thema:

Het Museum voor Zinloze Pogingen

Vertaling:

Elke middag ga ik naar het Museum voor Zinloze Pogingen. Ik vraag om de catalogus en neem plaats aan de grote houten tafel. De pagina’s zijn een beetje vervaagd, maar ik vind het leuk mijn ogen er langzaam overheen te laten glijden, alsof ik de bladzijden van de tijd omsla. Ik tref daar nooit iemand aan die zit te lezen; daarom besteedt de medewerkster zeker zoveel aandacht aan mij. Ik ben een van de weinige bezoekers en word door haar verwend.  Ze is vast bang haar baantje kwijt te raken omdat er zo weinig mensen komen. Voordat ik naar binnen ga kijk ik goed op het bordje dat op de glazen deur hangt: Openingstijden: Ochtenden van 9 tot 14 uur. Middagen van 17 tot 20 uur. Maandag: gesloten.

Hoewel ik vrijwel altijd al weet welke Zinloze Poging ik wil raadplegen, vraag ik toch om de catalogus, dan heeft het meisje tenminste iets te doen.

‘Welk jaar wilt u?’ vraagt ze beleefd.

‘De catalogus van negentientweeëntwintig,’ antwoord ik dan bijvoorbeeld.

Even later komt ze aan met een in rood leer gebonden, dik boek, dat ze op de tafel legt ter hoogte van mijn stoel. Ze is heel aardig, en wanneer ze denkt dat er te weinig licht door het raam komt, knipt ze zelf de bronzen lamp met het groene, tulpvormige kapje aan en plaatst hem zo dat het licht op de bladzijden van mijn boek valt. Soms maak ik een kleine opmerking als ik haar het boek teruggeef. Ik zeg bijvoorbeeld: ‘Negentientweeëntwintig was een druk jaar. Veel mensen deden Zinloze Pogingen. Hoeveel delen zijn er?’

‘Veertien,’ antwoordt ze professioneel.

Dan bekijk ik een paar van die Zinloze Pogingen uit dat jaar, en ik zie kinderen die proberen te vliegen, mannen die zich inspannen om rijkdom te vergaren, complexe mechanieken die nooit hebben gefunctioneerd, en talloze echtparen.

‘Negentienvijfenzeventig was een veel beter jaar,’ vertelt ze me een beetje treurig. ‘We hebben nog niet alle binnengekomen berichten  geregistreerd.’

‘De sorteerders hebben zeker veel werk,’ zeg ik, hardop denkend.

‘O, ja,’ antwoordt ze. ‘Ze zijn nog maar bij de letter C en er is al een aantal delen gepubliceerd. En dan heb ik de herhalingen niet meegerekend.’

Merkwaardig dat Zinloze Pogingen wel worden herhaald, maar niet in de catalogus worden opgenomen. Ze zouden te veel ruimte innemen. Een man heeft zeven maal geprobeerd te vliegen met behulp van allerlei apparaten; sommige prostituees wilden een andere baan; een vrouw wilde een schilderij maken; iemand deed zijn best zijn angst kwijt te raken; bijna iedereen probeerde onsterfelijk te worden of leefde alsof hij het al was.

De medewerkster verzekert me dat slechts een miniem aantal Zinloze Pogingen in het museum terecht komt. In de eerste plaats omdat de regering niet genoeg geld heeft, waardoor er vrijwel niets kan worden aangekocht of geruild en het werk van het museum niet kan worden verspreid in binnen- en buitenland. In de tweede plaats omdat er door de uitzinnige hoeveelheid Zinloze Pogingen die er de hele tijd worden gedaan, veel mensen moesten werken zonder op een vergoeding of begrip bij het publiek te kunnen rekenen. Uit wanhoop over het uitblijven van officiële hulp, heeft men soms een beroep gedaan op het privé-initiatief, maar met weinig en ontmoedigend resultaat. Virginia – zo heet het leuke meisje van het museum dat altijd een praatje met me maakt ‒ zegt dat de particulieren op wie ze een beroep deden altijd bijzonder veeleisend en weinig begripvol waren, en zo de betekenis van het museum geweld aandeden.

