thema:

Hartknopf

“Es ist eine wilde Blasphemie gegen ein unbekanntes grosses Etwas,” zo omschreef Karl Philipp Moritz in 1790 zijn juist gepubliceerde allegorie getiteld Andreas Hartknopf , in een brief aan zijn vriend Goethe. En een zekere Karl Klischnig, die een tijdlang bij Moritz in huis had gewoond, heeft later in zijn herinneringen genoteerd: “Ongeveer halverwege het boek kwam Moritz op het idee, er naartoe te werken dat hij veel zou lijken te zeggen, terwijl hij in wezen niets zei; en dat doel heeft hij bereikt.”

Die twee uitspraken geven ons een vrijstelling voor het begrijpen van dit boek. Misschien zelfs een verbod – Moritz was actief in de vrijmetselarij, waar formules, geheimen en rituelen bij de omgangsvormen horen. Maar het is juist het ongrijpbare van sommige boeken, in combinatie met de ernst en de gedreven toon, waardoor ze voor de niet per se op begrip uit zijnde lezer ontroerend, amusant en innemend worden – zeker wanneer de schrijver het lef heeft een onschuld te celebreren die door de harde werkelijkheden des levens al sinds eeuwen wordt ontkracht.

Dat lef is wat ook Moritz beweegt, al draagt hij zelf de ontkrachting aan, door zijn hoofdpersoon in al diens onschuld aan de galg te laten eindigen, als martelaar voor zijn onnavolgbare overtuigingen. Maar die galg staat op de heuvel waar de gehangene het uitzicht het mooiste ter wereld vond – wat kan een mens eigenlijk meer willen, denk je dan, als lezer van dit wonderlijke boek. Wat hij had uitgedragen, onze Hartknopf, was de gelukzalige zelfverzaking, “das grosse Gefühl der erweiterten Ichheit”. Andreas Hartknopf lezen is te vergelijken met een bezoek aan het kerkhof, in de welig tierende lente: alles staat er in het licht van de sterfelijkheid, maar het prille groen geeft een onbekommerd gevoel, van transparant en onverwoestbaar leven, waar de donkere bodem van de dood doorheen schemert.

Het boek is een allegorie: onder de letterlijke betekenis van de beschreven voorvallen gaat een andere, verwijzende betekenislaag schuil. Het grappige van Moritz’ allegorie is dat het concrete zo unverfroren concreet blijft, en dat tegelijk de allegorische laag parodiërend van toon is, zo niet burlesk. Zo wordt de laatste ademtocht van een oude, kreupele, aan één oog blinde poedel die een doodklap krijgt, beschreven met een echo van Christus’ kruisdood: “Aber Jesus schriee abermal laut und verschied,” schrijft de evangelist – over de poedel staat er: “da das arme schwache Tier nach einem lauten Schrei verschied.”

Door het hele boek heen krioelt het van echo’s uit de Heilige Schrift, die opgenomen worden in een context van heel andere orde; dat veroorzaakt botsing, oftewel humor. Zo wordt er in een dialoogje tussen twee neven die elkaar 21 jaar niet hebben gezien, verwezen naar de Bergrede: “Laat zijn uw woord ja, ja; neen, neen; wat boven deze is, dat is uit den boze.”

‘Hartknopf: “M’n beste neef Knapp, kent u me nog?”

Knapp: “Ja! Ja!” (terwijl hij hem de hand schudde)

Hartknopf: “Leeft uw vrouw nog?”

Knapp: “Nee! Nee!” (terwijl hij zijn ogen afwiste)

Hartknopf: “Kan ik bij u overnachten?”

Knapp: “Ja! Ja!” (terwijl hij hem naar zijn beste kamer bracht).’

De naam van de neef, Knapp, (Bondig) duidt ook al op een man van weinig woorden. Hartknopfs naam Andreas verwijst naar de apostel, die bekend staat als de zachtmoedigste onder de heiligen, zijn achternaam duidt op zijn harde kop. Hij, de vleesgeworden dualiteit, die enerzijds gestaag en rechtlijnig op weg is naar het oosten, omdat daar het licht daagt, en die anderzijds een warm hart heeft voor juist de lijnen die zich onnut krommen (“die gerade Linie gleichsam das Bild des Zweckmässigen in unsre Handlungen, die krumme Linie hingegen das Schöne und Spielende, den Tanz, das Spazieren”) – hij is, wilde ik zeggen, gearriveerd in zijn geboortedorp waar hij de dood zal vinden.

