thema:

I found an island in your arms / country in your eyes

Bij Brinkmann

Hoe zal ik het zeggen? Ooit was Rolf Dieter Brinkmann (1940-1975) met veel bombarie de Duitse literatuur binnengekomen – een dwars en eigenzinnig type dat bij een podiumdiscussie ooit tegen oppercriticus Reich-Ranicki uitriep dat als het boek dat hij in zijn handen had een machinegeweer zou zijn, hij hem zou neerknallen. Brinkmann had lak aan iedereen, zo zeer dat in zijn postuum uitgegeven Rom, Blicke, waarin hij verslag doet van zijn verblijf in de Villa Massimo, hele delen tekst nog altijd zwart zijn gemaakt.

Brinkmann wilde westwaarts, de dichtbundel waarmee hij echt naam maakte, heet zelfs naar dat streven: Westwärts 1 & 2 (ook al postuum verschenen). In de jaren zestig toog Brinkmann letterlijk westwaarts toen hij naar Londen ging en zich daar in de bruisende scene stortte – muziek, drugs, popart en al wat daar bij hoort aan dagelijks menselijk gedrag. Londen was toen (met Amsterdam) de plek waar transatlantisch bemiddeld werd, waarin de Amerikaanse popcultuur, de beatniks, de rock’n’roll volop aanwezig waren. En danig met vietnamhaat vermengd werd. Brinkmann ging ook westwaarts door in het gezapige West-Duitsland van die jaren die nieuwe Amerikaanse cultuur te introduceren en te vertalen. Fameuze Duitse bloemlezingen uit die jaren heetten Fuck you!, ACID en Silverscreen. Er staan comics in, cultuurhistorische essays, foto’s van de excentrieke sixties en heel veel gedichten. Brinkmann vertaalde veel, op een geheel eigen manier, bijzonder wild soms, maar ook precies als het om gewaardeerde auteurs als Frank O’Hara ging. Alles werd begeleid door de muziek van die jaren, in de bloemlezingen aangeduid met namen, motti, foto’s.

Brinkmann koos een eigen weg en voelde zich niet thuis bij de schreeuwerige studentenbeweging, die steeds verder naar links opschoof. Hij was eerder een pleitbezorger van de bewustzijnsverruiming, van een leven dat in alle opzichten anders en grootser moest zijn dan het geweest was. Maar vanaf 1970 isoleerde hij zich ook van de literaire scene en benadrukte hij steeds meer dat hij zich niet meer voor literatuur interesseerde. Om vervolgens zijn tirades in Rom, Blicke op te schrijven, prachtige collageboeken te vervaardigen en de gedichten te schrijven die het Duitse poëzielandschap moesten vernieuwen. Hij gebruikte daar procedé’s voor die hij aan de nieuwste Amerikaanse poëzie ontleende, voorop de vrijheid die men zich daar veroorloofde om alles – ook het gewone, alledaagse en ordinaire, het hoge en lage, het beeldende en het theoretische, zeg: alle rock’n’roll – op te nemen en met elkaar te vermengen. Bij Brinkmann komt daar nog zijn intense zucht naar cultuurkritiek en het programmatische bij. En de haat jegens oppervlakkigheid, leegte en geliktheid. West-Duitsland deugde niet, je kon je er niet ontplooien, de mensen waren niet creatief, er werd niet gedacht in termen van een beter en nieuwer leven. De utopie bij Brinkmann, een belangrijk element, is bij hem echter even romantisch als gefrustreerd. Uit de o zo gekoesterde dromen word je wakker geschrikt door een werkelijkheid die consumptie, geldzucht en desinteresse almaar meer toejuicht.