Het gebouw staat aan de rand van de stad op een kaal veld vol katten en vuilnis, waar je vlak onder het aardoppervlak nog kanonskogels uit een verre oorlog kunt vinden, verroeste handgrepen van zwaarden of een enkele, door de tijd aangevreten ezelskinnebak.

‘Heeft u een sigaret voor me?’ vraagt Virginia met een gezicht dat haar begeerte niet kan verhullen.

Ik voel in mijn zakken. Ik vind een oude, licht beschadigde sleutel, de afgebroken punt van een schroevendraaier, het retourkaartje van de bus, een knoop van mijn overhemd, een paar munten, en tot slot twee verfrommelde sigaretten. Tussen de dikke boeken met afgebladderde ruggen, de digitale klok aan de wand die altijd een verkeerd, meestal vervlogen, tijdstip aangeeft, en de stoffige lijsten verstopt, rookt ze er stiekem een. Men denkt dat op de plek waar nu het museum zich bevindt, vroeger, in oorlogstijd, een fort stond. Er is handig gebruik gemaakt van de grote keien van de fundering en van een paar balken, en de muren zijn gestut. Het museum is in 1946 geopend. Er zijn nog wat foto’s van de plechtigheid: heren in rokkostuum en dames in lange, donkere rokken, met namaakjuwelen en hoeden met vogels of bloemen erop. Op de achtergrond stel je je een salonorkest voor; de genodigden hebben iets plechtigs en belachelijks tegelijk, alsof ze een taart versierd met de nationale vlag aansnijden.

Ik ben vergeten te vertellen dat Virginia een beetje scheel is. Dit kleine foutje geeft haar gezicht iets komisch waardoor ze minder naïef lijkt. Alsof de afwijking van haar blik een los van de context zwevend, sterk humoristisch commentaar is.

De Zinloze Pogingen staan op alfabet gerangschikt. Als alle letters zijn gebruikt, worden er cijfers aan toegevoegd. Het is een lang en ingewikkeld systeem. Elke Poging heeft zijn vakje, zijn pagina en zijn beschrijving. Virginia, die zich met het grootste gemak tussen alles door beweegt, lijkt net een priesteres, de maagd van een oude, uit de tijd losgeweekte eredienst.

Sommige Zinloze Pogingen zijn mooi, andere treurig. We zijn het niet altijd eens over deze indeling.

Toen ik een van de delen doorbladerde, ontdekte ik een man die tien jaar lang had geprobeerd zijn hond te laten praten. Een andere man had er twintig jaar aan besteed om een vrouw te veroveren. Hij bracht bloemen, planten en vlindercatalogi voor haar mee, hij bood haar reisjes aan, schreef gedichten, maakte liederen, bouwde een huis, vergaf haar al haar fouten, verdroeg haar minnaars, en pleegde toen zelfmoord.

‘Dat is een zware klus geweest,’ zeg ik tegen Virginia. ‘Maar wellicht was het een stimulerende.’

‘Het is een treurig verhaal,’ antwoordt Virginia. ‘Het museum bezit een volledige beschrijving van die vrouw. Ze was een frivool, wispelturig, onevenwichtig, lui en rancuneus meisje. Haar inlevingsvermogen liet veel te wensen over en ze was nogal egoïstisch.’

Er zijn mannen die lange reizen hebben gemaakt op zoek naar niet bestaande plaatsen en niet terug te halen herinneringen, naar overleden vrouwen en verdwenen vrienden. Er zijn kinderen die vol enthousiasme aan onmogelijke taken begonnen. Bijvoorbeeld die kinderen die een kuil groeven die steeds weer vol water kwam te staan.

In het museum is het verboden te roken en te zingen. Dit laatste verbod lijkt Virginia even dwars te zitten als het eerste.

‘Ik zou graag af en toe een liedje zingen,’ bekent ze nostalgisch.

