thema:

Het hartverscheurende van de dingen

Vertaling:

Zout- of navertellen

: wil zeggen de geluiden achternazitten, ook de geluiden die een mens maakt als hij luistert naar de gedachten in de borst van wie naast hem zit, en afleest, ze achternazit tot hij ze ingehaald heeft, enz. In de borst ontstaan zulke geluiden ook in je kinderjaren, ik hoestte veel, begroef mijn hoofd in het kussen om Stella ervoor te behoeden dat FEDOR tegen haar moest uitvaren omdat ze te weinig op me gelet had; ik bedoel als kind die plant in mijn borst, die vele bloemen en struiken, hebben ook altijd geruist en gerammeld als palmtoppen in de storm, er was altijd storm in mijn borst, ik kon het merken, en het ging met een onrustige hartslag gepaard (elektrische intelligentie), ook was ik altijd bang, ik was altijd bangelijk als kind, daar is het dan bij gebleven tot de dag van vandaag, Stella en ik, we waren allebei altijd heel bangelijk, maar we troostten elkaar als een van tweeën iets overkwam, als een van ons geluiden hoorde in zijn eigen borst of iets anders bedreigends van buitenaf, draaiorgels of zo, papegaaien, handenwringen, tandengeknars en tongbrekers ergens ter wereld, als dat op ons afkwam, of wat zijn er verder voor gelijkenissen met die kindertoestand van barsten en kraken? innerlijkst lamento, rochelende kwaal, ook doodshoofdkussen nietwaar, dit al in de knop zogezegd versleten leven (Russisch woord), ook uitgesleten, analoog aan die heel gelaagde toestand van een gevoel van pijn en lethargie, duisternissen van het lichaam, de liefde voor het vertrouwde weideland, de liefde voor de eigen stad, en het bijkomende verdriet om ervan gescheiden te zijn, de zuchten van het kind als het zag hoe de vuursalamander op zijn hand zo met zijn kleine hagedissenkopje schokte dat het begon te huilen, het kind met de triton, Griekse zeegod, aquarellist, in veel Oostenrijkse families ook trittroller genoemd, met klemtoon op de eerste of tweede lettergreep, wat iets zei over de rang van de familie, het kind met de triton, ik, met mijn haar in slierten, hoe ik steeds de tweewieler verkoos boven elk ander speelgoed, hoe handig en behendig ik me met mijn rechtervoet afzette, en dan met een zwaai, rechtop-gestrekt, allebei mijn voeten op het treeplankje verankerd, als boegbeeld met klare ogen, de wind trotseerde, om zalig weg te stuiven, weg te flitsen, weg te struinen, in een, dacht ik toen, zo adembenemend tempo dat de houten wieltjes angstaanjagend begonnen te piepen … verleden in het tegenwoordige : bedrieglijk nabij, desondanks onbereikbaar, of bedriegt de droom soms met het tegendeel? het knarsende schoeisel scheef geparkeerd tegen de commode in de hal van het ouderlijk huis, lavendel om tegen te blaffen of het hondje : de witte kees en de zooi botten, mijn God, wat daar niet allemaal rondslingerde —
astrale bezigheidsdrang, duisternissen van het lichaam … toen ik in mijn hoofd rondwandelde en mijn grootvader terugvond, hij salueerde in het trappenhuis, de oude man hief zijn hand op tegen zijn bontmuts, sloeg zijn hakken tegen elkaar, ik hoef maar aan iets te denken of het doet zich voor. Lucht ruikt naar vers gebak, het knorrend gekuch, brommerig gesnuif, lispelend gesteun niet waar, een zout- of navertellen in mijn borst, de geluiden achternazitten die in je borst ontstaan, in je hart. Hij, grootvader, in mijn hoofd, deed een paar danspassen op het parket, bleef in het midden van de kamer staan, maar het was een vitusdans, het was zijn vitusdans en ik zag dan zijn zooi botten, hoe dat overal in de behuizing rondslingerde, hoe alles in elkaar zakte, hoe alles verspreid lag over de vloer, geluiden bij beginnende longontsteking, het