thema:

IK WIL JEROEN METTES AAN HET WERK ZIEN (MAAR HET LUKT MIJ NIET) II

naar deel I van het essay

Hoe werkt Mettes?

Een tekst die nergens over gaat, nergens vandaan komt, nergens heengaat, maar desondanks tweehonderd bladzijden lang boeit en een indruk van grote rijkdom achterlaat. Hoe heeft Mettes het voor elkaar gekregen? Zou iedere boerenlul of zelfs een machine die een algoritme gevoerd heeft gekregen in staat zijn een tekst als N30 te produceren? Of spelen er meer elementen een rol? Wat maakt dit werk zo levend? Waarom fascineert elke bladzijde? In het volgende probeer ik de werkwijze van Mettes nader te onderzoeken door zijn werkwijze na te bootsen.

De eerste indruk die ik kreeg: dit is flarfpoëzie. Flarfdichters stellen hun gedichten samen uit internetzoekresultaten. Ik ben geen kenner van het genre, maar heb een tekstje samengesteld aan de hand van een rigide recept van pionier Michael Magee2:’Flarf is een collagetechniek die Google zoekresultaten gebruikt, met name de van websites en weblogs afkomstige citaten die Google op haar resultaatpagina’s laat zien. In het begin was de toepassing grillig en vond ongeveer zo plaats: je liet Google op twee termen zoeken, bijvoorbeeld ‘anarchie’ en ‘broodje tonijn’, en met behulp van de door Google gevangen woorden, frases, zinnen (je bezocht nooit de originele websites zelf) zette je vervolgens een gedicht in elkaar.’

Aldus – zelfs de volgorde van de resultaten hield ik aan – kwam ik tot dit resultaat:

I

Bij de bakker koop ik geen brood meer, kan het niet betalen. Tonijn kan op vele manieren worden klaargemaakt, afhankelijk van je smaak. Grootstedelijk hip en jong grut mag dan volledig prat gaan op alles dat biologisch, organisch en rauw is, een volledige rups in je broodje… Niemand die voor dat soort anarchie gepleit heeft. US navy test volledig geautomatiseerde tonijn voor spionage. Ok, van alles over anarchie of een richting daarvan. … van hun milieu en hun broodwinning: in het huidige kapitalistische systeem zijn… Axe Anarchy Eau De Toilette Man 50ml. Met zoveel initiatieven lijkt er stilaan een ware antitonijnhype in de maak. Heeft dat soort acties wel zin? Als de tank tot het randje is gevuld rek ik mijzelf uit tot mijn stuitje kraakt en stap uit het zadel. Een magere kassière met steil donker haar bliept ongeïnteresseerd.3

Het fragment heeft duidelijk N30-trekken. Blijkbaar gaan zinnen, als men het toeval zijn werk laat doen vanzelf botsen en soms slaan er vonken af, vormen zich geestige verbindingen zoals ‘Een volledige rups in je broodje… Niemand die voor dit soort anarchie gepleit heeft.’ Er vinden registerwisselingen plaats, en elk fragment nodigt uit tot het creëren van betekenisomgevingen. Veel van wat we in het begin van hoofdstuk 23 tegenkwamen is dus ook hier te vinden. Als fragment I ergens in N30 verstopt zou staan zou het niet uit de toon vallen.

Mij heeft flarf altijd tegengestaan, net als de collagetechniek cadavre exquis van de surrealisten. Ik pleeg de beoefenaars van deze genres te wantrouwen en een stille verachting toe te dragen. Waarom? Omdat ze een ‘makkelijke weg’ menen te mogen nemen naar originele resultaten.
Dit zegt veel over mijn opvatting van creativiteit, het typeert me als dichter van het oude stempel: er moet geworsteld worden, bewerkt, mislukt, gefaald, hertracht, beter gefaald, voor men zijn meesterteken in het zilver van een gedicht mag drukken. Ook in mijn eigen werk maak ik gebruik van de confrontatie van registers en disparate concepten, net als de flarfers en de surrealisten, maar ik meen als ‘echte kunstenaar’ zorgvuldiger te werken, ernstiger. Ongetwijfeld spelen angst en jaloezie hier een rol: juist omdat hun resultaten soms zoveel op de mijne lijken brengen mijn vijanden met hun juttersvondsten me tot tandenknarsen. Jeroen Mettes draait er niet omheen dat hij losweg volgens de flarfmethode werkt. In het essay ‘Politieke poëzie, enige aantekeningen’4 legt hij uit hoe N30 ontstaan is: ‘Meestal is wild geciteerd uit wat ik aan het lezen was, waar ik naar luisterde, waar ik in verzeild raakte, etctera. [..] Zoekmachines zijn regelmatig gebruikt ter generatie. Hoofdstuk 20 is daar een zuiver voorbeeld van.’

Knip- en plakwerk heeft het basismateriaal geleverd van N30 en tot op zekere hoogte ook de structuur bepaald. Maar ik wil er, als vertegenwoordiger van het worstelend dichterschap, niet aan dat het gedicht de intensiteit had gekregen die het nu heeft, indien Mettes het hierbij had gelaten. Stel dat ik het flarfexperiment I van zo-even in een (langdurige) vlaag van waanzin zou uitbreiden van tweehonderd woorden tot vijftigduizend, dan zou het verschil met N30 duidelijk worden: er zou een levenloze tekst ontstaan, met vonken few and far between… De lamlendigheid van het recept zou met elke volgende bladzijde meer voelbaar worden. Wie me niet gelooft mag het zelf proberen.

 

2 Ton van ’t Hof: Poezie voor klootzakken

3 De laatste regel heb ik binnengesmokkeld van de site zelf, die erotische herinneringen van een motorrijder bleek te behelzen.

Naar Deel drie van het essay.

 

Over de auteur:

(1956). Meest recente publicaties: Ware Grootte (2008), Leegte lacht (2011), de roman Op de rok van het universum (2015). Winter 2017 verschijnt Ja Nee.