thema:

, , ,

Inleiding

Er bestaat een beroemde foto waarop de Brusselse dichter Paul Nougé rond 1929 de geboorte van het ding definitief heeft vastgelegd. Drie mannen en twee vrouwen zijn er getuige van. Aandachtig voorovergebogen staren ze naar een lege plek op een stenen schouw. Schouw: dat laatste Nederlandse woord biedt de mogelijkheid om de naam van reeks waartoe foto behoort te verklaren. De reeks van 19 foto’s werd ‘de subversie van beelden’ gedoopt. Nu is de foto ook nog eens te vinden op een site die ‘zwemmende ogen’ heet: alsof het vastleggen van de geboorte van het ding drastisch gerelativeerd moet worden, alsof de beelden die we van dingen hebben per definitie ondermijnd worden door een manier van kijken. Nougé staat te boek als theoreticus van het surrealisme, maar zijn foto maakt zijn theorie van het waarnemen bijzonder tastbaar en concreet. Het is ook de concentratie waarmee de vijf mensen in het niets staren die fascineert. Ze zijn gewoon. Ze dragen gewone kleren. Je ziet hun ogen niet, maar je weet dat die zwemmen: dat ze een ding willen oproepen dat er niet is. Dat het ding slechts bestaat bij de gratie van wie het ziet. De vijf mensen staan in een verder lege ruimte, waarvan enkel een donker gordijn en donkere vloerbedekking zichtbaar zijn. Het doet denken aan de eerste zinnen van De dingen van Georges Perec (volgens Edu Borger): ‘De blik zou allereerst over de grijze vloerbedekking van een lange, hoge, smalle gang glijden. De muren zouden uit lichthouten wandkasten met glimmende koperen scharnieren bestaan. Drie prenten, waarvan de een Thunderbird, winnaar van Epsom zou voorstellen, de tweede een raderboot, de Ville-de-Montereau en de derde een locomotief van Stephenson, zouden naar een leren gordijn voeren, dat aan dikke ringen van donker gevlamd hout zou hangen en dat je met een simpel gebaar opzij zou kunnen schuiven. Dan zou de vloerbedekking plaats maken voor een bijna geel parket dat gedeeltelijk schuil zou gaan onder drie tapijten met matte kleuren.’ Het is niet de foto die hier beschreven wordt. Het is niet de werkelijkheid die hier beschreven wordt, het is een werkelijkheid in aanvoegende wijs. Het is een mogelijke werkelijkheid, mogelijk gemaakt door de woorden. Het is de literatuur die de verhouding tussen de dingen en de woorden uitbuit, juist als de woorden de indruk van de dingen verontrusten. (TN)

 

Een grijs boek, aan de randen gerafeld, was dat opzet of was de eigenaar voor mij er onzorgvuldig mee omgegaan? Het boek bleek een weerwoord op een gedicht van Bernlef ‘Meer in dingen dan in mensen’ Eerste strofe: ‘Omdat de dood in mensen huist / de buitenkant van dingen is / kan ik alleen in dingen leven zien.’ Wat daar volgens de bijdragers aan het grijze boek precies mis mee was, ben ik vergeten, maar niet dat je leven in dingen kunt zien. Omstreeks dezelfde tijd volgde ik een collegereeks over Indianen en maakte ik kennis met een wereld waarin alles bezield is en er van alles bestaat wat je niet kunt zien, maar – mits je gevoelig genoeg bent – ervaart. Dan was er nog een boek Onaffe Dingen van Irun Scheifes met daarin een motto van Victor Sjklovski uit Zoo of brieven niet over liefde. Een groen boek, dat van Sjklovski, en een van mijn absolute favorieten. De hoofdpersoon mag een vrouw zijn liefde niet bekennen, dus legt hij haar onder meer de werking van een automotor uit. Ik ben nog altijd een Prometheaanse mens, een die dankzij de dingen leeft, die dankzij de dingen kan worden voorgesteld. Is zo’n mens aangenaam? Sjklovski wist het antwoord al: ‘Natuurlijk is het de schuld van het voorwerp zelf als het zich niet bemind weet te maken. Dit geldt in het bijzonder voor dingen die handen hebben.’ (MA)

 

