thema:

Het voorwerp: het letterlijke en het figuurlijke

Vertaling:

Véronique Pittolo omschrijft haar werk als poëtisch proza met een verhalende component. Ze onderzoekt naar eigen zeggen de grenzen en kenmerken van fictie, waarbij ze vaak het begrip personage als uitgangspunt neemt. Daarbij wordt het onderscheid tussen poëzie en proza geslecht en herinterpreteert ze motieven die iedereen kent (Shrek, Roodkapje, filmsterren), gebruikmakend van déjà vu gevoelens, ons collectieve onderbewustzijn, ons gezamenlijk erfgoed. Ze schept graag fictie waar die al bestond door procédés als vernieuwing en uitbreiding.

De boeken van Véronique Pittolo kunnen worden gelezen als suggesties die iets wakker roepen in de lezer, iets wat deze al wel kende, maar min of meer vergeten was (‘Gary Cooper ne lisait pas de livres’, ‘Opéra isotherme’, ‘Hélène mode d’emploi’, ‘La révolution dans la poche’). Ze zoekt een antwoord op de vraag hoe we moeten reageren op een wereld die overloopt van referenties.

De hiernavolgende tekst werd niet eerder gepubliceerd. (Kim Andringa)

_________________________________________________________

 

 

Francis Ponge heeft de garnaal, het water, het brood bestudeerd als onderwerpen die onze aandacht verdienen, hij heeft de kleine dingen op een voetstuk geplaatst.

Ik heb liever echt brood dan het brood van Chardin, maar ik kan beide waarderen.

 

Het letterlijke is eenvoudig, alledaags, zoals het zich aandient, het figuurlijke heeft een verpakking.

 

Het voorwerp is overal, veelvormig, reëel, virtueel. Mijn bureau leegmaken lukt van geen kanten, mijn zakken, mijn huis, mijn tassen puilen uit met computermateriaal. De bedoeling is dat we het hinderlijke schiften van het noodzakelijke, wat we weggooien van wat we bewaren, elektronica en huishoudapparatuur in de recycling-emmer.

 

Herinneringen kunnen we niet schiften als voorwerpen, behalve die foto’s waar we niet meer naar kijken, een meubel hier en daar, een versteld kledingstuk.

 

Verzamelaars vergaren voorwerpen die na hun dood voortbestaan. Van mijn grootvader krijg ik een medaillon, de armband van een tante, het gelukspoppetje van mijn Afrikaanse oom. Onzichtbaar blijft het opgevouwen linnen liggen in de linnenkast, geparfumeerd als het witte ondergoed van de kostschoolleerlingen, het flanelletje van de arbeider.

 *     *     *

 

Een la openschuiven is de plaats van de vergeten voorwerpen ontdekken: de spijker, de batterij, de kaars, de gebruiksaanwijzing van een wasmachine. Geen ervan verdient langdurige aandacht.

 

 

Zodra we er belang in stellen, wordt het voorwerp een kunstwerk.

 

Waarom zegt men in de schilderkunst nature morte, terwijl we de natuur nog zien leven, buiten, het bewegen van de Seine, telkens als we stilstaan voor de fruitschaal van Cézanne? In het Louvre, bij de vrouw met het kamerscherm, blijft mijn blik haken aan het onbeduidende witte kraagje dat de kunstenaar heeft bekoord. Een vrouw en een fruitmand, het is niet hetzelfde, maar ze krijgen dezelfde behandeling. De muze heeft het stadium van lustobject achter zich gelaten, we zien in plaats daarvan alleen een schilderij, zoals Picasso’s Jacqueline, die je niet zou hebben herkend als je haar op straat was tegengekomen.

 

 

 

Strandvangst of restaurantgerecht, op die identiteit wordt Ponges garnaal teruggeworpen, hij staat op geen enkel schilderij afgebeeld.

Chardins brood was het brood van Emmaüs, ongebroken, aan geen pelgrim uitgedeeld. Je zou niet nature morte moeten zeggen, want het meesterwerk leeft voort na mijn verscheiden.

 

 

De appel en de berg van Cézanne zijn identiek. De kunstenaar heeft zijn blik op het landschap vernauwd tot een vrucht die hij niet zal eten. Hij is dan al dood. De mens gaat altijd eerder dood dan het ding.

 

 *     *     *

 

Ik heb liever Chardins figuren dan zijn ijzige voorwerpen, de zittende jongeman. Hij staat bekend om zijn stillevens, maar moet een voortreffelijk portretschilder zijn geweest (meisjesachtig profiel van de jongeman voor het kaartenhuis).

 

Alleen Picasso heeft een vaas geschilderd als een vrouw met kromme ledematen, Jacqueline, minder mooi dan de lamp, dan de stoel waarop ze, naakt, poseerde.

 

Het voorwerp dat ik zou meenemen naar een onbewoond eiland is Chardins zilveren kroes, of de verlegen jongeman op een reproductie.

 

 

Op harde schijven zijn miljarden gegevens te vinden, maar geen enkel voorwerp dat zich beet laat pakken.

Over de auteur:

Véronique Pittolo (1960) is schrijfster en kunstcriticus. Ze schrijft poëtisch proza waarbij ze graag uitgaat van bekende personages en referenties. In 2004 kreeg ze de pëzieprijs van de Société des Gens De Lettres toegekend en in 2009 de Prix Yvan Goll. Recent verschenen Toute Résurrection commence par les pieds, (2012) en On sait pourquoi les renards sont roux, (2012). In 2014 zal Véronique Pittolo te gast zijn op Poetry international.

Over de vertaler:

Rokus Hofstede (1959). Recente vertalingen: Georges Pérec Tips en wenken voor wie zijn afdelingschef om opslag wil vragen (proza, 2011), Pierre Bergounioux B-17 G (proza, 2010), Michel Houellebecq & Bernard-Henri Lévy Publieke vijanden (brieven, 2009). Zie www.hofhaan.nl