thema:

I’m a catalyst, I’m a catalyst

Ik heb twee dingen aan Tomaž Šalamun te danken. Een echtscheiding en een dichtbundel. Over het eerste kan ik kort zijn. Na een lezing stond hij me op te wachten, getooid in een linnen hemd met korte mouwen, een wijdse broek die zijn lelijke sandalen net niet bedekte. Een beetje beschroomd, als een kandidaat-leerling tegenover een bewonderd leermeester, vroeg ik hem welke goede – poëtische uiteraard – raad hij me te geven had. De vraag kwam hem niet onverwacht, ze was hem duidelijk vaker gesteld en ook voor mij had hij een antwoord klaar. Flatterend als een donkere spiegel, bevestigend als een horoscoop die je onderdrukte dromen en wensen beter kent dan jijzelf. Dichterlijke raadgevingen of niet, het volgende moment flitste het door mijn hoofd dat ik met de verkeerde vrouw getrouwd was en een echtscheiding onafwendbaar was geworden.
Een jaar later, in een nieuw leven, zat ik te dineren met Šalamun en de geweldige vrouw die ik een paar maanden eerder had ontmoet. We genoten van een late zon op het terras van zijn favoriete restaurant in het centrum van Ljubljana. De Ljubljanica klotste lui tegen haar oevers. Het was zo’n avond op het eind van augustus, wanneer de hitte van de voorbije dag nog aan het nagonzen is, maar je de verkoelende geur van de nakende zomerstormen al meent te herkennen.
Het gesprek laat zich herinneren als een monoloog van vijf uur die mijn geliefde helemaal murw sloeg. Ik heb altijd vermoed dat ze sinds die avond de grote Sloveense dichter een beetje was gaan mijden. Hoffelijk als altijd schreef hij daags nadien. ‘Please forgive me I was manic and obsessed’.
Zelf had ik me als een spons laten vullen met die lange monoloog vol manieën en obsessies. Die avond heb ik werkelijk bijna niets gezegd. Behalve dat ik al maanden vast zat met een bundel die maar niet af wilde geraken. Alle gedichten waren klaar, maar ik was al een jaar op zoek naar de juiste volgorde. Welk gedicht wordt het tweede, het derde, het elfde, het voorlaatste. Zet ik het lange gedicht ‘De moord op Maurice Lippens’ vooraan of eindig ik ermee. Wat doe ik met de reeks ‘Onnatuurlijke vijanden’. Verspreid ik hen over de hele bundel, of moet ik ze eerder bij elkaar houden? Dat zijn – in mijn ogen – cruciale, strategische beslissingen die niet alleen de architectuur, maar ook de toon van een bundel bepalen. Ik ging niet in detail, maar vertelde Šalamun vooral over mijn wanhoop en creatieve droogte die nu al zo lang duurde. Het moet een vreemd moment zijn geweest in het hoofd van de dichter die zowat in elk jaar van zijn volwassen leven een bundel heeft gepubliceerd.
Ik heb me sindsdien vaak afgevraagd hoe hij precies gereageerd heeft op mijn korte relaas – het waren met moeite een paar zinnen. Hoe dan ook, ik ben de volgende morgen opgestaan, heb mijn papieren genomen, ben mijn gedichten voor de honderdste maal beginnen rangschikken en een kwartier later was mijn bundel klaar. Ik ben er nog steeds van overtuigd dat het de enige volgorde is die mijn bundel toelaat en ben er Šalamun voor eeuwig dankbaar voor. Zonder die avond was ik wellicht nog steeds aan het rangschikken, totaal wanhopig, stijf van angst nooit meer iets te zullen maken. Het waren wellicht de helderste, meest geconcentreerde minuten van mijn jonge dichterschap. Ik heb al vaak getracht om ze opnieuw te beleven, maar bots steeds op een hoge blinde muur, volgeklad met nervositeit en afleiding.
Een paar dagen na onze ontmoeting kwam ik Šalamun weer tegen. Opnieuw kwamen de omstandige excuses voor zijn vijf uur durende monoloog. De avond was uit de hand gelopen, het was de wijn, zijn narcisme. ‘I’m sorry, so sorry.’ Ik vertelde hem over het lucide moment na onze ontmoeting waarin ik mijn bundel had voltooid. Hij bekeek me, er veranderde iets in zijn blik, de glanzende trots van een kind dat tussen toejuichende omstaanders net zijn eerste stappen heeft gezet, en met zijn zachte, vrouwelijke stem begon hij meer voor zichzelf dan voor de omringende menigte luid te roepen ‘I’m a catalyst! I’m a catalyst!’.
U vraagt zich wellicht af wat hij in die vijf uur heeft verteld. Welke magische geheimen van de poëzie hij voor me heeft ontsluierd, waardoor ik even heb kunnen genieten van dat lucide moment van transcendente inspiratie. Eerlijk gezegd alleen maar banaliteiten. Hoe hij elke avond na het eten één sigaret rookt, hoe John Ashbery de trein neemt, hoe hij in zijn jeugd als ‘petit provincial’ naar verre familie in Brussel was gestuurd, hoe ‘bourgeois’ hij wel niet was, hoe hij alleen in dat restaurant wilde zitten, hoe deze of gene collega-dichter dit of dat. Allemaal zaken die een twijfelend dichterschap niet vooruit helpen, laat staan verklaren wat me daags nadien had bewogen om op een kwartier tijd het poëtisch werk van maanden te verzetten.
Maar toen ik bij het uitschrijven van deze herinnering de naam van het restaurant van die bewuste avond opzocht, begreep ik wat hij me echt had gezegd: Vitez. Het is niet alleen het Sloveense woord voor ridder, maar heeft dezelfde klank als het Franse ‘vitesse’, snelheid. Het klinkt bovendien als een verbasterde variant van ‘vivez’, de imperatief van het werkwoord ‘vivre’: Leef. Šalamun heeft me geleerd mijn poëzie te laten leven, te durven laten leven, snel doch ridderlijk, dapper je demonen bevechtend, oog in oog met het banale, misschien wel de sterfelijkheid. En daar ben ik hem ruiterlijk dankbaar voor.

Over de auteur:

Tom Van de Voorde (1974) is dichter en vertaler. Hij publiceert dit voorjaar zijn derde dichtbundel Zwembad de verbeelding, alsook Beloftes van glas, een uitvoerige selectie uit de poëzie van de Amerikaanse dichter Michael Palmer. Met Staša Pavlović werkt hij aan een vertaling van de poëzie van Tomaž Šalamun.