thema:

het boek van de hutten

Vertaling:

  1. De geschiedenis van het stof

 “een totale lichtklem”

 

Hier om te ontwerpen (verbinden) wat deel uitmaakt (van opbouw) van die beweging of van ontbinding in

(de fragmenten zelf ontbonden in)

Men zal het met me eens zijn dat die beweging onwaarneembaar is

 

Er is dus een ervaring (geformuleerd als “de omkering van de beelden”) maar die veronderstelt het afstellen (geslaagd, gevoelig, opgevat als sprongsgewijze verandering met de stroom mee, afname en toename, houvasten en verrassingen, flarden), langzaam (reële tijd, nog te preciseren), van een apparaat dat wel en niet hetzelfde is als mijn eigen lichaam (mijn lichaam)

(dat die bewegingen schijnbaar onbeweeglijk zijn)

Daarna lijkt zich iets op te bouwen en uiteen te vallen in de tijd een ding onzichtbaar

onzichtbaar is het voorwerp van die ervaring

plat op de buik gelegen op de brug of op een laken de druk handhavend                                                         in afwachting van wat

dat mechanisme voor inbezitneming

Zondag vertelt mij een vriend dat hij sinds enkele dagen het licht in een van zijn ogen verliest, troebel ziet, trillerig. Hij deelt mij ook mee dat hij, vanaf zijn geboorte, op het andere oog blind is.

Op de bodem van die kubus (dertiende eeuw) brandt iets. De drie deuren zijn open, ingetrapt. De middelste is donker, de gordijnen zijn dichtgetrokken. Ze rot langzaam weg, het lijkt of ze wegzakt.

Onzichtbare beelden. Die van de bodem van de rivier. Ik lig op de brug en kijk tussen de planken door. Ik wilde het geluid van het water zien.

Stekende pijn diep in mijn oog.

 

Onderin de doos is het houten huis hoe langer hoe meer gebroken, vernield. De centrale holte is zwaar beschadigd, het gordijn vol gaten wappert nog vochtig. Ik ben binnengegaan met mijn handen voor mij uitgestoken. Met toegeknepen ogen heb ik de vorm van de wasbak en het gat gezien.

Die kubus, of doos, was een apparaat, een soort wasbak, ja, een wasbak.

(Hier dwarrelde, als stof.)

Soms stroomde er bloed op de grond, maakte de houten ramen nat verdroogde tegen de tralies.

Onzichtbare beelden. Gewoon gemurmeld, tussen de planken, tussen de latten, in de barsten.
Een water van geheugen.

Onverhoeds in de stal binnengegaan word ik verblind door de geur van het stro.

 

Mineraal te ver

Animaal te dicht.

Vegetaal komt binnen.

Dan komt vegetaal binnen en als nogal traag.

 

 

Niets tegen de snelheid

tenzij niet en nooit “vlug”

(het geluid van het water volkomen egaal en neutraal als een glimp in het raam).

 

Het vertraagde is

alles reëel vertraagd zoals het is

is de reële tijd.

Alles “in de stijl van het wachten”.

Die doos is ook mijn aangezicht en wat het omgeeft. ik houd met twee handen mijn hoofd vast en druk,

ik duw naar binnen toe, ik wilde wel dat mijn handen elkaar raakten en dat zo het beeld platgedrukt werd als zwartebessenfruit in de holte van mijn handpalmen.

Nu strekt het zich uit in mijn binnenste, het maakt de randen nat, ik kan het niet zien maar ik voel hoe het zich uitstrekt in mijn binnenste.

Niets tegen de snelheid tenzij niet meetbaar en overal

de ladder staat in de doos met de bloedplassen

een spiegel aan diggelen

het vertraagde is de reële tijd

 

 

(iets als een plukje watten doordrenkt van ether of alcohol)

 

 

Hij is een van die doden. Een van hen die dood voor me zijn en van wie de naam in de stenen is gedrongen, hij zit, hij wacht.

 

Het is de vader van de onbekende met het beenderhoofd. Hij weet het niet meer. Hij is niemands vader. Hij is blijven zitten. Hij strekt zijn spierwitte handen uit. De tuin ligt rechts van hem. Hij heeft zojuist de rijst gegeten. Hij heeft het schoteltje en het glas weggeduwd. Hij wacht de eerste maten af. Hij doet zijn ogen dicht. De gordijnen zijn dichtgetrokken. Hij raakt zijn grijze sjerp aan. Hij volgt met zijn rechterhand de trekken van zijn gezicht, glijdt langs zijn wangen, laat zijn hand weer neervallen en loopt rondjes in zichzelf. Nu stapt hij in het donker. Hij is volkomen onbeweeglijk. Hij drinkt de rum van de varens, hij herkent die boom, zegt zijn naam, praat ermee. Hij wordt onzichtbaar. Hij is naakt. Hij zegt dat hij terugkomt maar dat hij het niet weet. Hij loopt rondjes in zichzelf. Jeff Wall stelt in 1978 zijn eerste foto tentoon. Ze heeft als titel The Destroyed Room.

 

Zo is het vertrek nu leeg. Er is een muur bijgekomen. Een andere muur. De woorden zijn één voor één gevallen, druppel na druppel, en hebben zich met het stof vermengd. Ze zijn overal kapot, verhakkeld, verbrijzeld, met de grond vermengd, met het fijne laagje stof, met het stof dat in de houten vloer is geperst, gedrukt.

Uit: Jean-Marie Gleize, Le livre des cabanes, Seuil, coll. Fiction et Cie 2015.

Over de auteur:

Jean-Marie Gleize (1949) was professor in de Letteren en is oprichter en hoofdredacteur van het tijdschrift Nioques. Hij werkt aan een cyclus met “post-poëzie” waarvan Le livre des cabanes (2015) het zesde en voorlopig laatste deel is. Eerder verschenen onder meer Le principe de nudité intégrale (1995) en Film à venir (2007).

Over de vertaler:

Bart Vonck (1957) is dichter, criticus en vertaler van poëzie uit het Frans, het Spaans en het Portugees. Zijn laatste bundel, Teloor, zalig, verscheen in 2014 bij Uitgeverij P (Leuven).