thema:

If life gives you lemons… deel 3

naar deel 1

naar deel 2

 

‘Mag ik over twee weken bij je komen logeren?’ vraagt Linda’s broertje.

Hij wil naar een concert in de stad. Hij weet dat hij ‘zo vaak bij haar mag blijven slapen als hij maar wil.’ Sinds een paar dagen kan hij weer vast voedsel eten.

‘Wat is het eerste dat je hebt gegeten?’ vraagt Linda.
‘Pannenkoeken.’

Hij houdt van pannenkoeken met jam.

In Istanbul probeert een klein deel van het leger een staatsgreep te plegen, of een groot deel, dat is niet helemaal duidelijk. Osman is erg ongerust. Hij belt zijn moeder. Zijn moeder houdt een lang, onsamenhangend verhaal over de gebeurtenissen. Ze vertelt hem dat ze heel veel boodschappen heeft gedaan, omdat het onduidelijk is hoe lang de situatie gaat duren, en ze wil de komende dagen wel genoeg eten in huis hebben. ‘Of weken!’ zegt ze. Ze wil de komende weken wel genoeg eten in huis hebben. Osman is niet geïnteresseerd in haar boodschappen. De lijn is slecht, en haar stem is hoog. Zijn moeder zegt: ‘Je moet de komende dagen bereikbaar blijven, Osman, en geen geintjes met je telefoon uithalen zoals de vorige keer.’ Osman weet niet waar ze het over heeft. De samenvatting van zijn zus Handan is een stuk korter: What the fuck?! schrijft ze op sociale media. Haar vrienden plaatsen reacties op dat bericht. De reacties geven niet veel informatie. Als Handan en haar vrienden in Istanbul al niet kunnen overzien wat er precies aan de hand is, dan wordt het voor Osman in Amsterdam al helemaal moeilijk.

Het is niet zo dat een staatsgreep Osman en Heleen ooit góed zou uitkomen, maar op dit moment komt het wel heel slecht uit. Over twee weken is hun nieuwe tentoonstelling. Er moet nog veel gebeuren. Osman zit al dagenlang vastgekleefd aan de tv, sociale media, en zijn telefoon (alle drie tegelijkertijd), en Heleen is scherp op een manier waarop ze nog nooit eerder scherp is geweest. Ze regelt heel besluitvaardig alle dingen die Osman eigenlijk zou regelen, maar waar hij nu niet de tijd en de concentratie voor heeft. Dat gaat sneller dan ze aanvankelijk had gedacht, omdat ze nu minder hoeft te overleggen. Ze herinnert Osman aan zijn lunchafspraak met de kunstenaar die ze hebben uitgenodigd.

‘Ga nou maar.’ zegt Heleen. ‘De dingen worden niet plotseling erger omdat jij ze even niet in de gaten houdt.’

Dat is waar.
Osman pakt zijn tas en vertrekt. Het is warm. In een kleine supermarkt koopt hij lunch voor de kunstenaar. Hij zoekt de producten zó uit dat het niet te duur is, maar alles bij elkaar er toch luxueus uitziet. Ze eten en praten in het achterkamertje van de tentoonstellingsruimte, omdat de tentoonstellingsruimte zelf vandaag verhuurd is. Wanneer ze alle details over de tentoonstelling hebben besproken, wil Osman eigenlijk graag naar huis. De kunstenaar drinkt langzaam zijn koffie, gaat daarna uitgebreid achterover zitten en bestudeert een pakje rookvlees dat op tafel ligt. Het vlees is donkerrood. Het glanst dof in het schelle licht van de tl-buizen aan het plafond.

‘Kijk nou, die textuur!’ zegt de kunstenaar. ‘Van heel dichtbij lijkt het op een landschap!’

Hoewel Osman veel kunstenaars kent die werken met de textuur van het materiaal, is hij toch geïrriteerd. Het leven in Turkije is voorgoed veranderd, en deze man maakt zich druk over een pakje vlees!
In de ruimte ernaast klinkt gestommel, en daarna hoog, hijgerig gegil.

‘Wat is dat voor raar geluid?’ vraagt de kunstenaar.

Hij fronst niet – hij lacht. Hij weet precies wat dat voor geluid is.

‘We verhuren de tentoonstellingsruimte zo nu en dan aan een experimentele theatergroep.’ zegt Osman verontschuldigend.

‘Oefenen ze orgasmegeluiden?’

