thema:

Hoekposten

Vertaling:

Communiceren? Jij wilt ook al communiceren? Wat wil je dan communiceren? Je stutsels? Dezelfde vergissing steeds weer. Jullie wederzijdse stutsels?
Je bent nog niet intiem genoeg met jezelf, ongelukkige, om iets te communiceren te hebben.
 
 
Nieuws van de planeet der rustelozen: met een draadje aan hun poot reizen ze in vliegende draf af naar de maan, met duizend draadjes liever gezegd, ze zijn er, ze doen hun maandlanding en al meteen dromen ze van verder weg, verder weg, duizendmaal duizendmaal verder weg, aangetrokken door het nieuwe verlangen waaraan geen eind meer zal komen, in een uitdijend heelal. Intussen wervelen immense massa’s onvermoeibaar op volle snelheid rond in de hemelruimte, ze wijken, ontlopen elkaar, trekken elkaar aan, houden elkaar in evenwicht, cirkelen rond, muteren, reuzen van kolkende materie, tot en met de explosie, tot en met de implosie, verbeten strijdend om het bestaan, het bestaan om het bestaan, om miljarden jaren door te blijven bestaan, sterren allerhande en melkwegstelsels, die ook zelf in die drang om te bestaan worden meegesleept.
Maar waarom toch? Waarom?
 
 
Zelfmoord in satelliet.
Wie ooit weer in die baan wordt gebracht, zal vreemde geluiden horen: een spookastronaut geplaagd door dwanggedachten seint onophoudelijk, over miljoenen kilometer ruimte waar niemand is, een niet te begrijpen laatste boodschap.
 
 
In een museumvitrine, een grote hond, stevig overeind op zijn vier poten. Het dier is kalm, de blik arrogant, ongelofelijk arrogant, een schepsel dat zich niet laat imponeren. Als je op straat zulke honden tegenkwam, zouden heel wat mensen voortaan bij voorkeur binnen blijven.
Een klein opschrift, in een hoekje op de ruit geplakt, leert ons dat we in equatoriaal Afrika zijn, dat de hond een leeuw is en de leeuw een Koning.
De schilder, onderdaan van een gevreesd heerser, heeft geen superieure levenskracht uitgebeeld, heeft dat ook niet willen doen, vond dat vast onnodig. Het teken was voldoende. De Koning is degene die de ogen doet neerslaan. Koningschap: recht op arrogantie.
Dat soort blikken kom je niet meer tegen, een detail dat datering mogelijk maakt.
 
 
Op een smal weitje grazen een koe en een paard. Ze nemen hetzelfde voedsel tot zich, ze delen dezelfde plek, ze behoren toe aan dezelfde baas en ze worden door dezelfde jongen op stal gezet. Toch zijn koe en paard niet ‘samen’. De een eet het gras aan zijn kant, de ander aan de andere zonder dat ze naar elkaar kijken, ze verplaatsen zich traag, houden steeds afstand, en komen ze toch bij elkaar in de buurt, dan lijken ze elkaar niet op te merken.
Geen enkel contact – ze zijn niet in elkaar geïnteresseerd – maar ook geen agressie, geen ruzie, geen kribbigheid.
 
 
Hoog uit de lucht valt een man. Zijn snelheid neemt gestaag toe, een snelheid  waarop hij geen rem kan zetten, generlei rem.
Aan de tijd die hem rest wordt in stilte geknaagd.
Omlaag nu, alleen omlaag.
De grond daarbeneden begint aan verte te verliezen, vertoont her en der oneffenheden, schaduwen, iets wat beslist duidt op nadering, op een vervaarlijke nadering…
Het soort betrekkelijke behaaglijkheid van de grote hoogtes is verdwenen.
De komende gebeurtenissen beginnen de ruimte van het heden te betreden. Daarbeneden doen de details zich nu in groter getale voor, ze drukken zich steeds dichter tegen elkaar aan… weldra ook tegen hem.
Het is nu niet ver meer, misschien elf seconden, misschien negen of nog maar acht.
De grond, wat heeft de grond een haast ineens!… om een man tegen te komen, één maar, want op dit moment zijn er in de lucht geen andere, tenminste geen zichtbare. Er wordt niet meer op hem geschoten. Hoeft niet meer, helemaal niet meer.
Soldaat S. sluit zijn ogen, hij heeft nu wel genoeg gezien.
In zekere zin valt hij al jaren, soldaat S.
 
