thema:

If life gives you lemons… deel 2

naar deel 1

Het is ochtend, bijna middag. Linda en Heleen hebben afgesproken in de tentoonstellingsruimte, om de details van de tekst te bespreken. Linda wil over de kunstwerken van de volgende tentoonstelling een kort verhaal schrijven.

Ze zegt: ‘Zo’n verhaal is geen uitleg bij de kunstwerken, en de kunstwerken zijn geen illustratie bij het verhaal.
Ze hebben met elkaar te maken, ze kunnen naast elkaar bestaan, maar ze zijn niet onlosmakelijk verbonden.’

Dat klinkt interessant.
Normaal gesproken schrijven mensen vooral theoretische teksten bij tentoonstellingen.
Misschien is het toch een goed idee om met Linda samen te werken.

Terwijl ze praten wordt Linda gebeld.
Ze kijkt verontschuldigend terwijl ze zegt: ‘Sorry, maar deze moet ik even opnemen.’
Het is haar moeder die belt. Normaal gesproken belt haar moeder niet op maandag.

‘Je moet naar huis komen,’ zegt de moeder, ‘je broertje is gewond.’
‘Ik ben geen dokter, weet je nog?’
‘Hij wil je zien.’ zegt de moeder. Ze gebruikt haar ‘redelijke’ stem, wat ze altijd doet als ze de feiten aan het verdraaien is.
Jij wilt me zien.’ zegt Linda lachend.

Haar broertje is mooi op een ongezonde manier. Zijn ogen zijn van een bijzonder soort blauw – het soort dat iedereen zich blijft herinneren, lang nadat hij de ruimte heeft verlaten. Mensen geven toe aan dat soort ogen, alsof ze onderdeel zijn van zijn karakter. Wanneer hij iets wil, dan vraagt hij erom en krijgt hij het. Dat kan niet goed zijn voor een vijftienjarige jongen. Zijn donkere haar hangt over zijn oren – een beetje verwilderd. Hij knipt het zelf. Onder zijn kin zit een litteken van ongeveer drie centimeter, dat er nog steeds pijnlijk uitziet, of op zijn minst een pijnlijke herinnering vertegenwoordigt. ‘Ik geloof dat het van een valpartij was.’ zegt hij, alsof het überhaupt mogelijk is om te vergeten waardoor zo’n litteken wordt veroorzaakt. Hij speelt graag met vuurwerk. Hij knapt fietsen op, die hij vervolgens allemaal in dezelfde kleur groen schildert, alsof hij een spoor na wil laten. Er is weinig te beleven in het dorp. Daarom ontwikkelen veel dorpsmensen uitgebreide hobby’s.

‘Telefóóncelgroen.’ zei zijn moeder een keer.
‘Wat?’

Hij is te jong om te weten wat telefooncelgroen is.

Het jaarlijkse dorpsfeest is een traditie. Er is niemand die zich kan herinneren dat er ooit geen dorpsfeest was. Zelfs in de Tweede Wereldoorlog waren er dorpsfeesten. Er is ieder jaar een ander thema. Mensen versieren hun voortuin naar aanleiding van het thema. Er is een verkiezing voor de mooiste voortuin. Er is ook een verkiezing voor de lelijkste voortuin. Die laatste verkiezing is eigenlijk een grap. Maar dit jaar is het mogelijk om de verkiezing voor de mooiste voortuin en de verkiezing voor de lelijkste voortuin tegelijkertijd te winnen, want het thema is horror.

’s Avonds verkleedt iedereen zich en komt bij elkaar. Toen er nog een school in het dorp was, was het buurthuis een gymzaaltje, maar nu is het een buurthuis. Het ruikt er nog een beetje naar zweet.

De middag voordat het feest zou beginnen haalde haar broertje de kettingen van drie kettingzagen af. Hierdoor werden de kettingzagen even gevaarlijk als een keukenstoel. Zijn vrienden keken toe. ‘Het is ongeveer hetzelfde als een ketting van een fiets halen.’ zei het broertje schouderophalend. Zijn vrienden moesten lachen. Ze kleedden zich in het zwart, met echte bivakmutsen. Ze hadden allemaal ongeveer hetzelfde postuur, en daardoor waren ze vrijwel onherkenbaar. In het donker waren zelfs zijn blauwe ogen niet goed te zien.