Het is geen vraag, en daarom antwoordt Osman ook niet. De kunstenaar maakt aanstalten om te vertrekken, op een erg vriendelijke manier, waardoor het lijkt alsof hij niet meer aan de tentoonstelling mee wil doen.

Osman pakt het pakje rookvlees en bergt het op in de koelkast. Daarna kijkt hij op zijn telefoon naar het laatste nieuws. Daarna kijkt hij op sociale media wat zijn vrienden over de situatie zeggen.

Ik begrijp nog steeds niet hoe de Apocalyps in dit land gebeurt! schrijft Handan.
Collectief Stockholmsyndroom? reageert iemand.
Het is onmogelijk te begrijpen.

Als het echt zo is dat de materiaalkunstenaar niet meer mee wil doen, dan vindt Osman dat niet zo erg. Misschien is het überhaupt beter om een kunstenaar uit te nodigen die politiek geëngageerd is. ‘Uiteindelijk,’ denkt hij, ‘is het in deze tijd een beetje raar om als kunstenaar alléén maar met de structuur van het materiaal bezig te zijn.’

Heleen begrijpt waarom Osman plotseling zo fanatiek de tentoonstelling wil veranderen. De politiek houdt hem bezig. Hij wil de komende tentoonstelling niet zozeer over de Turkse politiek laten gaan, maar wel over actuele politieke thema’s in het algemeen.

‘Ik ken een kunstenaar die iets met vluchtelingen doet.’ zegt hij bevlogen.

Heleen knikt.
Die moeten ze snel uitnodigen. Ze hebben nog twee weken de tijd om alles te regelen. Het is spannend of dat gaat lukken, maar het is ook een interessant experiment om in heel korte tijd een tentoonstelling op te zetten. Als het lukt, dan kunnen ze dat in de toekomst vaker doen. Osman gaat de kunstenaar die iets met vluchtelingen doet meteen bellen. Daarna belt hij Linda, om te zeggen dat ze een andere tekst moet schrijven. Heleen gaat naar haar werk.

Het is bijna zomervakantie. De rondvaartboot is erg vol met toeristen. Heleen vertelt hen in verschillende talen over de stad. Ze heeft zich een tijd geleden voorgenomen om tijdens iedere rondvaart op een bepaald moment naar een willekeurig huis te wijzen en ze zeggen: ‘Look, there’s my house!’ De eerste keer vond ze het spannend om dat te zeggen; het was tenslotte geen onderdeel van de officiële rondleiding. Ze zei het zacht. De toeristen hoorden haar niet.

Maar nu ze zo scherp is lukt het wel. Ze zegt de zin tijdens een gedeelte van de stad – een tussenstuk – waar niet zoveel over te vertellen valt.

‘… and look, there’s my house!’

De zin zorgt met een prettige interactie met de groep. De toeristen zien haar plotseling als onderdeel van de stad waar ze zo in geïnteresseerd zijn, en niet alleen maar als rondleider. Een aantal van hen probeert foto’s van haar te maken, met ‘her house’ op de achtergrond, wat in feite niet veel meer is dan een brugwachtershuisje. Heleen lacht voor de foto. Ze meent die lach. In de zomer ruiken de grachten naar oude kranten, bier en blauwalg. Ze wordt nostalgisch van die geur.

De kunstenaar die iets met vluchtelingen doet is gelukkig erg enthousiast om nog op korte termijn een tentoonstelling te maken. ‘We doen het gewoon!’ zegt hij. Osman hangt opgelucht op. Dan belt hij Linda. Hij verontschuldigt zich. Hij praat snel. Hij zegt dat het programma op het laatste moment is gewijzigd, dus ze zal een nieuwe tekst moeten schrijven, want de nieuwe kunstenaar die ze hebben uitgenodigd werkt niet met de structuur van het materiaal, maar doet iets met vluchtelingen. Linda lacht.

‘En wát doet die kunstenaar dan precies met die vluchtelingen?’ zegt ze.

Zoals zij het zegt, klinkt die zinsnede vreemd – obsceen bijna.

‘Nou,’ zegt Osman, ‘hij vergelijkt de mensenhandelaren die veel geld verdienen aan de vluchtelingen met een reisbureau. Ja. Dat doet hij. Een soort kwaadaardig reisbureau.’
‘Daar kan ik wel over schrijven.’ zegt Linda.
‘Echt?!’
‘Ja hoor. Maar dan krijgt de tekst misschien wel een andere vorm dan Heleen en ik besproken hadden.’
‘Iedere vorm is goed!’ zegt Osman haastig.