 
Hoe beter het schrijven je afgaat (als je schrijft), hoe verder je afraakt van de vervulling van het zuivere, krachtige, oorspronkelijke verlangen, het zo fundamentele verlangen om geen sporen na te laten.
Welke voldoening weegt daar tegenop? Als schrijver doe je precies het tegendeel, moeizaam het tegendeel!
 
 
De belangrijke uren zijn de onbeweeglijke uren. Die stilgezette stukken tijd –hoegenaamd dode minuten – zijn het waarachtigste wat je hebt, het waarachtigste wat je bent, omdat je ze niet bezit, omdat je er niet door wordt bezeten, momenten zonder eigenschappen en die je niet zou kunnen ‘weergeven’ – horizontale uitgestrektheid boven bodemloze putten.
 
 
Bomen rillen fijner, ruimer, soepeler, sierlijker, oneindiger dan man of vrouw op deze aarde en bieden meer verlichting.
Angsten, benauwenissen, zorgen, zwaarmoedigheid, innigheden, niet onder woorden te brengen emoties – er hoeft maar een zuchtje wind te staan en bomen weten ze te begeleiden.
Het waardevolle, het werkelijk waardevolle wordt onbewust uitgedeeld en ontvangen zonder tegenprestatie.
 
 
Waarom gesprekken? Waarom zoveel woorden wisselen, urenlang? We vallen terug op onze naaste omgeving en hebben het met naasten over naasten, om het heelal te vergeten, het al te nietig makende heelal, zoals ook het al te hinderlijke innerlijk, onontwarbaar kluwen van het intieme dat geen vorm heeft.
 
 
Heer tijger, het is trompetgeschal in heel zijn wezen als hij zijn prooi ontwaart, het is sport, jacht, avontuur, bestorming, lotsbestemming, bevrijding, vuur, licht.
Opgezweept door honger springt hij.
Wie durft zijn eigen seconden daarmee te vergelijken?
Wie heeft in heel zijn leven ook maar tien tijgerseconden gehad?
 
 
Drijf, zolang dat mogelijk is, je nederlagen tot het uiterste, tot je er van walgt. Dan zal, als de magie verbroken is, wat overblijft – er moet iets zijn – je niet meer schaden. Zo kun je je eruit redden, als je je eruit wilt redden. Als je daar echt op staat. Verzadiging. Ervóór heb je geen afdoende verweermiddel, contemplatie niet, kritiek niet. En erna, nauwelijks nog problemen.
 
 
 
Uit: Poteaux d’angle, Gallimard 1981.

Over de auteur:

Henri Michaux (1899-1984), Frans dichter en grafisch kunstenaar van Belgische origine. Ter gelegenheid van een tentoonstelling van Michaux in het Stedelijk Museum Amsterdam maakte Gerrit Kouwenaar in 1964 als eerste een bloemlezing van vertaalde poëziefragmenten. Sindsdien volgden vertalingen van onder meer Laurens van Crevel, Fritzi Harmsen van Beek, Jacq Vogelaar, Piet Meeuse, Peter Verstegen, Ernst van Altena, Maarten van Buuren, Martine Vosmaer en Jan Pieter van der Sterre.

Over de vertaler:

Rokus Hofstede (1959). Recente vertalingen: Georges Pérec Tips en wenken voor wie zijn afdelingschef om opslag wil vragen (proza, 2011), Pierre Bergounioux B-17 G (proza, 2010), Michel Houellebecq & Bernard-Henri Lévy Publieke vijanden (brieven, 2009). Zie www.hofhaan.nl