‘Bestaan er dan ook namaakbivakmutsen?’ zegt Linda tegen haar moeder.

Heleen kijkt om de hoek, om te zien hoe het telefoongesprek opschiet.

Bijna klaar! gebaart Linda.
Wil je iets drinken? gebaart Heleen terug. Met haar handen bootst ze een kop koffie na.
Ja! knikt Linda gretig. Ze is verslaafd aan koffie. Er bestaan ergere dingen.

Haar moeder legt uit dat bivakmutsen ‘echt’ worden, wanneer de drager van de muts iets slechts van plan is. ‘Als je gaat skiën, dan noemt iedereen een bivakmuts gewoon “een muts”’ zegt ze.
Dat is onzin; ze hebben nog nooit van hun leven geskied.

Die avond bestormen de vermomde jongens het buurthuis, voor de grap en onnadenkend. Het zou kunnen dat ze hun grap hebben gekopieerd van een film die ze pasgeleden hebben gezien – een populaire film, die alle tieners op dit moment bezighoudt – en in de film ging alles goed. ‘Hij heeft het in ieder geval niet van míj geleerd – zulke domme dingen doen.’ zegt haar moeder, op een toon die Linda interpreteert als: maar wel van jou. Omdat het buurthuis nog altijd de vorm heeft van een gymzaal (er zijn bijvoorbeeld geen extra noodbranddeuren of sprinklerinstallaties bijgebouwd toen het een feestlocatie werd) is het niet berekend op plotselinge paniek. Bij de achteruitgang ontstaat gedrang. Een kind, dat allang in bed had moeten liggen, valt. Het wordt aan zijn okseltjes weer omhoog gehesen. Het begint te krijsen, omdat het niet begrijpt wat er aan de hand is. Het is erg interessant hoe paniek een groep mensen vrijwel onmiddellijk onderverdeelt in vechters en vluchters. En hoewel er ergens een biologische verklaring voor moet zijn, is de onderverdeling toch erg verrassend.

Het is bijvoorbeeld onduidelijk waarom juist de grootste, sterkste buurman zo vreselijk bang is voor de kettingzagen. Misschien is het omdat kettingzagen een van de weinige dingen zijn die hij niet met zijn blote handen te lijf kan gaan. Zijn gezichtsuitdrukking verandert in iets wat niemand ooit eerder heeft gezien – ook zijn vrouw niet. Alleen zijn beste vriend, met wie hij eind jaren ’80 na een voetbalwedstrijd een keer cocaïne heeft gebruikt (nu is hij fel tegen het gebruik van drugs, maar op die leeftijd dachten ze daar niet over na) heeft deze gezichtsuitdrukking eerder gezien, maar omdat hij toen zelf ook onder invloed was kan hij het zich niet meer herinneren. De beste vriend en de sterke man zijn in hetzelfde jaar geboren. Ze doen bijna alles samen: ze zaten samen in de zandbak, ze gingen samen naar school en ze gaan al meer dan dertig jaar samen naar de voetbal. Soms fantaseren ze erover om naast elkaar te gaan wonen, zodat hún kinderen eenzelfde soort vriendschap kunnen ontwikkelen. Als ze nog willen dat dat gebeurt, dan moeten ze snel zijn. Kinderen worden groot.

De beste vriend rent naar buiten. In de opbergruimte van het buurthuis vindt hij een oude korfbalpaal. Op de achtergrond speelt luid I will always love you van Whitney Houston; ze waren al bij het sentimentele gedeelte van de avond aangekomen. Als de jongens hun grap een paar uur eerder hadden uitgevoerd, toen iedereen nog nuchter was, dan was er misschien minder chaos geweest. De beste vriend tilt de korfbalpaal op zijn schouder en gaat de jongens in een vlaag van dronken heldhaftigheid te lijf. Zijn bewegingen zitten tussen rennen en sjouwen in, want de paal is zwaar. Het lijkt op rennen in slow motion.

