thema:

Homerus

Vertaling:

Contos Exemplares (‘Stichtende verhalen’) is een – niet eerder in het Nederlands vertaalde – verhalenbundel uit 1962. Zoals de titel al doet vermoeden, is het boek een hommage aan Novelas Ejemplares (1613) van Miguel de Cervantes. De zeven kortverhalen van Sophia de Mello Breyner lijken echter in niets op die van Cervantes, al bevatten ze wel elk een moraal. Ik vertaalde alvast het kortverhaal “Homero” (“Homerus”), omdat ik het zo’n prachtig verhaal vind dat ik het wil delen met iedereen die de Portugese taal niet machtig is. Homerus verwijst naar het hoofdpersonage, een oude zwerver die de Schelpenman wordt genoemd en epische redevoeringen houdt tegen de zee. Deze vertaling verschijnt tegelijkertijd online bij Terras en in het tijdschrift Gierik, nr. 128. (FA)

 

Toen ik een klein meisje was, wandelde er op het strand soms een oude, gekke zwerver voorbij die de Schelpenman werd genoemd.

De Schelpenman was net een bouwwerk in manuelstijl: alles aan hem was als de zee. Zijn witte, golvende baard was als stuivend zeeschuim. De dikke, blauwe aders op zijn benen waren als scheepstrossen. Zijn lichaam was net een mast en hij had de deinende gang van een matroos of van een schip. Zijn ogen waren, net als de zee zelf, soms blauw, soms grijs, soms groen en soms leken ze wel paars. En in zijn rechterhand droeg hij altijd twee schelpen.

Het waren van die grote, witte schelpen met bruinige kringen, deels cirkelvormig, deels driehoekig, met bovenaan het driehoekige gedeelte een gat. De Schelpenman reeg een draad door de gaatjes en verbond zo de twee schelpen met elkaar om er castagnetten van te maken. En het was met die castagnetten dat hij het ritme aangaf bij zijn lange, zangerige redevoeringen – eenzaam en mysterieus als gedichten.

De Schelpenman verscheen altijd ergens in de verte. Je zag hem opdoemen aan het einde van het strand of van de weg. Eerst dacht je dat het een boom was of een rots wat verderop. Maar als je dichterbij kwam, zag je dat het de Schelpenman was.

In zijn linkerhand droeg hij een lange tak die dienst deed als wandelstok en steun bood bij zijn lange trektochten en hem beschermde tegen de schuimbekkende honden van de boerderijen. Aan die tak hing een knapzak waarin hij de droge broodkorsten en muntstukken bewaarde die hij kreeg. De zak was gemaakt van versteld katoen en zo verschoten door de zon dat hij bijna wit was.

De Schelpenman verscheen altijd overdag, omgeven door zonlicht en wind, met zijn hond twee passen voor hem uit – ooit wit, nu oud en vuil, met een dikke, krullende, lange vacht en een zwarte snuit.

En daar buiten liep de Schelpenman door de straten, met de zon op zijn gezicht en de trillende schaduwen van de plataanbladeren op zijn handen.

Hij hield halt voor een deur en hief zijn lange melopee aan, ritmisch begeleid door het geklepper van zijn schelpencastagnetten.

De deur ging open en er verscheen een meid met een witte schort die hem wat brood toestak en zei:

“Scheer je weg, Schelpenman.”

En langzaam maakte de Schelpenman zijn knapzak los van zijn wandelstok, trok de koordjes los, deed de zak open en borg het brood op.

Daarna ging hij weer verder.

Hij hield halt onder een balkon en zong, met verheven stem en vast van toon, terwijl zijn hond aan de stoep snuffelde.

En op het balkon bukte iemand zich snel – zo snel dat je niet eens kon zien wie het was – en wierp hem een muntstuk toe en zei:

“Scheer je weg, Schelpenman.”

En langzaam – zo langzaam dat je al zijn bewegingen kon volgen – maakte de Schelpenman zijn knapzak los van zijn wandelstok, trok de koordjes los, deed de zak open, borg het muntstuk op en deed de zak weer toe en bond hem dicht en maakte hem vast.

En hij ging verder met zijn hond.

Er waren veel armen in de streek die elke zaterdag kwamen aanzetten in een bruinige, schrijnende bende en aan de deuren bedelden en medelijden wekten. Het waren blinden, manken, doven en gekken, het waren tuberculoselijders die bloed spuugden op hun lompen, het waren broodmagere moeders met kinderen die bijna groen uitsloegen, het waren kromme, huilende oude vrouwtjes met vreselijk opgezwollen benen, het waren jongens met open wonden, verminkte armen, afgehakte handen, tranen en tegenspoed. En boven de bende steeg een onophoudelijk gemurmel uit van gekreun, gejammer, geprevel en geklaag.

Maar de Schelpenman verscheen altijd alleen, je wist nooit op welke dag van de week, hij liep met verheven hoofd en vaste tred, was als de zee en de pijnbomen, had geen enkele wonde en wekte geen medelijden. Medelijden met hem hebben, zou zijn als medelijden hebben met een plataan of een rivier, of met de wind. Bij hem leek de kloof tussen mens en natuur gedicht.

De Schelpenman bezat niets, zoals ook een boom niets bezit. Hij was één met de hele aarde en zo leefde hij ook.

De aarde was zijn moeder en zijn vrouw, zijn huis en zijn gezelschap, zijn bed, zijn eten, zijn lot en zijn leven.

Zijn blote voeten leken te luisteren naar de grond die ze betraden.

En zo zag ik hem verschijnen die middag toen ik alleen in de tuin aan het spelen was.

Ons huis lag aan het strand.