Hij is blij dat Linda zo flexibel is.

In de dagen daarna wijst Heleen steeds vaker een ander huis aan, en claimt dat het ‘haar huis’ is. Ze weet ondertussen precies wanneer ze een afwachtende stilte moet laten vallen, en op welke toon – dramatisch, nonchalant, of plechtig, afhankelijk van het soort groep dat ze rondleidt – ze dan het beste kan zeggen: ‘And that’s … my house!’ Eén keer weet ze het zelfs op zo’n manier te zeggen, dat de toeristen in de gaten hebben dat ze het verzint, en het toch wíllen geloven. Ze krijgt meer fooi. Alle imponerende gebouwen zijn haar huis, en alle historische gebouwen zijn ook haar huis; de hele stad is haar huis. Ze ontwerpt een flyer voor de tentoonstelling. De flyer is heel mooi. Ze regelt een auto om de kunstwerken mee te vervoeren. Ze zorgt dat er genoeg bier en wijn in voorraad is voor tijdens de opening. Ze hoeft geen tekst te schrijven, want dat doet Linda.

De tekst van Linda is wonderbaarlijk snel af. Osman ontvangt de tekst in zijn mailbox. Hij opent de email op zijn telefoon.

‘Shit!’ roept hij luid.
‘Wat?’ vraagt Heleen.

Is er iets mis?

‘Ze kan echt goed schrijven!’ zegt Osman.
‘Daarom had je haar toch ook gevraagd?’ zegt Heleen scherp.
‘Ja…’

De tekst is grappig en doeltreffend tegelijkertijd. Het is een goed idee om Linda deze tekst tijdens de opening van de tentoonstelling voor te laten dragen. ‘Deze tekst is geen uitleg bij de kunstwerken, en de kunstwerken zijn geen illustratie bij het verhaal, en toch hebben ze met elkaar te maken!’ zegt Heleen tevreden. Ze besluiten dat die voordracht het middelpunt van de avond zal worden. Dat is niet moeilijk; ook als Linda niet voordraagt, zuigt ze alle aandacht naar zich toe.

Zodra hij aankomt in de stad, heeft het broertje het gevoel dat hij ‘in de echte wereld’ beland is.

Hij staat stil in het midden van het plein voor het station. Hij kijkt rond. Het is warm. Er lopen veel mensen langs hem. In de stad lopen mensen snel. Het verschil is dat de mensen om hem heen niet onder de indruk zijn waar hij wel van onder de indruk is. Hij denkt: ‘Voor ieder mens dat hier rondloopt, hebben twee andere mensen seks gehad.’ Het zijn er zo veel! Zijn blauwe weekendtas staat op de grond, gevuld met kleren die hij niet zelf heeft opgevouwen. In zijn handen heeft hij een grote plastic zak. Het heeft lang niet geregend. Het plein is stoffig.

‘Kleintje!’ roept Linda.

Hij kijkt om zich heen, om te zien of iemand heeft gehoord dat ze het tegen hem heeft.
In de plastic zak zitten kersen van de boom in de achtertuin. Die moest hij meenemen.
Linda neemt enthousiast de zak van hem over. Hij is blij dat hij ze niet meer hoeft te dragen.
Ze wil ook zijn blauwe weekendtas dragen, maar dat kan hij zelf.

Het concert waar het broertje heen wil, begint pas later op de avond.

‘Dan kan je mooi mee naar mijn tentoonstelling!’ zegt Linda.

Het broertje aarzelt.

‘Komen daar ook meisjes?’
‘Vast wel.’
‘Wat voor soort meisjes?’

Ze lopen in de richting van het centrum. Het is er net zo druk als op het station.
Veel mensen rijden op oude, gammele fietsen, die het broertje makkelijk zou kunnen repareren.

‘Zijn er dan verschillende sóórten meisjes?’ vraagt Linda plagerig.

In de stad is alles duurder dan in het dorp. Hij zou later hier een fietsenwinkel kunnen beginnen.
Hij hoort zichzelf al zeggen: ‘Als ik je fiets groen mag schilderen, dan plak ik in de toekomst gratis je band.’
De stad zou al snel vol zijn met groene fietsen.