Het gedicht ‘Fragment zu einige populären Songs’ is tot op heden enkel en alleen verschenen in het tijdschrift Literaturmagazin, in 1975, postuum. Het is een op het oog wild gedicht, doorspekt met fragmenten uit de popsongs van die jaren, voorop die van de Doors en de Stones, Loudon Wainwright, de Velvet Underground. Het gedicht hoort bij het wel in een bundel gepubliceerde ‘Einige sehr populäre Songs’ waardoor het fragmentarische karakter beter uitkomt en de volstrekte openheid tegen alles wat zich bij het schrijven voordoet beklemtoond wordt. Deel 2 heet een song te zijn. Deel 5, met recht een intermezzo voor het schrijvende, denkende, stromende, reagerende, irriterende bewustzijn dat zichzelf tentoonspreidt in de overige delen, is een romantische hommage aan een vrouw, zoals ze leeft, denkt en voortgaat. Nadia Lapchine noemt het gedicht antiliteratuur, een tegengedicht, waarin een multimediale actualiteitsruimte wordt geconstrueerd: vol herinneringen aan Londen als blues, vol agressie jegens de taal van de machtigen en de vunzige beelden die zij produceren. Hier wil de fantasie aan de macht komen, zegt ze, hier wordt de poëtische tegendroom ontwikkeld waarin je op zoek kunt gaan naar het verloren ogenblik, naar de sensibiliteit die gefnuikt wordt in een wereld die gericht is op vernietiging van alle zinnelijkheid en zintuiglijkheid. In dat opzicht is Brinkmann bij uitstek een subversieve schrijver, de man die de revolutie waaraan zijn generatiegenoten bouwden, voor dood verklaarde.

‘Fragment bij enkele populaire songs’ is ook een stadsgedicht, je loopt als het ware rond in het Keulen van 1975, de biotoop van Brinkmann. Die zijn klassieken kent, onder meer Ezra Pound en diens tweeregelige gedicht ‘In a station of the Metro’, Parijs, 1912 – ‘The apparition of these faces in the crowd / Petals on a wet, black bough.’ Brinkmann: ‘Maar in herinnering aan Pounds indrukken heb ik wel eens goed tot me laten doordringen wat er hier in Keulen in een metrostation gebeurt, ’s morgens, ’s avonds, na sluitingstijd van de winkels, hoe uitgeblust de mensen zijn en dus niet, zoals Pound nog dacht, bloemblaadjes etc.’. Niet alleen de mensen zijn voor Brinkmann uitgeblust, ook de taal is dat; schuldig daaraan zijn de massamedia die de woorden opladen met vreemde betekenissen die een genotvolle omgang ermee tegengaan. Woorden zijn niet meer in staat individuele ervaringen te beschrijven. Vandaar de gaten in de tekst, de ruimte om de woorden heen, zegt de dichter, daar kan iedereen zijn eigen ervaringen in kwijt.

Tussendoor droomt deze dichter en heeft hij het in zijn wanhopige zoektocht naar nieuwe vergezichten over ‘de witte utopie, maar ik ken geen utopie / die niet op woorden en zinnen berust’. De taal zit in de weg, en na die constatering volgt er een opsomming van dromen die in nachtmerries omslaan. De ware utopie is er een zonder taal, stelt Brinkmann. Aan het eind van het gezicht citeert hij een regel van Stefan George en gebruikt hij diens ‘doodverklaarde park’ om afscheid van de poëzie te nemen en op zoek te gaan, aldus Nadia Lapchine, naar wat Jack Kerouac ‘the pure moment of being’ noemde. Het is mooi dat hij daar naar op zoek was en de tijd nam om wat hem bezielde en dodelijk bestookte in woord en gedicht vast te leggen.

 

Over de auteur:

Ton Naaijkens (1953) is vertaler, essayist, redacteur van de tijdschriften Filter en Terras en hoogleraar Duitse literatuur en vertalen aan de Universiteit Utrecht. Hij vertaalde werk van Robert Musil, Paul Celan en Ernst Meister. In 2016 verscheen zijn vertaling van de bundel Chicxulub Paem van Daniel Falb.