Aan de voorkant, die uitkeek op de zee, was er een tuin van zand. Aan de achterkant, die uitkeek op het oosten, was er een kleine, verwilderde en slecht onderhouden tuin; de grond was bedekt met losse steentjes die onder je voeten wegsprongen, er was een waterput, er waren twee bomen en wat struiken, verwaaid door de wind en verschroeid door de zon.

De Schelpenman, die langs de achterkant kwam, opende het houten hek – dat heen en weer bleef zwaaien – wandelde door de tuin en liep me voorbij zonder me te zien.

Hij hield halt aan de dienstingang en zette een lied in, begeleid door zijn schelpencastagnetten.

Zo stond hij een tijdje te wachten. Toen ging de deur open en in de donkere deuropening verscheen er een schort. Van buiten gezien, leek het binnen in huis mysterieus, duister en bijzonder. En de meid stak hem een brood toe en zei:

“Scheer je weg, Schelpenman.”

Daarna deed ze de deur dicht.

En zonder haast, langzaam – zodat al zijn bewegingen afgetekend werden tegen het zonlicht – trok de Schelpenman de koordjes aan, bond dan de zak dicht, maakte hem vast aan zijn wandelstok en ging verder met zijn hond.

Ik zag dat hij ons huis de rug toekeerde en wegwandelde via de voorkant, de kant van de zee.

Toen besloot ik achter hem aan te gaan.

Hij liep door de tuin van zand, bezaaid met hottentotvijgen en zeelelies, en wandelde door de duinen. Toen hij de plek bereikte waar de ronding van de baai begon, hield hij halt. Deze plek was onbetreden en verlaten, ver weg van alle huizen en straten.

Ik, die hem van op een afstand gevolgd was, kwam dichterbij terwijl ik me verstopte tussen de golvingen van de duinen en knielde achter een kleine heuvel tussen het hoge, transparante, stugge gras. Ik wou niet dat de Schelpenman me zag, omdat ik hem wou zien zoals hij was zonder mij, alleen.

Het was het moment net voor de zon onderging en nu en dan waaide er een briesje.
Vanop de hoge duinen leek de hele namiddag net een gigantische, doorschijnende bloem – open en uitgestrekt tot aan het einde van de horizon.

Het zonlicht tekende één na één alle kuilen in het zand af. Een hele fijne nevel steeg op uit de zee. Alles was doordrongen van die onmiskenbare zeelucht, het zuivere parfum van de zee, vrij van de stank van dood en verderf.

En over de hele lengte van het strand – van noord tot zuid, zover het oog reikte – onthulde het laagtij zijn donkere rotsen – bedekt met schelpen en groene algen – die het water tegenhielden. En daarachter werden drie rijen witte, opgerolde en ontrolde golven onophoudelijk gebroken – hoewel voortdurend verslagen, rezen ze voortdurend weer op.

In de hoge duinen was de Schelpenman één met de namiddag. De zon rustte op zijn handen, de zon rustte op zijn gezicht en op zijn schouders. Een tijdlang zweeg hij, daarna begon hij langzaam te praten. Ik begreep dat hij met de zee praatte, omdat hij zich tot haar richtte en zijn open handen naar haar uitstrekte, met de palmen met schelpen naar boven. Het was een lange, duidelijke, irrationele en mistige redevoering, die – net als de zon – alle dingen leek af te tekenen en te omlijnen.

Ik kan zijn woorden niet herhalen: ik heb ze niet onthouden en dit speelde zich lang geleden af. En ik begreep ook niet volledig wat hij zei. En sommige woorden hoorde ik zelfs niet, omdat ze verloren gingen in de harde wind.

Maar ik herinner me dat het woorden waren die uitgesproken werden als een lied, woorden die haast zichtbaar waren en de lucht vulden met hun vorm, hun dichtheid en hun gewicht. Woorden die dingen benoemden, die de naam waren van dingen. Woorden die glansden als de schubben van een vis, woorden zo groots en verlaten als een strand.

En zijn woorden vatten de verschillende gezichten van aards geluk samen. Hij riep ze aan, onthulde ze, benoemde ze: wind, koelte van het water, goud van de zon, stilte en schittering van de sterren.

Over de auteur:

Sophia de Mello Breyner Andresen (1919, Porto – 2004, Lissabon) was één van de belangrijkste Portugese dichters van de 20ste eeuw. In 1999 mocht ze als eerste vrouw de vermaarde Portugees-Braziliaanse literatuurprijs Prémio Camões in ontvangst nemen. Haar achternaam verraadt haar Deense roots langs vaderskant, maar zelf was ze geboren en getogen in Portugal. Dankzij haar veertien dichtbundels staat ze voornamelijk bekend als dichteres, maar ze schreef ook sprookjes, jeugdliteratuur, artikels en theaterstukken en daarnaast vertaalde ze werken van o.a. Shakespeare en Dante. Haar oeuvre wordt gekenmerkt door poëtisch taalgebruik en put vaak uit de Griekse mythologie. Tot nog toe verscheen er geen officiële Nederlandse vertaling van haar werken. Haar zoon Miguel Andresen de Sousa Tavares erfde haar talent: zijn debuutroman Equador (Evenaar) verscheen in 2004 in Nederlandse vertaling.

Over de vertaler:

Finne Anthonissen (1991, België) studeerde vertaler/tolk (Engels en Portugees) en journalistiek en werkt momenteel tijdelijk bij talencentrum Linguapolis in Antwerpen. In haar vrije tijd vertaalt ze graag Portugeestalige kortverhalen, reist ze naar nieuwe plekken of resideert ze in haar favoriete koffiebars. https://finneanthonissen.wordpress.com/