‘Wat doen mensen dan precies tijdens zo’n tentoonstelling?’ vraagt hij.
‘O,’ zegt Linda nonchalant, ‘ze kijken naar de kunst, ze praten met elkaar, en ze drinken bier en wijn.’

Dat lijkt hem toch wel leuk.
Thuis mag hij geen bier.

Heleen is blij met de kersen. Ze zijn erg rijp. Uit het keukenkastje haalt ze een schaal. Ze legt de goede kersen in de schaal. Er zitten ook een paar rotte tussen. Die gooit ze in de prullenbak.
Ze is erg tevreden over de tentoonstelling. Bijna alles is klaar.

‘Van mijn oma mocht ik vroeger nooit de rotte kersen weggooien.’ zegt ze vertrouwelijk. ‘Ze at zelfs de rotte kersen op waar al een schimmelig vachtje omheen zat. “Die zijn het zoetst!” riep ze dan, kwaad. Hongerwinter, hè.’

Linda en haar broertje moeten lachen.
Haha. Ja. Hongerwinter.

Osman zit gehurkt aan de andere kant van de ruimte. Hij sluit de geluidsinstallatie aan. Hij is nerveus, want hij kan niet alle juiste snoeren vinden. De berg snoeren lijkt op spaghetti. Na deze tentoonstelling moet iemand de snoeren sorteren. Linda loopt naar Osman toe. Hij kijkt verward op. Hallo.
Ze gebaart om zich heen.

‘Het is mooi geworden!’
‘Nou. En wat fijn dat je zo snel een nieuwe tekst kon schrijven.’ zegt Osman terug.
‘Dat was niet zo moeilijk!’ lacht Linda. ‘Ik heb de tekst namelijk niet zelf geschreven.’

Dat is raar.

‘Maar we hebben je naam eronder gezet.’
‘Nou én?’
‘Dan is het toch plagiaat!’

Hij laat de snoeren los en gaat staan. Hij zweet niet.
Toch veegt hij met de rug van zijn hand over zijn voorhoofd.
Linda schrikt van zijn felle reactie.

‘Nou,’ zegt ze verdedigend, ‘nou…’
‘Wat nou?!’
‘Kijk,’ zegt Linda, ‘ik help mezelf met inspiratie die ik vind in boeken, schilderijen, gesprekken, dromen, licht en schaduw, gedichten over worst… Wat maakt het nou uit waar ik dingen vandaan haal? Het gaat er toch om wat ik ermee doe!’

Ze klinkt nogal uitleggerig.

‘Dus waar komt deze tekst vandaan?’ vraagt Osman
‘Van één of andere blogger…’

Osman is bang dat de tentoonstellingsruimte in de problemen komt: ze hebben de plagiaat-tekst al geprint op de flyer. De flyer is al uitgedeeld. Die halen ze niet zomaar meer terug.

Heleen droogt een glas af. Ze ziet Osman en Linda druk met elkaar praten. Ze hoort hen niet; ze staan te ver weg. Het is vreemd, bedenkt ze zich, dat Linda en haar broertje er helemaal niet uitzien alsof ze broer en zus zijn. Ze hebben dezelfde haarkleur, een vergelijkbaar postuur, en eenzelfde frons in hun wenkbrauwen wanneer ze iets vermoeden, maar het nog niet helemaal zeker weten, en tóch zien ze er niet uit alsof ze broer en zus zijn.

Ze kijkt lang naar de ogen van het broertje. ‘Wat een bijzondere ogen!’ denkt ze.
Ze wil graag een foto van hem maken, bijvoorbeeld wanneer het broertje geabsorbeerd met die ogen naar een kunstwerk staat te kijken. Zo’n foto zou er mooi uitzien op hun Facebookpagina.

Het probleem is dat het broertje niet naar de kunstwerken kijkt. Hij leunt tegen de bar alsof hij hier iedere dag komt. Voor hem staat een flesje bier. Naast hem staat zijn blauwe weekendtas. Hij neemt een slok. Heleen zegt niets, maar ze staart hem wel aan. Het broertje probeert een gesprek met haar aan te knopen.

‘Wat heb jij mooi haar, zeg.’ zegt hij.
‘Nou, ik doe liever iets met wat onder mijn haar zit!’ antwoordt Heleen scherp.
‘O.’ Hij neemt nog een slok. ‘Maar ik zei toch ook niet dat je dat niet deed?’