knisperen, knetteren, ratelen en ritselen, het knarsen en piepen van de kersenboom als ik erin klom, als ik me de lucht in gooide om de eerste kersen te plukken en iedereen, de hele familie naar me omhoog staarde en me bezwoer onmiddellijk naar beneden te komen, een hele zooi botten, gebukt droop ik af, gebukt en verbluft en geschokt, mijn nekspieren, mijn ruggenwervels waren pijnlijk ontwricht, iedere vezel en fase afzonderlijk moest drie weken doorstaan worden, mijn ogen richten zich naar binnen als ik eraan denk; zo zou ik alles terugvinden, ook de gouden vlinders en hoe ik achter ze aan spartelde, niet om ze te vangen, ik herinner me niet er ooit zin in gehad te hebben ze met een net te vangen en daarna op te spelden, nooit ofte nimmer zou ik zo’n teder wonder achterna hebben willen zitten met de bedoeling het in mijn bezit te krijgen of te doden. Ik had een botaniseertrommel van blik om mijn nek hangen, beschilderd met bonte bloemen, maar ik deed er nooit iets in …
later richten ze zich weer naar buiten en zien dat de lente echt begonnen is en de vermeerdering („vermering”, A. Thomkins, 1979) van groen intussen aangekomen is en er is : donker uit een bos tulpen, de fraaie pruimblauwe onweerswolken in de lente, dat beeld was ooit een droom van me, die natuurverbanden, tussen de doorns van de rozen, bezwering van de schaduwen, wat ik van natuurlijke of hemelse dingen gezien heb wil ik bewaren, om maar te zwijgen van de overige betrekkingen (godenplicht, enz.), ik hoef maar aan iets te denken of het doet zich voor, en veel zou ook snel gebeuren, zo mensenvreemd als ik ben. Maar om door te gaan met de obscure geluiden : het gewelfde water van de stuw, in het vertrouwde weideland, het ronde gladde water van de stuw in mijn oor, en hoe het gedurig glansde en ruiste en in beweging stil leek te staan, of het klakken en brullende geloei in het enige café ter plaatse, als de grootste mond het lachpaleis van een stamtafel automatisch in beweging hield, en dan hunkerden ze, een paar ogenblikken tot rust gekomen, al naar het volgende steekwoord om het opnieuw uit te brullen, en altijd maar door …
FEDOR/VADER hield zo van het fluiten van locomotieven dat hij altijd lokomotieftijdschriften thuis liet bezorgen, op zijn verjaardagen kreeg hij van alle familieleden lokomotiefboeken, ik hoor de nachtegaal, ik hoor zojuist een uiltje, de oehoe, de kreten van de vrouwen ik bedoel fazanten, een geblaas, een sneeuw van opwinding, een sikkeneurig wolkengezelschap, `s morgens meteen na het wakker worden het gevoel van verwoesting in mijn hoofd, het verlangen me het vel over de oren te willen halen om weer in te kunnen slapen, niets meer te willen horen en zien, maar in het geheim op zoek naar de ooit zo nijvere fantasie, haar echter nergens kunnen vinden, ze zal zich niet meer voordoen, heeft me opgegeven, verlaten, ach hoe sta ik er bij, een gevoel van volkomen vernedering heeft me in zijn greep, subordinatie op alle vlakken of als literaire underdog groet ik uit mijn verstening enz., het hartverscheurende van de dingen, wie heeft dat gezegd, soms weet ik niet meer waar het vandaan komt, occulte citaten of zo, ononderbroken koerswijzigingen bij het uittikken, het hartverscheurende van de dingen : ik bespeur er een grote zucht naar, maar het komt niet, duisternissen van het lichaam; en keer je terug van een reis, wacht je er vol ongeduld op dat de open wond weer dichtgaat : de pijnlijke ervaringen van ontheemdheid die je dreigden te verminken, de kwellende toestanden van barre vervreemding van jezelf.
