thema:

In het krijt

Vertaling:

Vandaag werd ik gebeld door een mevrouw. Ze zei dat ze in het bezit was van haar familiearchief. Ze had gehoord dat ik schrijfster was. Ze vroeg zich af of ik haar kon helpen iets te schrijven over haar grootvader, een beroemde vernieuwer en dromer van het Jiddische theater. Ik zei dat ik alles wat ik over het Jiddische theater wist al had gebruikt bij het schrijven van een verhaal, en dat ik geen tijd had nog meer te leren, en er dan over te schrijven. Er zit bij mij een lange tijd tussen weten en vertellen. Ze bood een deel van de winst aan, maar dat is veel te kunstmatig. Ik zou nooit overhaast literatuur maken van haar grootvaders leven, in welke vorm dan ook.

De volgende dag ging ik koffiedrinken met Lucia, een vriendin, en hadden we het over deze vrouw. Lucia legde me uit dat het waarschijnlijk lastig was om op je zestigste of zeventigste een familiearchief of verhalen over opmerkelijke grootouders of ooms te hebben als je geen schrijver in de familie had en de kinderen allemaal midden in hun eigen levens zaten. Ze zei dat het zonde was als deze nalatenschap enkel en alleen vanwege je eigen sterfelijkheid zou verdwijnen. Ik zei ja, ik begreep het. We dronken meer koffie. Toen ging ik naar huis.

Ik dacht na over ons gesprek. Feitelijk was ik de mevrouw die gebeld had niets verschuldigd. Het zou kunnen dat ik mijn eigen familie en de familie van mijn vrienden wel iets verschuldigd was. Namelijk, om hun verhalen zo simpel mogelijk te vertellen en zo, zou je kunnen zeggen, een paar levens te redden.

Omdat het haar idee was, is het eerste verhaal van Lucia. Ik vertel het zodat sommige mensen zich Lucia’s grootmoeder blijven herinneren, en haar moeder, die in dit verhaal acht of negen is.

De grootmoeder heette Maria. De moeder heette Anna. Ze woonden aan Mott Street in Manhattan in de vroege jaren 1900. Maria was getrouwd met een man die Michael heette. Hij had hard gewerkt, maar pech en nare herinneringen hadden hem in het krankzinnigengesticht op Welfare Island doen belanden.

Iedere morgen ondernam Anna de lange reis met de tram en de trein en nog eens de tram om hem zijn warme maaltijd te brengen. Hij kreeg het eten in het gesticht niet door zijn keel. Als Anna de geplaveide straten van Manhattan verliet en over de brug naar het platteland van Welfare Island reed, was ze altijd vol verwondering. Ze speelde een hele poos aan de groene oevers van de rivier. Ze plukte wilde bloemen in de velden, en ging dan naar de mannenafdeling.

Op een middag kwam ze binnen, net als altijd. Michael voelde zich erg zwakjes en vroeg of hij met zijn rug tegen haar aan mocht leunen en ze hem wilde ondersteunen terwijl hij op de rand van het bed zijn avondeten opat. Dat deed ze, en zo gebeurde het dat hij, toen hij achteroverviel en stierf, in haar magere armpjes kwam te liggen. Hij was erg zwaar. Zo hield ze hem vast, maar een minuutje of twee, en liet hem toen op bed vallen. Ze lichtte een verpleegster in en ging naar huis. Ze huilde niet omdat ze hem niet aardig vond. Ze sprak eerst met iemand uit de buurt, en samen vertelden ze het haar moeder.

Nu volgt het belangrijkste deel van het verhaal:

Deze Michael was niet haar vader. Haar vader was overleden toen zij klein was. Maria probeerde, samen met de andere kleine kinderen, zo goed en zo kwaad als het ging de moeilijke tijd door te komen. Ze trok in bij verschillende families in de buurt met wie ze een goede band had en hielp hard mee in hun huishoudens. Ze kon goed werken, en stond ook nog eens bekend om het lekkere brood dat ze bakte. Vaak ging het zo dat ze een tijdje in huis woonde bij een goede vriendin en de verrukkelijkste broden bakte. Maar algauw zei de man des huizes dan: “Maria bakt van dat heerlijke brood. Waarom leer jij niet zulk brood bakken?” Vermoedelijk leek hij haar daarna ook op andere manieren te bewonderen. De vrouw vroeg Maria dan wijselijk om alsjeblieft op zoek te gaan naar een ander huis.

Op een dag tijdens het straatfeest in de lente, ontmoette ze een man die Michael heette, familie van vrienden. Ze konden niet met elkaar trouwen omdat Michael een vrouw in Italië had. Om met hem te kunnen samenwonen, zette Maria de volgende waarheden op een rij voor haar logisch redenerende hoofd:

1. Deze Michael was lang en had een vreemd litteken op zijn schouder. Haar man was opvallend lang geweest en had een litteken op zijn schouder gehad.
2. Deze man had rood haar. Haar overleden man had rood haar gehad.
3. Deze man was kleermaker. Haar man was kleermaker geweest.
4. Hij heette Michael. Haar man had Michael geheten.

Door op deze manier haar eigen verstand te overtuigen, hoefde Maria niet alleen door het leven te gaan in een belangrijke levensfase, had ze een vader ter vorming van haar kinderen, een man in haar bed voor troost, een echtgenoot om te dienen. Desondanks, ook al stierf hij in haar armen, mocht Anna, het kind, hem totaal niet. Dat was jammer, want hij had haar altijd ‘mijn kleine meid’ genoemd. Iedere dag dat ze hem bezocht, had ze hem aangetroffen, wachtend in de hal, of op de rand van zijn witte bed, en had ze geroepen, ‘Hé, Zio, hier is je eten. Het komt van mama. Ik moet weer gaan.’

Over de auteur:

Grace Paley (1922-2007) was een Amerikaanse schrijfster, dichteres en politiek activiste. Paley is vooral bekend om haar korte verhalen, waar zij de Guggenheim Fellowship voor heeft gekregen en meerdere prijzen voor heeft gewonnen, zoals de Rea Award for the Short Story.

Over de vertaler:

Anne Roetman (1988) heeft Nederlandse Taal en Cultuur gestudeerd aan de Universiteit Utrecht. Na een pre-mastertraject Engels heeft zij de Master Vertalen gevolgd, waarbij zij zich vooral richtte op literair vertalen. In 2011 won Anne de Talentbeurs Literair Vertalen van het Nederlands Letterenfonds.