thema:

Harare

De wind uit het noorden is nat, die zorgt ervoor dat bonen rotten. De wind uit het zuiden is droog, die tilt dierenhuid op en maakt dat je het koud hebt. De wind uit het oosten gaat de zon vooruit die daar opgaat. De wind uit het westen komt als de zon ondergaat.

We rijden Harare uit aan de westkant. Chinatown ligt er als een vesting buiten. Bij de stoplichten staan mannen met doeken op de strepen tussen de rijbanen. Het gras tussen de rijbanen wordt weggekapt met een zeis. Het is maandagochtend, Mike gaat zijn kinderen halen in zijn geboortestad, 100 kilometer verderop. Ik zie de velden achter het hotel waar gisteren jonge mannen met een bijbel in de hand naar de stadions liepen, de spoken word ministries. Chirikure zit achter het stuur. In een gedicht van hem worden de hersenen vergeleken met een troep mieren. Je weet bij god niet wat ze aan het doen zijn, waarom ze ergens krioelen, maar er zit onherroepelijk een logica achter, zelfs een structuur. Chiri masseert het bolletje vlak onder zijn slokdarm, hij houdt een hand aan het stuur.

Plaggenhutten, bruine koeien. Langs de weg staan stellages van boomstammen waar netten sinaasappels aan hangen. Een man loopt met een bijl op de schouder langs de snelweg. We passeren kilometers lang droog grasland. Hier waren boerderijen, plantages, vertelt Mike, voor de landonteigeningen. De weg buigt af naar het zuiden. Twintig kilometer lang is de snelweg kaarsrecht, hij dient als reservelandingsbaan, voor noodgevallen. We stoppen om te tanken, ik wandel een zijpad op. Chiri en Mike kauwen op warm zoutvlees. Een man bijt een stuk van een suikerbiet, met het scheurend geluid alsof iemand een grote hap uit een appel neemt.

Bomen met zwarte stammen tegen de helling van de berg. Bij de tol van de autoweg hangen libellen. Sinds twee jaar is de radio onafhankelijk. Twee vrouwen steken de weg over met bundels lange takken op hun hoofd. Het land is groen en bruin als een legeruniform. Op de parkeerplaats voor het hotel stonden benzinevaten, rijinstructeurs lieten hun leerlingen ertussen parkeren. Joggers in gewaden renden al zingend rondjes over het grote veld. Een grasmaaier maakte een enkele baan dicht bij het hotel en stuitte op zijn snoer.

Voor Kadowa halen we een bus in, de chauffeur gebaart ons om te stoppen. Shoes stapt uit de bus bij ons in de auto. Chiri wijst op een treinstel op een kruising, die hebben jullie toch ook in Europa, grijnst hij. Kadowa is niet groot maar uitgestrekt, bij een schooltje in een buitenwijk rijden we het erf op. Er is een toneelstuk aan de gang voor de kinderen. Als de jongens naar binnen gaan en tussen het publiek plaatsnemen, loop ik het pad af. De stofwolk van een auto is als dikke mist. Mannen op het veld dragen blauwe kleren en blauwe tonnen op hun schouders. Een hagedis kruipt weg over een geopend hangslot.

Er is een straatje, met aan weerszijden winkels, saloons. Verder niets, vlaktes. Op een hoek een klein gebouwtje met een kapsalon. Dit is waar westerns vandaan komen, niet uit Amerika, maar uit Afrika.

Mike, Shoes en Chiri hebben voorgelezen op het schooltje, de kinderen van Mike zijn elders. Een compound is zoiets als een woonerf, huizen en tuinen rond een klein pleintje dat als erf dient. Iedereen voedt elkaars kinderen op, zegt Mike. Ze pikken hier eerder woorden op dan van een televisie. Een van zijn kinderen is er, de ander is uit spelen. We rijden verder met het kind en stoppen voor een slagerij, afgezet met tralies. Er zijn drie hopen vlees, varken, lam en bief. Varken is het verst en is het snelst gaar, weet Chiri.