De maand mei en het onverwachte, drie kussen in herinnering, en veel zou ook al snel geschied zijn, ik laat me in mijn eigen armen vallen, maar als ik de geringste fout maak, krampt mijn maag of ik slaap slecht, ik heb helemaal niets geschreven alleen de overweldigende lente aanschouwd, elke morgen in de tuin, ik ben door de tuin geslenterd, heb de bomen en bloemen bekeken en ze bewonderd, ze benijdt hoezeer ze zich kunnen vernieuwen zo zonder noemenswaardige inspanning, hoe zwaar valt ons vernieuwing!, heb de hemel door mijn hoofd laten gaan, de scheve irissen, tulpenslangen, granaatbossen, de plant spreekt alles zonder onderbreking, alles door alles wat we nodig hebben zegt ze, maar het ontbreekt ons aan inzicht om het te lezen en te verstaan.
Veel zou ook weldra geschied zijn, ook dat ik achter zijn regels zou hebben kunnen kijken, ik heb het over M. S., ik zie hem voor me met pauwenkap en bleke ogen een wenend kind, dat heb ik goed onthouden, eigenlijk worden we door alles waarvan we houden beschermd, we klommen door de bloemenwirwar, door de vogeltuin, ik verzamelde knoflookblaadjes in de voorjaarswind … ik ben kennisloos ik ben verbeeldingsloos geworden, faal elke morgen aan mezelf. Maar ik heb in zijn gedachten gelezen, of: je kunt heel makkelijk in zijn gedachten lezen, ontglipte me later eens. Misschien was het aan onze nog met elkaar verstrengelde zenuwstelsels toe te schrijven geweest dat we op hetzelfde ogenblik hetzelfde dachten, dezelfde gewaarwordingen kenden, dezelfde reacties vertoonden op gebeurtenissen in de buitenwereld, dezelfde neigingen, dezelfde afkeer openbaarden, het kwam vrijwel neer op volledige dekkingsgraad, zodat ik soms iets van schaamte bespeurde voor een dergelijk dubbelgangerschap, de omstandigheid namelijk me te allen tijde in hem gespiegeld te zien.
Kleine lessenaars altaren, of heb ik niet gezegd dat ze overal in mijn woning te vinden zijn, eigenlijk noodtafeltjes, depots, gemaakt van lege omgestulpte dozen en kisten, van opgestapelde telefoonboeken of zo, van natuurlijk gegroeide stapels van voorwerpen die het toestonden om er nog meer voorwerpen op te zetten, op zo’n ochtend dat je diep in de wanhoop vastgeklonken zit, omdat je geheel verwoest en verloren bent en je je op alle plekken van je ooit zo intacte lijf belachelijk gemaakt voelt door MISVORMING, open je het raam waar je al nauwelijks bij kunt komen omdat het omringd is door rotzooi oefeningen schriften, al wat je überhaupt niet meer nodig hebt maar waar je de kracht niet meer vindt om het van je lijf te houden, op zo’n ochtend dus als je het enige raam opent — : nee, niet om je naar buiten te gooien : zo ver is het nog niet gekomen —, merkt de neus dat de ochtendlucht vervuld is van de geur van verre tuinen en weides … alle, je hebt het zo lang ontbeerd … dan komt het oud geworden koppel duiven aangetrippeld, ik herken de vogels aan twee opvallende details, het ene beestje heeft aan zijn linker poot een mismaakt klauwtje, het andere een kerf in het dons op zijn borst … of heb ik niet gezegd dat ze op en af trippelden op de vensterbank en nieuwsgierig naar mij keken juist op het ogenblik van mijn diepste vernedering en vertwijfeling en ik me erop betrapte me voor te stellen dat FEDOR in een van de twee duiven aan me verschenen was om me troost toe te spreken. Ik voeder de beestjes uit mijn proviandbox die ik altijd bij me heb, maar ze laten het aanbod links liggen, kijken me vragend aan. Ik heb de eerste zwaluw van het huidige jaar voorbij horen schieten, nee niet gezien, ik heb hem niet kunnen zien omdat ik in een boek verdiept was, alleen gehoord, ik heb hem nu eenmaal alleen maar kunnen horen, natuurlijk heb ik meteen opgekeken, mijn hoofd in de richting gerukt waar dat suizen vandaan kwam en waarheen het weggeruist was, ik heb gretig uitgekeken naar deze eerste heftige zwaluwenkreet, maar de vogel was niet meer te zien; ook naar het paartje, maar ze bleven verdwenen, alleen mijn oor ving nog een echo van de zwaluwenkreet op en een echo van het duivengefladder, als een klank uit de verte, etc.