Met zijn flesje bier in de ene hand, en een paar kersen in de andere, loopt het broertje naar buiten.

Heleen kijkt naar zijn rug. Het glas is droog. Ze pakt een nieuw glas. Hij probeert alle kersen uit zijn hand in één keer in zijn mond te stoppen. Hij stapt over de drempel. Buiten is het zonnig. Als de kersen eenmaal in zijn mond zitten, neemt hij een grote slok bier. De kersen en het bier vermengen zich. Nu is het bier minder bitter. ‘Zo.’ denkt het broertje, ‘nu heb ik zelf kersenbier gemaakt.’

Het zusje staat tegen de muur van de tentoonstellingsruimte te roken. Het is laat in de middag (of: vroeg in de avond). Ze heeft het te warm. Ze houdt niet van zomer.

‘Hallo.’ zegt ze tegen het broertje.

Zijn mond is nog steeds vol. Hij probeert snel de bierkersen op te eten, zodat hij hallo terug kan zeggen. Er zit een beetje kersenbiersap in zijn mondhoek. Zijn moeder heeft hem altijd gezegd dat hij niet gehaast moet eten. Zijn moeder had gelijk. Zijn kaak klapt plotseling hard tegen een kersenpit. Het is niet de pit die kraakt; het is de kaak. De eerste bezoekers komen aan bij de tentoonstellingsruimte. Ze kijken verbaasd naar het broertje. Hij houdt zijn handen pijnlijk om zijn kaak geklemd, en maakt een kermend geluid. Het ziet er theatraal uit. De bezoekers denken dat het niet echt is. Ze lopen door.

‘Gaat het?’ vraagt het zusje.

Ze drukt haar sigaret uit tegen de muur, en loopt naar het broertje toe. Het broertje zegt niets. Hij slikt het bier en de kersen door – het liefst had hij ze uitgespuugd, maar dat durft hij niet.

‘Je hebt niet je kaak opnieuw gebroken!’ zegt Linda. ‘Dat kan niet!’

In haar handen heeft ze de blauwe weekendtas. Die was hij vergeten.
Het broertje wiegt zijn hoofd heen en weer.

‘Dat kan niet.’ zegt Linda nog maar eens, beslist.

Hij stelt zich aan. Als hij de tentoonstelling niet leuk vindt, kan hij dat ook gewoon zeggen.

‘Laat mij eens kijken.’ zegt het zusje.

Samen dirigeren ze het broertje naar de stoeprand.
Ze laten hem op de stoeprand zitten, tussen hen in.

‘Jezus, wat heb jij zachte handen!’ zegt Linda jaloers.
‘Dat komt omdat ik ze in het ziekenhuis voortdurend moet desinfecteren.’ zegt het zusje kalm.

Het broertje ligt met zijn hoofd in haar schoot. Misschien stelt hij zich toch niet aan. De zachte handen van het zusje bestuderen zijn kaaklijn, en het litteken onder zijn kin. Dat litteken is al oud, concludeert ze snel, en heeft niets met de gebroken kaak te maken.

‘Hij moet naar de eerste hulp.’ zegt ze vakkundig.

Het zusje doet de deur van haar auto open. Ze schuift een plastic voorbeeldmodel van een baarmoeder en een zak hoestsnoepjes aan de kant om plaats te maken op de achterbank. Het broertje plaatst zijn voeten aan weerszijden van een kartonnen doos met daarin een strijkijzer. Het bewegen van zijn voeten doet pijn aan zijn kaak, en zijn gekerm ook. De auto glimlacht.

Osman vindt het erg vervelend dat Linda plotseling weg is bij het belangrijkste onderdeel van de avond: de voordracht die ze zou houden. En hoewel de bezoekers niet in de gaten hebben dat er geen voordracht is, lijkt het toch alsof ze het instinctief aanvoelen; de sfeer is de hele avond ongeveer hetzelfde – kabbelend. Er zijn geen dieptepunten en geen hoogtepunten. Iedereen gaat al snel naar huis, zonder dat Heleen ze weg hoeft te sturen.

Osman besluit de berg verwarde snoeren een andere keer te sorteren. Hij staat bij de bar, opent een flesje bier, en kijkt om zich heen. De kleurrijke prints aan de muren kijken gapend terug. Plotseling herinnert hij zich de tentoonstellingsruimte zoals die was in het begin: een oude kelder. Ze hebben heel hard gewerkt om er iets van te maken. Dat is gelukt. Het is belangrijk om dat niet te vergeten.