Wanneer ze samen naar de voetbal gaan, dan zijn ze eigenlijk altijd in de minderheid. Mensen uit de stad zijn arrogant, omdat ze denken dat ze met meer zijn. Statistisch gezien klopt dat niet: ongeveer 40% van de bevolking woont in de stad, 60% woont op het platteland. De stedelingen zijn dus niet in de meerderheid; ze hebben verhoudingsgewijs gewoon minder voetbalclubs.

Eén van de jongens krijgt een klap van tegen zijn hoofd met de paal. De kettingzaag valt uit zijn handen en ratelt door over de grond, als een beest. Er is niemand die zich bukt, de kettingzaag bestudeert, en zegt: ‘O, wacht eens even, er zit helemaal geen ketting op! Het is natuurlijk een grap!’ De jongen ligt ernaast. Uit zijn mondhoek loopt een dun straaltje bloed. Het is erg rood – het lijkt op nepbloed.

De grote man en de beste vriend compenseren hun minderheidspositie op een fysieke manier. Dat zie je in de natuur ook veel; er zijn minder tijgers dan bizons, maar één tijger is wel sterker dan twintig bizons bij elkaar.

‘Hij kan zes weken niet kauwen!’ zegt haar moeder, en als je niet komt dan zal hij zich deze periode altijd blijven herinneren als de tijd dat hij gewond in bed lag en zijn zus niet langskwam.

Linda houdt haar mobiele telefoon tussen haar oor en haar schouder geklemd. Wanneer ze de kop hete koffie van Heleen aanneemt laat ze de telefoon per ongeluk vallen. Het plastic hoesje van de telefoon valt uit elkaar op de koude, betonnen vloer van de tentoonstellingsruimte. Het gesprek is afgelopen. In de tussentijd heeft Heleen de augurken opnieuw geïnstalleerd, en de laptop opgeladen. Haar handen ruiken zuur. Vanaf een bepaald moment is ze gestopt met dromen – ongeveer een paar maanden geleden. In het begin dacht ze er niet veel over na; het is tenslotte normaal om je dromen niet te herinneren. Maar na een tijdje realiseerde ze zich dat ze helemaal niet droomde. De manier waarop ze sliep wisselde zich af tussen een staat van bewusteloosheid en een half-wakker gepieker over dingen waar ze overdag aan had gewerkt. Al na een paar weken zei ze tegen Osman dat ze haar voeten zou opofferen voor een paar dromen, als zoiets mogelijk was. En terwijl ze dat zei, besefte ze dat ze dat letterlijk bedoelde.

‘Maar je hebt prachtige voeten!’ protesteerde Osman.
‘Precies! Ik zou mijn prachtige voeten opofferen voor…’

Zachtjes legde hij zijn hand over haar mond.

‘Zeg dat alsjeblieft niet meer.’ zei hij. ‘Ik kan niet zonder jouw prachtige voeten.’

 

‘Sorry voor het wachten!’ zegt Linda, terwijl ze zich bukt om haar telefoon op te rapen.
‘Dat is niet erg.’ zegt Heleen. Ze meent het. Het was erg prettig om even met de augurken bezig te zijn, en verder nergens aan te denken.

Ze laat haar het werk zien van de kunstenaar die ze hebben uitgenodigd. De kunstenaar onderzoekt de textuur van verschillende soorten materiaal. Hij maakt sculpturen en installaties in organische vormen.
Voor de komende tentoonstelling wil hij zijn werk aanpassen aan de tentoonstellingsruimte. Hij vindt de ruimte interessant.

‘Zeg, kan jij trouwens autorijden?’ vraagt ze, als hun gesprek bijna is afgelopen
‘Ik heb een rijbewijs – als dat is wat je bedoelt.’ zegt Linda onheilspellend.

____________________________________________

naar deel 3

Foto en beeld: Tim Hollander – Balloon Dog (2017)

Over de auteur:

Christine Bax (1991) studeerde aan de Gerrit Rietveld Academie en de Jan van Eyck Academie. Haar werk bestaat uit geschreven tekst en performance. Haar performances waren onder andere te zien bij Glogauair in Berlijn, King’s College in Londen, en Kultuuritehas Polymer in Tallinn. Momenteel werkt ze aan een serie korte verhalen over het werk van beeldend kunstenaar Junsheng Zhou. Haar residentie op de Jan van Eyck Academie werd mogelijk gemaakt door het Mondriaan Fonds. __________________________________________________________