Mensen wier Zinloze Poging eruit bestond hun stamboom te reconstrueren, in mijnen te wroeten op zoek naar goud, een boek te schrijven. Anderen hoopten de loterij te winnen.

‘Geef mij de reizigers maar,’ zegt Virginia.

Hele afdelingen van het museum zijn aan die reizen gewijd. We reconstrueren ze op grond van de pagina’s in de boeken. Na een tijdje te hebben rondgezworven over allerlei zeeën, na donkere bossen te hebben doorkruist, steden en markten te hebben leren kennen, bruggen te zijn overgestoken, in treinen of op bankjes op het perron te hebben geslapen, vergeten de reizigers wat het doel van hun reis ook weer was, maar ze reizen wel verder. Op een dag zijn ze spoorloos, of zonder een herinnering achter te laten verdwenen bij een overstroming, vastgelopen in een metro of voor eeuwig ingeslapen in een portiek. Niemand vraagt naar hen.

‘Vroeger,’ vertelt Virginia, ‘had je een paar particuliere onderzoekers, amateurs die het museum van materiaal voorzagen. Ik kan me zelfs nog een tijd herinneren dat het in de mode was Zinloze Pogingen te verzamelen, zoals je postzegels of mierennesten verzamelt.’

‘Ik geloof dat hun belangstelling is teruggelopen door de overdaad aan materiaal,’ verklaart Virginia. ‘Het is alleen spannend om naar dingen te zoeken die weinig voorkomen, om iets zeldzaams te vinden.’

In die tijd kwamen er mensen uit andere plaatsen naar het museum en vroegen om  inlichtingen omdat ze belangstelling hadden voor een bepaald geval; ze vertrokken met stapels folders en kwamen weer terug met verhalen die ze hadden laten afdrukken, met de bijbehorende foto’s erbij: Zinloze Pogingen die ze naar het museum brachten, zoals vlinders of vreemde insecten. Bijvoorbeeld de geschiedenis van een man die vijf jaar lang zijn best had gedaan om de oorlog te ontlopen, tot zijn hoofd eraf werd geschoten door de eerste de beste kanonskogel. Of Lewis Carroll die zijn hele leven lang tocht probeerde te vermijden, en die stierf aan een verkoudheid omdat hij op een dag zijn regenjas was vergeten.

Ik weet niet of ik al verteld heb dat Virginia een beetje scheel is. Ik zit vaak voor mijn plezier de richting van haar blik te volgen waarvan ik niet weet waar hij naartoe gaat. Als ik haar met een stapel papier, boeken of allerlei soorten documenten door de zaal zie lopen, is opstaan en haar helpen wel het minste wat ik kan doen.

Soms klaagt ze een beetje midden onder het werk.

‘Ik heb genoeg van dat heen en weer lopen,’ zegt ze. ‘We kunnen ze toch nooit allemaal indelen. En dan ook nog de kranten, die staan vol Zinloze Pogingen.’

Zoals de geschiedenis van die bokser die vijf maal probeerde zijn titel te heroveren tot hij werd gediskwalificeerd wegens een foute klap op zijn oog. Die zwerft nu vast in een ellendige achterbuurt van café naar café en denkt terug aan de tijd toen hij nog goed kon zien en zijn klappen dodelijk waren.  Of de geschiedenis van een trapezewerkster met hoogtevrees, die niet naar beneden kon kijken. Of het verhaal van een dwerg die wilde groeien en overal naartoe reisde om een dokter te vinden die hem kon helpen.

Als Virginia genoeg heeft van het verplaatsen van boeken, gaat ze op een stapel stoffige oude kranten zitten, rookt een sigaret  ̶  stiekem, want het is verboden  ̶  en denkt hardop na.

‘Er zou nog een medewerker moeten worden aangenomen,’ zegt ze gelaten.

Of: ‘Ik weet niet wanneer ik deze maand mijn loon krijg.’

Ik heb haar voorgesteld samen een wandeling te maken door de stad, ergens koffie te drinken of naar de film te gaan. Dat wil ze niet. Ze wil alleen met me praten tussen de grijze, stoffige muren van het museum.