Het is hun laatste tentoonstelling voor de zomervakantie. De zomervakantie duurt vier weken. Misschien kunnen ze de zomervakantie beter ‘zomerstop’ noemen, want eigenlijk hebben ze helemaal geen vakantie. Tijdens de vier weken bereiden ze de eerste tentoonstelling van na de zomervakantie voor. De eerste tentoonstelling van na de zomervakantie wordt altijd druk bezocht. Mensen missen de ruimte als die vier weken dicht is.

De volgende ochtend zeggen Osman en Heleen tegen elkaar: ‘Wat fijn dat we gisteren niet te veel hebben gedronken!’ Nu verliezen ze hun dag niet aan het hebben van een kater. Ze maken plannen voor de eerste tentoonstelling voor na de zomervakantie.

Rond lunchtijd loopt Heleen over straat. Ze loopt langs het ziekenhuis waar haar zusje werkt. Tegenover het ziekenhuis is een park. Veel mensen zitten in het park in de zon. Ze picknicken. Er mag in het park gebarbecued worden. Er zijn al mensen in het park aan het barbecueën. Die mensen hebben waarschijnlijk al vakantie. In de vakantie doet het tijdstip van de dag er niet zo toe. Kleine pluimpjes grijze rook stijgen boven de boomtoppen uit. Bij een bankje staat een groepje zwervers. Ze kijken naar de barbecueënde mensen. De barbecueënde mensen drinken bier. De zwervers drinken bier. In de zomer lijkt het park op een woonkamer. Daardoor heeft iedereen plotseling een woonkamer.

Bij de ingang van het ziekenhuis ziet Heleen haar zusje samen met Linda. Ze staan aan de linkerkant van de draaideur. Aan de rechterkant van de draaideur zit een man in een rolstoel een sigaret te roken. Hij kijkt ook naar haar zusje en Linda.

Ze worden half aan het oog onttrokken door een tramhalte met daarom een reclameposter voor brillen die zegt: ‘Krijg nu je eigen leeftijd in korting!’ De poster is lelijk – goedkope dingen worden vaak bewust lelijk vormgegeven.

Heleen doet een paar stappen opzij om haar zusje en Linda beter te kunnen zien. Ze kussen niet; ze zoenen. Haar anders zo frigide zusje doet plotseling erg sensueel. Ze zien er samen een beetje verontrustend uit, zoals twee mongooltjes die hebben besloten dat ze ‘verkering’ hebben misschien wel schattig zijn, maar het toch geen prettig idee is als ze seks met elkaar zouden hebben. Het is een lange, plakkerige kus. Linda is een stuk langer dan Pudding, en ze moet ver voorover leunen om haar te kunnen kussen. Tegelijkertijd leunt Pudding juist naar achteren. Haar handen verplaatsen zich van Linda’s rug in de richting van haar achterwerk. Linda houdt op haar beurt Puddings kaak in haar handpalmen.
Met dat ziekenhuisuniform van Pudding lijken ze wel een parodie op de foto van een soldaat die na de bevrijding op Times Square spontaan een verpleegster kuste.

De oma van Heleen zegt altijd dat mensen geen grappen zouden moeten maken over de Tweede Wereldoorlog. Heleen vindt dat het mogelijk moet zijn om over alles grappen te maken, zolang het maar in een gepaste context gebeurt.

De zoen duurt behoorlijk lang. Een jongen die langsloopt maakt een obsceen gebaar. Haar zusje en Linda hebben niets in de gaten. Het is alsof ze hun best doen om elkaars tanden te proeven.

‘Schoonfamilie.’ denkt Heleen.

Er rijdt een tram langs het ziekenhuis, waardoor ze het kussende paartje even uit het oog verliest. Ondanks het mooie weer heeft ze geen zin om nog verder naar huis te lopen. Ze besluit om in de tram te stappen. De poster is vooral zo lelijk omdat de ontwerper felle, contrasterende kleuren heeft gebruikt. ‘Hoe kan een bedrijf dat mensen hun leeftijd in korting geeft überhaupt winst maken?’ vraagt Heleen zich af.