zoals ik me nu voortsleep, of heb ik niet gezegd dat ik alleen in de nachten in de buurt in mijn buurt kom, het lukt me mezelf nabij te zijn : daar lig ik dan op mijn rechterslaap en probeer na te denken, ik weet niet waarover, ik denk over dit en over dat, ik denk over alles na, en daar slaap ik dan ook weer door in, en een keer moest ik een scherp voorwerp, een naald? van mijn bed blazen, die had me mogelijk doorboord terwijl ik bepaalde droomsporen aan het nalopen was, zo word ik omringd door gevaren inderdaad ook ’s nachts, ik weet immers niet of er niet een schilderij loskomt van de muur en op me valt en me doodt of een van die troosteloze affiches op me neerzeilt en de punaises waarmee het in de afbrokkelende kalk van de muur bevestigd was in mijn gapende mond strooit zodat ik ze de volgende ochtend daar aantref, maar het ergste was het om me voor te stellen dat ik ’s nachts de punaises buiten mijn bewustzijn om ingeslikt had, dus tijdens het slapen, en wat voor gevolgen die bevinding dan gehad zou kunnen hebben, ik bedoel woedende gevolgen, etc.
een duivelse, air- of treurmuziek vermoedelijk, dat soort stemmen hoor ik steeds weer, ik vraag me af of ik behept ben met een productiewaan, hoe je zo iets opschrijven kunt … het wakkere leven is me ontschoten, ik leg nooit een thema, een gespreksonderwerp op tafel, daar ben ik veel te schuchter voor, daar ben ik niet zeker genoeg voor, maar ik zuig de hele tijd andere mensen uit, als ze praten, als ze schrijven, in het diepe mais. Een soort onbehagen, ook overijldheid als de kamer om me heen begint te draaien, of helemaal dreigde in te storten ’s nachts, ik zonk steeds weer weg in zijn blik, ik heb het over M. S., en ik merkte dat de gesprekken, het messen slijpen, het scherpen van de klingen, het scherpen en woelen van de gedachten alleen nog maar provisorisch, of sporadisch, wilde lukken. Heb ik niet gezegd dat ik een aanloop moest nemen om hem bij te benen en houden, dat ik de vaardigheid verloor om bruggen tussen gedachtenpijlers te slaan, dat alles dan mislukte, dat ik dan alleen nog maar achter hem aan kon sjokken, me achter hem aan kon slepen, dat ik me uiteindelijk alleen nog maar door hem, in hem, meende te kunnen terugvinden, wat me een gevoel bezorgde van diep smartelijke angst en afhankelijkheid, ik zag mijn vingers en tenen afvallen, verrekte mijn hoofd of in het keizerlijf, achter de witgrijze glasgordijnen van een caféraam zag ik het blekken van een jonge blondine, in een afgelegen verleden ik weet niet, haar jurk was haar jurk haar mantelhuid, voortdurend wisselend van groen naar blauw later naar roze.

 


Lees ook de inleiding.

Over de auteur:

Friederike Mayröcker (1924) geldt als een van de grootste dichters in het Duits taalgebied. Ze schreef radiohoorspelen, proza en poëzie. Recente publicaties: Scardanelli (gedichten, 2009), ich bin in der Anstalt. Fusznoten zu einem nichtgeschriebenen Werk (proza, 2010), vom Umhalsen der Sperlingswand (gedichten, 2011), Von dem Umarmungen (gedichten, 2012), Etudes (gedichten en lyrisch proza, 2013)

Over de vertaler:

Ton Naaijkens (1953) is vertaler, essayist, redacteur van de tijdschriften Filter en Terras en hoogleraar Duitse literatuur en vertalen aan de Universiteit Utrecht. Hij vertaalde werk van Robert Musil, Paul Celan en Ernst Meister. In 2016 verscheen zijn vertaling van de bundel Chicxulub Paem van Daniel Falb.