De tijd verstrijkt, maar ik merk het niet omdat ik me elke middag zo uitstekend vermaak. Alleen maandag is een dag van treurnis en onthouding, dan weet ik niet wat ik moet doen en hoe ik moet leven.

Het museum gaat om acht uur ’s avonds dicht. Virginia steekt zelf de eenvoudige sleutel in het slot; ze neemt geen enkele voorzorgsmaatregel want wie zou nou proberen het museum binnen te dringen? Toch is het een keer gebeurd, vertelt Virginia me. Een man wilde zijn naam uit de catalogus weghalen. In zijn puberteit had hij een Zinloze Poging gedaan en daar schaamde hij zich nu voor. Hij wilde dat er geen spoor van achterbleef.

‘We hebben hem op tijd ontdekt,’ vertelt Virginia. ‘Het was moeilijk hem van zijn voornemen af te brengen. Hij hamerde erop dat zijn Poging een privézaak was en hij wilde dat we die aan hem teruggaven. Ik heb mijn poot stijf gehouden. Het was een zeldzaam stuk, bijna een collector’s item, het zou een groot verlies voor het museum zijn geweest als die man zijn zin had gekregen.’

Wanneer het museum sluit, verlaat ik het gebouw met een gevoel van melancholie. In het begin vond ik dat het ondraaglijk lang duurde voor het de volgende dag was. Maar ik heb leren wachten. Ik ben ook gewend geraakt aan de aanwezigheid van Virginia en ik kan me niet voorstellen hoe het museum zonder haar zou kunnen bestaan. Ik weet dat de directeur (die man daar op de foto met een tweekleurige sjerp over zijn borst) er ook zo over denkt, want hij heeft besloten haar promotie te laten maken. Omdat er geen officiële salarisschaal bestaat, heeft hij een nieuwe functie bedacht, eigenlijk dezelfde als de oude, maar met een nieuwe naam. Hij heeft haar tot Tempelpriesteres benoemd en haar gewezen op het heilige karakter van haar missie: bij de ingang van het museum de vluchtige nagedachtenis van de levenden bewaken.

 

Over de auteur:

Cristina Peri Rossi, Montevideo, Uruguay, 1941, is in de eerste plaats bekend als dichteres, maar heeft ook romans, korte verhalen en essays geschreven. Verder is ze actief als vertaalster en journaliste. In 1972 vertrok ze als balling naar Spanje. Tegenwoordig heeft ze de Spaanse nationaliteit en woont in Barcelona. Haar grootste vriend onder de Latijns-Amerikaanse schrijvers was Julio Cortázar. Ze wordt een geëngageerde, feministische schrijfster genoemd, die haar verhalen lardeert met scherpzinnige humor. Ze heeft prijzen gekregen zowel voor haar poëzie als voor haar korte verhalen. Van Peri Rossi zijn tweedehands te vinden: Vreemde vliegende voorwerpen (De Wereldbibliotheek) en Het woord de dans ontsprongen (De Balie/ CCC, Centrum voor Latijns Amerikaanse Cultuur).

Over de vertaler:

Mariolein Sabarte Belacortu (1944). Sinds 1969 literair vertaalster Spaans – Nederlands. Enkele auteurs uit Spanje: Camilo José Cela, Félix de Azúa en Belén Gopégui en Juan Marsé. Een grote stroom uit Latijns-Amerika, zoals Roberto Arlt, Jorge Luis Borges en Julio Cortázar uit Argentinië, Gabriel García Márquez en Álvaro Mutis uit Colombia, José María Arguedas en Mario Vargas Llosa uit Peru, Juan Carlos Onetti en Felisberto Hernández uit Uruguay, Juan Rulfo, Carlos Fuentes, Carlos Arriaga en Jorge Volpi uit Mexico. Vertaalt al vele jaren poëzie voor Poetry International in Rotterdam, met als hoogtepunt de Argentijn Roberto Juarroz, van wie de bloemlezing Verticale Poëzie is uitgekomen bij uitgeverij Wagner en Van Santen.