universum, nul en generlei interesse. De zinnenverstikkende realiteit van het grauw, immers, was reeds overal.

En zo gunt Ranpo zijn antiheld Hirosuke Hitomi een finale die er mag wezen, eentje die in al zijn morbide luminositeit letterlijk van het canvas spettert. Groots dromen, groots scheppen, groots sterven – de laatste buiging van de koorddanser voor het hooggeëerd publiek is de vervolmaking van zijn kunstwerk en, uiteindelijk, van een leven.

Slotpassage, afscheidsletters. We zien op van de laatste bladzijde en uit dat merkwaardige halfduister van ons binnenste, terwijl zich daaruit de flarden van de droom al terugtrekken en die zachte melancholie van het voorbij zich er nestelt. De illusie van het Ranporama vervliegt. Buiten wacht, ietwat schel van licht en vervreemdend prozaïsch, de dag.

 
De fragmenten zijn vertaald uit de Amerikaanse edities van Panoramato kidan / Strange tale of Panorama Island (University of Hawai’i Press, 2013; vertaling uit het Japans door Elaine Kazu Gerbert) en The Edogawa Rampo reader (Kurodahan Press, 2008; vertaling uit het Japans door Seth Jacobowitz).

Vaak werd tot dusver in westerse vertalingen het pseudoniem ‘Edogawa Ranpo’ met een ‘m’ (‘Edogawa Rampo’) geschreven. Hier is de, weliswaar ietwat academische, maar fonetisch consequentere spelling van vertaalster Kazu Gerbert aangehouden.

In 2008 publiceerde Suehiro Maruo, roemrucht undergroundmanga-auteur in het ero-guro-genre, zijn stripadaptatie van Panoramata kidan. Souplesse en elegantie van het inktwerk zijn ronduit fantastisch. Niettemin haalt Maruo’s visualisering, evenals zijn eerdere mangabewerking van Ranpo’s perverse vertelling Imomushi / De rups (1929), het impliciete uit het oorspronkelijke verhaal door het gesuggereerde in te vullen met pornografische elementen. In 2013 verscheen de manga bij de gespecialiseerde uitgeverij Last Gasp in een Engelse vertaling. Het boek is conform de Japanse editie uitgegeven: te lezen van rechts naar links.

Over de auteur:

Oliver Kerkdijk (1965) publiceerde over cinema, muziek, strips en cultuurcuriosa in VPRO Gids, NRC Handelsblad, Oor, Vrij Nederland.