Zijn devies luidt: “Ich will, was ich muss.” Op de eerste bladzijde van het boek is hij bij een brede, diepe sloot beland waar hij niet doorheen lijkt te kunnen zonder kopje onder te gaan, er is geen brug, terwijl de duisternis al invalt en de regen neerplenst. “Hier will ich stillstehen,” zegt hij resoluut, geheel in de trant van zijn leefregel. Na lang staan komen er twee dronken kerels aan; ze duwen hem in de sloot, die droog blijkt te zijn. Hij had dus allang aan de overkant en in de warme herberg van zijn neef kunnen zijn, toepasselijk “Im Paradies” geheten. Het dronken duo zal zijn ondergang worden. Gelukkig weten we dan al dat het hem, als profeet van de radicale berusting, niet kan deren. “Hier wil ik stilstaan,” had hij bij de sloot nogmaals gezegd, “omdat ik niet verder kan,” en dat “wil”, aldus Moritz, “sprak hij uit met een zekere koppigheid en een grandeur die het deed lijken alsof hij het bevel voerde over de regen en de stormwind, en heerser was over de elementen.”

Voor de momenten dat de buitenwereld hem minder in de weg legt, heeft hij een omgekeerd devies: “Ich muss, was ich will.” De verteller, die eigenlijk de hoofdpersoon is, zegt over Hartknopf: “Gefühl seiner Kraft, insbesondere der widerstrebenden, war seine höchste Glückseligkeit.” Met volle inzet van deze kracht is Hartknopf op weg naar het ware ontwaken, het paradijs van de geest, van de ont-zegging. Ook hier een botsing, een paradoxale beweging tussen overgave en wil. De humor van het boek schuilt in de onverzoenlijkheid der dingen, in de stortvloed van scènes en voorvallen waarin die onverzoenlijkheden als vuurstenen op elkaar stuiten. Radicale berusting is dan ook dringend gewenst, en als illustratie daarvan eet Hartknopf bij een avondmaal dat voor hem het avondmaal is, met smaak een grote Radix oftewel Rettich, een rammenas dus, met zout, het zout der aarde.

Het lijkt erop dat Moritz alle dingen nieuw wil maken, hij wordt dan ook gerekend tot de zogeheten “Berliner Spätaufklärung”. Zijn leven was maar kort, van 1756 tot 1793. Men zegt dat Goethe hem in Rome een wat kritischer houding tegenover de vrijmetselarij heeft bijgebracht.

In ieder geval staat vast dat in het na zijn verblijf te Rome geschreven deel 2 – waarin de voorgeschiedenis van deel 1 wordt behandeld – de vorm van het boek steeds losser, meer scenisch en gefragmenteerd wordt, met ultrakorte hoofdstukjes die soms maar 100 woorden tellen en eigenlijk prozagedichten zijn. Eén hoofdstukje, getiteld “Een leemte in Hartknopfs historie” begint, heel letterlijk, met die leemte in de vorm van een lange reeks gedachtestreepjes. Een ander hoofdstuk bestaat uit een vertaald gedicht van Johannes van het Kruis, het volgende biedt ons een gedicht van de Perzische schrijver Saadi, en zo zijn er meer bijdragen van buitenaf. Je zou haast zeggen dat sinds de dood van Hartknopf, aan het slot van deel 1, de verteller een beetje losgeslagen is. Die was van het begin af aan degene die de boel bijeen moest houden, al is chronologie niet zijn sterkste kant, want hij is een discipel van Hartknopf en verkeert vaak in wat hij noemt “het heelal van het moment”.

Ik weet niet of ik ooit een boek heb gelezen waarin de verteller zó enorm op de hand is van zijn hoofdpersoon, zó volmondig en hartstochtelijk zijn sympathie en dankbaarheid betuigt. Al meteen op bladzij twee kan hij het niet laten zich rechtstreeks tot zijn dode vriend te richten: “Vaak raakt in eenzame uren mijn ziel met jou aan de praat; dan kom je mijn kleine kamer binnen; we zien elkaar, we zien de hemel door het geopend venster; en al kijken we tegen de muren aan van een vervallen gebouw, als daar zonlicht op schijnt zijn we al verblijd, we storten ons hart bij elkaar uit, in liefde en warmte, in tedere gesprekken over vroeger en later …” Het lijkt wel een parodie op een hagiografie, ook al omdat hij zich haastig excuseert bij de lezer, voor dit ongepaste terzijde. Maar het lukt de verteller heel goed, in zijn typisch romantische tweeledigheid van sentiment en ironie, om mij als lezer volledig te laten zwichten voor z’n grote vriend en leermeester, en ook daardoor wordt de allegorie minder allegorisch: het levensverhaal van deze geroepene, die weet dat alleen in de dood, nimmer in het leven, een mens rust mag vinden, gaat me ter harte zoals ook een operapersonage dat kan.

Het is niet eenvoudig, iets te zeggen over een vormloos boek, dat volgens tijdgenoten zonder enig vooropgezet schema is geschreven, en dat in kort bestek ook nog eens duizend en een dingen bij de kop neemt – van het verschil tussen de werkwoorden “hebben” en “zijn” tot het narcisme van de diepzinnige gevoelsmens.