Bij de volgende halte stapt een oude man in. De tram is vol. Heleen staat voor hem op. Hij gaat niet zitten. Misschien heeft hij niet gezien dat ze voor hem is opgestaan. Als de tram een bocht maakt, of afremt, wiegt hij heen- en weer. Zou de brillenwinkel iemand die ouder dan honderd is geld toe geven op een bril? Technisch gezien zou dat moeten. Ze beeldt zich een dialoog in tussen een 104-jarige klant en de verkoper. De verkoper is zenuwachtig, de klant venijnig. Hij wil alle brillen in de zaak hebben, en zijn geld.

‘Als jullie je niet aan je eigen voorwaarden kunnen houden, dan hadden jullie niet zo’n actie moeten beginnen!’ zegt hij kwaad.

Voor een 104-jarige is hij nog behoorlijk scherp. Hij is zich bewust van zijn eigen gelijk, en daarom sleept hij de brillenwinkel voor de rechter. De rechter is vermoeid. Zijn houding zegt: hadden jullie dit echt niet zelf op kunnen lossen? Vlak voordat de rechter een uitspraak wil doen, is ze bij haar huis. De oude man is uitgestapt zonder dat ze het heeft gezien. Er zijn veel toeristen in de stad. Op het muurtje naast haar voordeur ligt een kat in de schaduw te slapen. Heleen zweet. Ze heeft te warme kleren aan. Ze heeft dorst.

‘Eigenlijk is het niet zo’n gek idee om iemands tanden te willen proeven.’ denkt ze. Ze glijdt met haar tong langs haar tanden. Omdat ze haar tanden al zo lang in haar mond heeft, kan ze niet weten of ze ergens naar smaken of niet. Ze probeert zich te herinneren of Osmans tanden ergens naar smaakten.

Misschien is het een goed idee om vanmiddag iets leuks te gaan doen. In het park in de buurt van hun huis heeft de gemeente sinds kort Wifi geïnstalleerd. Ze kunnen in de zon in het park gaan werken.

Ze legt haar tas en haar sleutels naast de bank in de woonkamer. Ze loopt naar de koelkast, en haalt er een pak koude melk uit. Ze drinkt met haar hoofd achterover, zonder de melk in een glas te schenken. Vanuit de slaapkamer hoort ze getik. Osman typt. Het is benauwd in de slaapkamer. Heleen veegt met de rug van haar hand haar mond af. Er zit een beetje melk aan haar hand. Gedachteloos wrijft ze met haar hand over de zijkant van haar broek, en loopt naar de kledingkast. Er is iets wat Osman erg bezighoudt; dat hoort ze aan het ritme van zijn vingers op de toetsen. Zijn zus Handan moet haar vakantie naar Nederland afzeggen, omdat ze aan de universiteit werkt. Als ze Turkije verlaat, verliest ze haar baan. Ze stuurt Osman een bericht: Erdogan wil iedereen in Turkije ontslaan!

Osman heeft geen tijd om haar een bericht terug te sturen. Osman heeft het druk. Hij zit op de rand van het bed. Hij windt zich erg op over Linda’s gedrag. Normaal gesproken windt hij zich niet snel op, maar nu wel. Ze is op meerdere manieren oneerlijk geweest tijdens het ‘schrijven’ en het presenteren van de tekst. Na al het werk dat Heleen en hij hebben gedaan, was het respectloos van haar om zomaar weg te lopen. Hij moet bovendien helemaal uitzoeken of wat Linda heeft gedaan – het plagiaat – schadelijk kan zijn voor hun tentoonstellingsruimte. Hij heeft eigenlijk helemaal geen tijd om dat uit te zoeken.

‘In ieder geval hoeven we haar niet meer te zien.’ zegt Osman.

Heleen trekt het T-shirt over haar hoofd.

In haar kledingkast zoekt ze naar een zomerjurk.

‘Daar zou ik nog maar niet zo zeker van zijn.’ zegt ze.

 

When life gives you lemons, make chandeliers
Jessica Segall

Over de auteur:

Christine Bax (1991) studeerde aan de Gerrit Rietveld Academie en de Jan van Eyck Academie. Haar werk bestaat uit geschreven tekst en performance. Haar performances waren onder andere te zien bij Glogauair in Berlijn, King’s College in Londen, en Kultuuritehas Polymer in Tallinn. Momenteel werkt ze aan een serie korte verhalen over het werk van beeldend kunstenaar Junsheng Zhou. Haar residentie op de Jan van Eyck Academie werd mogelijk gemaakt door het Mondriaan Fonds. __________________________________________________________