Mensen en dingen. Ze onderhouden een gecompliceerde relatie. De dingen zijn alomtegenwoordig, maar blijven in zichzelf besloten, ze dragen het geheim van hun bestaan in zich. Maar bestaat het eigenlijk wel, dat wat geen geest heeft? Of ontleent het zijn bestaan enkel aan onze blik? Dat raadselachtige wezen roept van alles in ons wakker: begeerte, afgunst, afkeer en angst, maar ook een existentiële twijfel. Want wat zijn wijzelf? Een ding in de blik van anderen, een geest opgesloten in een lichaam dat ook maar een ding is, of een onding. Die dualiteit kan immers zowel een zegen als een kwelling betekenen. Tennyson liet in zijn gedicht ‘The Lotos-Eaters’ (1832) de verslaafden aan vergetelheid al klagen: ‘All things have rest: why should we toil alone, / We only toil, who are the first of things’. Ook onze hedendaagse consumptiedrift en bezittingsdrang leveren ons niet veel anders op dan het onbevredigende besef dat we op het punt van zijn ongecompliceerde monisme het ding nooit zullen evenaren. (KA)

 

Het object is een boek dat van planken is gemaakt. Er bestaat maar een exemplaar van. Ik weet dat degene die het boek maakte uit Woerden kwam en even leek ook dat van belang, Woerden. Planken, een boek, zou het kleur bevatten? Krijg je splinters in je vingers als je het leest? Is het bestand tegen de tand des tijds? Kan een houten boek vergelen, scheuren, afbladderen, breken? Ik stel me het object voor als een triptiek, drie houten panelen. Toen het af was schreef Jacq Vogelaar op de linker plank een citaat van Beckett en op de rechter een van Beckmann. En in het midden schreef hij een regel die alleen aan hemzelf toegedicht kan worden: “Een lichtgevende vis, zo voel ik mij, in een zee van zwart. Ik dwaal rond in een lichaam dat me vertrouwd zou moeten zijn, maar de symfonie van pijnen klinkt me vreemd in de oren.” We hadden afgesproken het over dingen te hebben, hoe de dingen van betekenis veranderen als ze op reis gaan, als ze van hand tot hand gaan, als ze elders neergezet en tentoongesteld worden. En toen overleed Jacq en daarmee zijn wens nog een nummer te maken over pijn. Het onding pijn tegenover de dingen die ogenschijnlijk geen pijn lijden. Misschien zijn er wel twee soorten pijn, zoals Anneke Brassinga in dit nummer schrijft. Misschien zijn de dingen er wel om ons af te leiden. Maar uiteindelijk is er nog een pijn en dat is de pijn zonder Jacq te zijn. Er is een ding dat ons niet ontgaat, een onding dat tussen de regels staat. (EL)

Over de auteurs:

Erik Lindner (1968), dichter en criticus. Recente publicatie: Terrein (poëzie, 2010), Naar Whitebridge (roman, 2013) en Acedia (poëzie, 2014). In het Duits verscheen Nach Akedia (poëzie, 2013) en in het Italiaans Fermata Provvisoria (poëzie, 2013) en Acedia (poëzie, 2016). www.eriklindner.nl In januari 2018 verschijnt bij Van Oorschot Zog, zijn zesde dichtbundel.

Kim Andringa (1977) studeerde Frans en vergelijkende literatuurwetenschap. Ze is literair vertaler uit en naar het Frans, redactielid van Terras en universitair docent vertalen aan de universiteit van Luik.

Mischa Andriessen (1970), schrijver, vertaler, recensent. Publiceert over jazz en beeldende kunst en vertaalde onder meer Graham Swift. Publicaties: Uitzien met D (poëzie, 2008), Huisverraad (poëzie, 2012) en Dwalmgasten (poëzie, 2016). Hij publiceerde proza in De Revisor.

Ton Naaijkens (1953) is vertaler, essayist, redacteur van de tijdschriften Filter en Terras en hoogleraar Duitse literatuur en vertalen aan de Universiteit Utrecht. Hij vertaalde werk van Robert Musil, Paul Celan en Ernst Meister. In 2016 verscheen zijn vertaling van de bundel Chicxulub Paem van Daniel Falb.