Hartknopf is een wezen dat constant in beweging is of anderen tot bewogenheid brengt. Ook in de korte tijd dat hij getrouwd is en als predikant met vrouw en baby in een knusse pastorie op een nogal vijandig dorp woont, leert hij het wandelen niet af. Want aan de einder van deze rechttoe rechtaan loopbaan ziet hij een verdwijnpunt opdoemen, als een immense dreiging: stilstand in liefde en sleur. Hij wil iets anders: wijsheid. “Het graf van de liefde is de wieg van de wijsheid, die hoger staat dan alle verstand, en die juist daarom heel veel verstand vereist waarop ze steunen kan. – De wijsheid vindt een punt waarop de smart van de scheiding wordt gestild, waarop het bittere afscheid zoet voelt en elke ontzegging ons licht valt.” Gelukkig voor iedereen was de brave buurman al in stilte verliefd op Hartknopfs vrouw, zodat zij en het kind niet onverzorgd achterblijven.

Het zat er ook al dik in, dit debacle, want Andreas en zijn Sophie waren in de echt verbonden door de oude lutherse bisschop Thanatos, wiens overgrootvader de naam Dood had gedragen. “Hij wist niet,” aldus de verteller, “dat het zijn laatste inzegening zou zijn. Het priestergewaad slobberde om zijn uitgemergelde gestalte, zijn ogen lagen diep in de kassen, zijn knieën knikten, zijn hoofd schokte, de tanden rammelden in zijn mond – met beide handen pakte hij het honderdjarig formulier beet, dat in ijzeren klemmen was gevat, en las het kersverse bruidspaar de vervloekingen uit het boek Genesis voor.”

Eigenlijk heb ik nog niets gezegd over de thematiek van dit boek, terwijl het juist daarin een werk is dat vertalers aanspreekt – Het Woord! Het motto van Andreas Hartknopf is ontleend aan 2 Korintiërs 6: “want de letter doodt, maar de geest maakt levend.” Het woord is datgene, legt de verteller ons uit, waar de gedachte in gekleed gaat, zonder het woord zou de gedachte niets voorstellen, ongevormd zijn. Evenzo is de letter, zeker voor een schrijver en een vertaler, in al zijn dodelijkheid onontbeerlijk om de levende geest te wekken, bij de verstaander. Andreas Hartknopf gelooft in een God die niet drievuldig, maar viervuldig is: Vader, Zoon, Heilige Geest, en Het Woord. Over de gecompliceerde, tragische, subtiele problematiek van de strijdigheid tussen letter en geest, hun beider onverbrekelijke band, die het weefsel vormt van dit boek, heb ik in dit korte pleidooi niet kunnen uitweiden. Maar alleen al vanwege dit thema vind ik Andreas Hartknopf een boek dat nodig vertaald moet worden. Het zijn maar tweehonderd kleine bladzijtjes, er staat veel onafzienbaars in.

Een goed boek is zelf het beste pleidooi voor vertaling: dus tot slot een korte verhelderende scène, uit Hartknopfs eerste optreden als predikant:

“Aan het dakje boven de kansel was de Heilige Geest vastgelijmd, in de vorm van een zwevende houten duif. Toen Hartknopf de kansel besteeg, hing zijn boze genius boven zijn hoofd. Maar verdiept in wat hij zou gaan zeggen sloeg hij geen acht op wat hem te boven ging, en het was te wijten aan zijn lichaamslengte dat hij zijn voorhoofd stootte tegen juist die ene vleugel van de duif zodat, tot grote schrik van heel de gemeente, de zwevende Heilige Geest ter aarde stortte.

Hartknopf hief zijn preek aan: In den beginne was het woord, en het woord was bij God, en God was het woord – kortom: in den beginne was het woord, en het woord was zelf het begin; waarop hij bekendmaakte eerst de letter van het woord te willen doden, zodat de geest levend zou worden – en heel de gemeente, als hadden hun ogen het met elkaar afgesproken, keek op naar de lege plaats aan het dakje boven de kansel, waar de Heilige Geest had gehangen in de gedaante van een houten duif; en als ingeblazen door een boze demon verwrongen zich alle gezichten tot een hoongrimas vol leedvermaak – en ieders hart ging voor hem op slot, voorgoed.”

Ik heb geprobeerd zo duister mogelijk te zijn over dit ongezeglijke, ongrijpbare, onmisbare boek, om een indruk te geven van de ware aard ervan en om in overeenstemming te blijven met het oermotto, geplaatst onder het frontispice (een sfinx) dat uit de ars poetica stamt: “Geen rook na glans, maar, na het rookgordijn, het licht.”

Over de auteur:

Anneke Brassinga, geboren 1948 te Schaarsbergen, studeerde vertaalkunde in Amsterdam en was daarna werkzaam als literair vertaler en gaandeweg tevens als schrijver. Zij heeft werk vertaald van Sylvia Plath, George Orwell, Oscar Wilde, Samuel Beckett, Denis Diderot, Jean-Jacques Rousseau, Hermann Broch en vele anderen, en is betrokken geweest bij muziek- en dansvoorstellingen. In 2008 ontving ze de Constantijn Huygens Prijs voor haar gehele oeuvre.