In de bar naast de slager staat een barbecue. De vloer is zwart en spekglad. In de vensterbanken liggen bierdoppen. Bovenop de gemetselde muur steken glasscherven. Shoes bakt het vlees. Het jongste kind van Mike likt zijn vingers af. Er staat een grote groene watertank, met een kraan en een teiltje. Er is commotie buiten, dat Mike een witte heeft meegenomen. Ze vragen of hij nu rijk is. Mikes oudste kind wordt naar de bar gebracht.

Vuur brandt langs de weg, kleine vuurtjes. Tegenliggers zetten hun richtingaanwijzers aan zodat je beter de zijkant van de auto ziet als je hen passeert. Chiri doet het ook, maar vergeet het op den duur. Fietsers rijden langs de autoweg. Een man houdt een fiets vast en buigt naar de grond. Kinderen zitten op het dak van een cabine van een bestelwagen. Bij een parkeerplaats voor Harare is een barretje en drinkt iedereen bier zittend op de motorkap van hun auto. Er klinkt luide en vrolijke muziek.

De straat die voor het hotel langsloopt heet Rotten Row. Het donkere gebouw op de volgende straathoek is het partijbureau van Mugabe. Zijn foto hangt boven de lobby in het hotel, de bril met dikke randen. De munteenheid bestaat niet meer, je betaalt met dollarbiljetten en als je wisselgeld wilt dan krijg je een handje snoepjes in papiertjes. De verkopers voor het voormalige stationnetje van Harare verkopen hun spullen in randen.

Doorgaand verkeer op dezelfde weg heeft niet altijd voorrang. Bij het busje dat me praktisch van de sokken rijdt, staat in knalrode plakletters op de achterdeur Let love lead. Als het voetgangerslicht op groen springt stormen zes rijen auto’s op je af. Er slaapt een man tegen een bumper, met het hoofd rustend op de armen op de opgetrokken knieën. Op de stam van een boom zijn tientallen bordjes gespijkerd met telefoonnummers van meubelmakers, ijskastenreparateurs, dakbedekkers. Een man sprenkelt water uit een doorgeprikte plastic fles over vissen die op een omgekeerde emmer liggen. In een menigte dansende mensen op een straathoek houdt een man een baby op zijn hand die hij hoog in de lucht steekt. Een vrouw slaat met de achterkant van een soeplepel ijs stuk in een plastic zak.

Een oudere vrouw giet zeepwater uit een teil. Als mannen op straat urineren, staan ze niet met hun rug naar je toe voor de muur, maar een beetje zijdelings, met een schouder tegen de gevel en hun plasser op de muur gericht. Over de balustrades hangen dekens. Op straat ligt een vlieger gemaakt van een plastic tas. De ronddraaiende sproeier die het gras voor het hotel moet nathouden maakt een streep over een boomstam.

Op de weg passeert een wagen met een spiegeldeur in de open laadbak. Op een straathoek liggen schillen van maiskolven. Verkopers maken kleine piramides van tomaten en van aardappelen. Een man zit in pak op een steen onder een boom met witte bloesem. Een kind is op de rug van een vrouw gebonden in een grote hotelhanddoek. In een etalage staan onder de tl-lichten de achterkanten van schoenen.

Als in de tent een slammer voordraagt, spijkert iemand van de organisatie buiten een aankondiging op een van de palen. Het ritme valt samen terwijl de spijker in het hout gaat. In het Shona noem je een sjaal doek, leer ik van Biko. Hij vertelt waar de namen van de wind vandaan komen. Buiten ligt een jongen in grijze kleren op witte balen rijst.

Over de auteur:

Erik Lindner (1968), dichter en criticus. Recente publicatie: Terrein (poëzie, 2010), Naar Whitebridge (roman, 2013) en Acedia (poëzie, 2014). In het Duits verscheen Nach Akedia (poëzie, 2013) en in het Italiaans Fermata Provvisoria (poëzie, 2013) en Acedia (poëzie, 2016). www.eriklindner.nl In januari 2018 verschijnt bij Van Oorschot Zog, zijn zesde dichtbundel.